8 Argumenten tegen zesdaagse schepping weerlegd

by | mei 26, 2022 | Bijbel, Logos Basics, Theïstisch evolutionisme vs. creationisme, Theologie

Andere argumenten tegen zes dagen

Argumenten tegen zesdaagse schepping weerlegd

Dit is deel 4 van 4. Klik hier voor deel 1, deel 2 en deel 3. In dit artikel worden 8 argumenten tegen een zesdaagse schepping weerlegd. 

1. Soms betekent ‘dag’ iets anders dan een gewone dag

Niemand zal ontkennen dat het woordje ‘dag’ verschillende betekenissen kan hebben. Dat is in het Nederlands ook zo. Maar de context van een genummerde dag met een avond en een ochtend definieert duidelijk dat het in Genesis 1 over gewone dagen gaat. Het Hebreeuwse woordje yom komt ook voor in Genesis 2:4, en daar heeft het een andere betekenis. In dat vers is yom niet genummerd en gaat het niet vergezeld van woorden als ‘avond’ of ‘morgen’. In de Statenvertaling staat: ‘Ten dage als … ’ 1

Sommigen citeren de bijbeltekst dat ‘één dag bij de Heere is als duizend jaren’ (2 Petr. 3:8) om te betogen dat de scheppingsdagen duizend jaar lang (of langer) zijn. Maar dit is misbruik van de tekst. Let erop dat de Bijbel duizend jaar vergelijkt met een dag – het is als een dag – maar niet zegt dat duizend jaar gelijk is aan een dag. De Bijbel leert ons hier simpelweg dat de voor ons begrip lange tijd die we moeten wachten op de wederkomst van Christus voor de eeuwige God niets voorstelt. Dit heeft niets te maken met de betekenis van ‘dag’ in Genesis 1. Sterker nog, deze gelijkenis is juist zo opvallend vanwege het grote contrast tussen een letterlijke dag en duizend jaar. Voor de eeuwige Schepper van de tijd zijn een lange tijd en een korte tijd praktisch hetzelfde.

Een soortgelijk gedeelte in Psalm 90:4 zegt dat duizend jaar in Gods ogen zijn als een nachtwake, zo’n drie of vier uur, maar niemand beweert op basis van deze tekst dat een nachtwake duizend jaar kan duren! Ook dit gedeelte onderstreept dat de Bijbel Gods eeuwige perspectief tegenover ons tijdelijke perspectief zet. Zoals de gerespecteerde bijbelcommentator John Gill zei: ‘Deze woorden drukken goed uit hoe enorm groot het verschil is tussen de eeuwige God en de sterfelijke mens.’ Dit staat helemaal los van de betekenis van het woord ‘dag’ in Genesis 1. 2

2. In Genesis 1 en 2 staan tegenstrijdige scheppingsverhalen, dus waarom zouden we Genesis 1 historisch interpreteren?

De eerste twee hoofdstukken van Genesis bevatten geen verschillende, tegenstrijdige scheppingsverhalen. In Genesis 1 wordt de schepping van ‘alles’ besproken, van het heelal, het grote plaatje (zie Gen. 1:31–2:4a). Genesis 2 verhaalt opnieuw de schepping van de eerste man en vrouw, geeft details die in het eerste hoofdstuk niet zijn genoemd en gaat specifiek in op hun situatie in de hof van Eden, de speciale hof die God voor hen bereid had. Het tweede hoofdstuk van Genesis bevat geen ‘ander’ scheppingsverhaal; de schepping van de aarde, zon, maan, sterren, zeeën, land, lucht, zeedieren, kruipende dieren, etc., wordt niet genoemd.

Er wordt soms beweerd dat Genesis 1 en 2 verschillen in de volgorde van scheppingsdaden. Het probleem zou hem zitten in de struiken, planten en bomen (Genesis 2:5,9). In sommige vertalingen kan het lijken alsof ze na Adam geschapen zijn, terwijl Genesis 1 duidelijk zegt dat de planten op de derde dag werden geschapen en Adam op de zesde.

Maar Genesis 2 richt zich specifiek op zaken die direct verband hebben met Adam en Eva in de hof van Eden, en niet op de totale schepping.

In hoofdstuk 2 gaat het over planten ‘des velds’ (in hoofdstuk 1 niet, zie Gen.1:12), en deze zijn afhankelijk van mensen die het land bewerken (Gen. 2:5). In Genesis 2 gaat het dus duidelijk om gecultiveerde planten, niet om planten in het algemeen. Genesis 2:9 gaat alleen over de bomen in de hof van Eden, niet bomen in het algemeen. Deze gebeurtenissen betreffen Gods schepping van de hof, niet de gehele wereld.

Een andere zogenaamde tegenstelling is de schepping van de ‘beesten des velds’ en ‘vogelen des hemels’ na de schepping van Adam (Gen.2:19).

Deze vermeende tegenstrijdigheid valt weg wanneer we ons realiseren dat het Hebreeuws geen voltooid verleden tijd heeft (‘had geformeerd’). Meerdere bijbelcommentatoren, zoals Keil & Delitzsch en Leupold, hebben opgemerkt dat uit de context van Genesis 2 opgemaakt kan worden dat voor de schepping van de dieren de voltooid verleden tijd bedoeld wordt. Als we rekening houden met de context, zou de vertaling luiden: ‘En de HEERE God had uit de aardbodem al het gedierte des velds en al het gevogelte des hemels geformeerd.’ Dit is een correcte vertaling, dus is er geen sprake van een tegenstrijdigheid.

Er is geen enkele reden om te concluderen dat Genesis 1 en 2 elkaar tegenspreken, dus dit is geen geldig argument tegen de historiciteit van Genesis 1. 3

3. Adam kon niet alle dieren in één dag een naam geven (dag 6)

Adam hoefde niet iedere diersoort ter wereld een naam te geven (dat zou redelijk moeilijk zijn), maar alleen de dieren die God naar hem toebracht. Hij moest namen geven aan ‘al het vee, en van het gevogelte des hemels, en van al het gedierte des velds’ (Gen. 2:20), de dieren die relevant waren voor Adams leefomgeving; dus niet de zeedieren en ‘al het kruipend gedierte des aardbodems’. Van groepen die hij wel een naam moest geven, ging het bijvoorbeeld niet om honderden papegaaiensoorten, maar slechts om een of enkele oertypen. Deze opdracht was kennelijk een teken van soevereiniteit: Adam moest heersen over de schepping (Gen. 1:28). Iets een naam geven is het uitoefenen van heerschappij. Ook werd het Adam door het namen geven aan dieren duidelijk dat hij iets miste: een vrouw. Toen werd Eva geschapen, waar Adam zeer dankbaar voor was!

We moeten niet vergeten dat Adam volmaakt geschapen werd, met een ontwikkeld taalbegrip. Het zal voor hem geen probleem zijn geweest om, in zijn staat van voor de zondeval, deze deelverzameling van de dieren binnen enkele uren een naam te geven. 4

Argumenten tegen zesdaagse schepping weerlegd

4. De zon werd pas geschapen op de vierde dag, dus hoe kunnen de eerste drie dagen dan normale dagen geweest zijn?

Tegenwoordig wordt dit probleem wel eens naar voren geschoven; alsof creationisten hier nog nooit aan gedacht hadden. Maar de vroege kerkvaders en de reformatoren hebben de schepping van het licht vóór de schepping van de zon nooit als een probleem gezien. Zo schreef Theofilus van Antiochië in 180 n.Chr. dat dit de absurditeit van zonneverering onderstreepte, omdat God de planten schiep vóór de zon. Basilius zei hetzelfde. 5

De meest basale definitie van een dag is ‘de tijd waarin de aarde een volledige rotatie om haar as maakt’. Het enige wat we voor een dag nodig hebben, is een draaiende aarde. Om vervolgens dagen met avonden en ochtenden te onderscheiden, hebben we een lichtbron nodig die de aarde vanuit een bepaalde richting beschijnt. De roterende aarde veroorzaakt dan de dag-en-nachtcyclus die in Genesis 1 voor elke dag wordt omschreven. De Bijbel vertelt dat in het latere deel van de eerste dag, na de periode van duisternis, God zei: ‘Daar zij licht; en daar werd licht’ (vers 3). We hebben dus een lichtbron en een roterende aarde en we hebben dagen: ‘Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de eerste dag’ (Gen. 1:1-2).

Degenen die beweren dat de eerste dagen een andere lengte hadden, moeten er van uitgaan dat God de rotatiesnelheid van de aarde om haar as veranderde toen Hij het grootste licht schiep als lichtbron (Gen.1:14), wat onwaarschijnlijk is.

De Bijbel geeft geen enkele aanwijzing dat de dagen anders waren. Dezelfde formule wordt gebruikt voor de tweede, derde, vierde en vijfde dag (‘toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de tweede/derde/vierde/vijfde dag’).

5. De zevende dag is nog niet voorbij, dus de andere dagen kunnen ook lange perioden geweest zijn.

Er wordt soms gezegd dat de zevende dag (Gen. 2:2-3) nog steeds voortduurt, omdat die niet afgesloten is met de woorden ‘avond’ en ‘morgen’. De zevende dag is dan een lange periode, dus we kunnen de overige dagen ook als lange perioden beschouwen.

Aangezien er geen achtste scheppingsdag is geweest, was het echter niet nodig om de zevende dag van de achtste af te scheiden met ‘avond en morgen’. Bovendien markeren avond en morgen het begin en eind van een dag, dus als de afwezigheid van deze woorden zou betekenen dat de zevende dag nog niet voorbij is, zou die dag ook nog niet begonnen zijn.

Dit ogenschijnlijk fraaie argument wordt vaak gecombineerd met de bewering dat in Hebreeën 4 staat dat de zevende dag een lange periode is, en de andere scheppingsdagen dat dus ook kunnen zijn. Het argument luidt als volgt: ‘Volgens dit gedeelte [Hebr. 4:4-11] duurt de zevende dag duizenden jaren later nog steeds voort. (…) De zevende dag van Genesis 1 en 2 vertegenwoordigt minimaal enkele duizenden jaren, met maximaal een open einde (maar wel eindig). Gezien het parallellisme van het scheppingsverhaal, lijkt het redelijk om te concluderen dat ook de eerste zes dagen lange perioden waren.’ 6

In Hebreeën 4 wordt niet gezegd dat de zevende scheppingsdag momenteel nog steeds voortduurt. Er wordt alleen gezegd dat God nog steeds aan het rusten is. Als iemand op maandag zegt dat hij op zaterdag rustte en nog steeds rust, wil dat niet zeggen dat de zaterdag nog niet afgelopen is.

Bovendien is de rust bedoeld voor degenen die in Christus zijn (zie vers 9-11), degenen die in het Koninkrijk Gods zijn. Het is dus een geestelijke rust. Als deze rust een voortzetting van de zevende dag van de scheppingsweek was, zou iedereen in deze rust zijn.

Dit argument is eveneens strijdig met Exodus 20:11, geschreven door God Zelf, waar Gods rust op de zevende dag de basis is voor het sabbatsgebod. Hieruit blijkt duidelijk dat Gods rustdag, de zevende dag, een dag was zoals de andere dagen van de scheppingsweek. Het zou een vreemde week geweest zijn als de zevende dag nog steeds voortduurde. 7

6. Genesis is poëzie, beeldspraak, een theologisch argument (polemiek) en dus geen geschiedenis (kadertheorie)

Dit is het fundamentele principe van de kadertheorie, waarschijnlijk de meest populaire visie op bijbelscholen die zeggen wel het gezag van de Bijbel te accepteren, maar niet de zesdaagse schepping.

Maar als het literaire raamwerk de ware betekenis van de tekst is, is het wel vreemd dat niemand Genesis op deze manier interpreteerde tot de gereformeerde theoloog Arie Noordtzij in 1924 met deze uitleg kwam. Maar in feite is het niet zo vreemd dat geen enkele theoloog tot de twintigste eeuw hieraan gedacht heeft, aangezien de belangrijkste voorstanders van deze theorie, Merdith Kline en Henri Blocher, hebben toegegeven dat de motivering voor hun bizarre, nieuwe interpretatie voortkomt uit de wanhopige wens om de Bijbel in overeenstemming te brengen met de zogenaamde ‘feiten’ van de wetenschap. 8

In zijn belangrijkste artikel over de kadertheorie geeft Kline bijvoorbeeld toe: ‘Het belangrijkste doel van dit artikel is het weerleggen van de letterlijke interpretatie van de scheppingsweek door jonge-aarde aanhangers.’ 9 En Blocher heeft gezegd: ‘Deze hypothese lost een aantal problemen op waar commentatoren mee zaten, [inclusief] de confrontatie met de wetenschappelijke visie op het verre verleden.’ Verder geeft hij toe dat hij de duidelijke leer van de Bijbel afwijst, want: ‘Iemand moet het wel hoog in de bol hebben om alle theorieën die door de wetenschappers worden geaccepteerd te verwerpen.’ Het is duidelijk dat de kadertheorie niet voortkomt uit een poging om Genesis te begrijpen. Ze komt voort uit een verlangen om de al tweeduizend jaar algemeen geaccepteerde visie te bestrijden dat Genesis daadwerkelijke gebeurtenissen beschrijft in de echte tijd en ruimte. 10

a. Zijn de dagen van Genesis 1 daadwerkelijke geschiedenis?

Zoals echter eerder is aangetoond, is er geen enkele twijfel over mogelijk dat Genesis is geschreven als historische vertelling.

Aanhangers van de kadertheorie beweren dat Genesis 2 thematisch is ingedeeld in plaats van chronologisch, en dat Genesis 1 dat dus ook moet zijn. Maar dat is hetzelfde als zeggen dat het Evangelie naar Matthéüs thematisch is ingericht en dus het Evangelie naar Lukas niet chronologisch ingedeeld kan zijn. En het is logisch, en in lijn met de literaire gebruiken in het oude Nabije Oosten, om een historisch overzicht vooraf te laten gaan aan een gedetailleerder verslag (Gen. 2) van bepaalde gebeurtenissen die in het overzicht al zijn genoemd. Hoofdstuk 2 heeft niet de serie genummerde dagen die Genesis 1 heeft, dus hoe kan Genesis 2 bepalend zijn voor hoe we hoofdstuk 1 moeten zien?

b. Zijn er trio’s van dagen?

Een van de belangrijkste ‘aanwijzingen’ voor een poëtische structuur zou zijn dat de scheppingsweek verdeeld is in twee trio’s van dagen. volgens deze gedachte verdeelde Mozes de dagen in een gestileerd kader, waarbij de dagen 4-6 parallel lopen aan de dagen 1-3. Kline stelt dat de dagen 1-3 over het koninkrijk gaan, en de dagen 4-6 over de heersers, zoals in de nevenstaande tabel: 11

De kadertheorie, die onhoudbaar is (zie tekst):

Argumenten tegen zesdaagse schepping weerlegd

scheppingsdagen

Ook al zou dit waar zijn, dan sluit het nog steeds niet uit dat het een reeks historische gebeurtenissen is. God is immers in staat om in een bepaalde volgorde te scheppen om ons dingen te leren. Daarnaast stellen andere theologen dat de ‘literaire instrumenten’ eerder uit de verbeelding van de aanhangers van de kadertheorie voortkomen dan uit de tekst. De parallellen tussen de twee trio’s van dagen bijvoorbeeld worden nogal overdreven. De systematisch theoloog dr. Wayne Grudem vat het als volgt samen:

‘Ten eerste zijn de parallellen tussen de scheppingsdagen niet zo precies als door de aanhangers [van de kadertheorie] wordt aangenomen. De zon, maan en sterren worden op de vierde dag geschapen als ‘lichten in het uitspansel des hemels’ (Gen. 1:14). Ze worden niet in een bepaalde ruimte geplaatst die bij dag 1 genoemd wordt, maar in het ‘uitspansel’, dat werd geschapen op de tweede dag. Deze parallel in taalgebruik is behoorlijk expliciet: het ‘uitspansel’ wordt op dag 1 helemaal niet genoemd, maar wel vijf keer op dag 2 (Gen. 1:6-8) en drie keer op dag 4 (Gen. 1:14-16). Natuurlijk heeft dag 4 ook parallellen met dag 1 (in termen van dag en nacht, licht en duisternis). Maar als we zeggen dat de laatste drie dagen gaan over de schepping van dingen die vormen of ruimten opvullen (of die over het koninkrijk heersen, zoals Kline zegt) die tijdens de eerste drie dagen zijn geschapen, dan overlapt dag 4 minstens zoveel met dag 2 als met dag 1.

De parallel tussen de tweede en de vijfde dag is ook niet zo precies. De voorbereiding van de ruimten voor de vogels en de vissen van dag 5 valt niet alleen op dag 2, maar deels ook op dag 3.

Pas op dag 3 verzamelt God de wateren en noemt ze ‘zeeën’ (Gen. 1:10) en op dag 5 wordt de vissen bevolen ‘de wateren in de zeeën’ te vullen (Gen. 1:22). In de verzen 26 en 28 worden vissen opnieuw ‘vissen der zee’ genoemd, wat weer benadrukt dat de ruimte die door de vissen wordt bewoond specifiek gevormd werd op dag 3. Dus de vissen, die op dag 5 zijn geschapen, lijken veel meer te behoren tot de ruimte die voor hen werd gemaakt op dag 3 dan tot de wijdverspreide wateren onder het uitspansel van dag 2. De parallel tussen dag 2 en dag 5 wordt nog verder verzwakt doordat er op dag 5 niets werd geschapen om de ‘wateren boven het uitspansel’ te bewonen. En de vliegende wezens die op deze dag werden geschapen (het Hebreeuwse woord omvat zowel vogels als vliegende insecten) vliegen niet alleen langs het uitspansel dat op dag 2 geschapen is, maar leven en vermeerderen zich ook op de ‘aarde’ of ‘droge aarde’ die werd geschapen op dag 3 (zie Gods bevel op dag 5: ‘het gevogelte worde talrijk op de aarde’, Gen. 1:22).

Ten slotte is ook de parallel tussen dag 3 en 6 niet precies, want er is niets geschapen op dag 6 om de wateren mee te vullen die op dag 3 zijn verzameld. Met al deze overlappingen en onnauwkeurigheden in de parallellen tussen de ruimtes en het geschapene om die te vullen, wordt het veronderstelde literaire ‘kader’, dat in eerste instantie steekhoudend lijkt, naarmate we de tekst beter lezen steeds minder overtuigend.’ 12

c. Geeft Genesis 2:5 aan dat God natuurlijke processen gebruikte?

Een ander punt dat centraal staat in de argumentatie van aanhangers van de kadertheorie is gebaseerd op Genesis 2:5. 13 Kline merkt terecht op dat God geen planten maakte voordat het op aarde regende of er mensen waren, hoewel dit over gecultiveerde planten gaat, niet over alle planten. 14 Vervolgens stelt Kline de vraag wat God ervan weerhield om toch planten te maken. Hij kon ze immers op bovennatuurlijke wijze in stand houden? De reden is volgens Kline dat God ‘alledaagse voorzienigheid’ gebruikte: ‘Genesis 2:5 bevat duidelijk de onuitgesproken aanname dat God in Zijn onderhouding werkte via processen die iedere lezer zou herkennen als alledaags in de natuurlijke wereld van zijn tijd.’ 15

Het is opvallend dat Kline toegeeft dat dit niet uit de tekst naar voren komt. Dat verklaart ook waarom in duizenden jaren geen enkele exegeet dit heeft opgemerkt. Vervolgens maakt Kline een volgende verbazingwekkende sprong door te beweren dat zich tijdens de gehele scheppingsweek alleen natuurlijke processen (alledaagse voorzienigheid) afspeelden: ‘Genesis 2:5 (en de daaropvolgende verzen) bevat het principe dat de modus operandi van Gods ingrijpen tijdens de schepping hetzelfde was als de alledaagse voorzienigheid in de huidige tijd.’ 16 Maar dit is pure wanhoop. Zelfs als er natuurlijke processen plaatsvonden (alledaagse voorzienigheid), wil dat nog niet zeggen dat er niet tevens bovennatuurlijke dingen gebeurden. Sterker nog, ieder wonder in de Bijbel vond plaats terwijl zich tegelijkertijd ook natuurlijke processen afspeelden. Michael Horton merkt op dat degenen die ontkennen dat God bovennatuurlijk ingrijpt binnen de natuurlijke gang van zaken, dit doen vanuit een a priori filosofische aanname, en niet vanuit aanwijzingen in de tekst. 17

Een wonder moet niet gezien worden als een ‘overtreding’ van de normale gang van zaken, maar als een toevoeging. Toen Jezus water in wijn veranderde (Joh. 2) waren de andere aspecten van de voorzienigheid nog steeds in werking. Misschien schiep Jezus de grote variatie aan organische verbindingen om van water wijn te maken, terwijl de zwaartekracht er nog steeds voor bleef zorgen dat de vloeistof in de vaten bleef, de smaakpapillen van de gasten nog steeds normaal werkten en hun harten nog steeds bleven kloppen, etc.

Het is ironisch dat Genesis 2:5 juist tegen alledaagse voorzienigheid pleit als we uitgaan van de evolutionistische tijdsspanne die Kline probeert mogelijk te laten zijn. Binnen het evolutionistische model ontstaan de eerste landplanten pas miljarden jaren na het ontstaan van de oceanen. Dit vers zegt dat er nog geen planten waren gegroeid omdat de Heere het nog niet op de aarde had laten regenen. Vóór het verschijnen van landplanten had het dus nog niet geregend. Maar hoe is het, gezien de alledaagse processen van verdamping en condensatie etc., mogelijk dat het gedurende deze miljarden jaren nooit geregend heeft? Dat zou een enorm wonder zijn!

Kline gaat er dus onterecht vanuit dat Genesis 2:5 erop wijst dat God enkel natuurlijke processen of alledaagse voorzienigheid gebruikte. Vervolgens extrapoleert hij dit naar de volledige scheppingsweek, en bovendien neemt hij zomaar aan dat normale processen bovennatuurlijke processen uitsluiten. Zijn vergissing wordt nog versterkt doordat hij niet inziet dat Genesis 2 zich specifiek richt op de mens in de hof van Eden.

d. Is Genesis slechts een theologisch argument (polemiek)?

Genesis 1 weerlegt zeker een aantal onjuiste ideeën over God. Maar die ideeën worden juist weerlegd omdat Genesis 1 ware geschiedenis vertelt. Het scheppingsverhaal bevat bijvoorbeeld een argument tegen de verering van de zon, omdat God het licht schiep zonder de zon (de eerste dag) voordat Hij de zon schiep (de vierde dag). Het argument is gebaseerd op de historiciteit van de gebeurtenissen.

Is Genesis 1 een argument voor de sabbat? In Exodus 20:11 wordt Genesis 1 aangehaald als grondslag voor het sabbatsgebod. Oftewel, Gods werken in Genesis zijn een voorteken voor het sabbatsgebod. De geschiedenis is de basis van het gebod.

De uiteenzettingen van voorstanders van de kadertheorie worden gekenmerkt door gebrek aan helderheid. Neem bijvoorbeeld de volgende uitspraak van Blocher: ‘Ze [de kadertheorie] erkent normale dagen, maar plaatst ze in de context van één groot figuratief geheel.’ 18 Maar wie door deze verbale mist heen kijkt, ziet dat ze in feite de daadwerkelijke ‘tijd-ruimte’ historiciteit van de dagen ontkennen. Min of meer het enige wat hun ideeën enige logische samenhang geeft, is een aversie tegen de interpretatie dat de scheppingsdagen echte, historische dagen waren.

7. Zijn Gods dagen niet onze dagen?

Enkelen hebben beweerd dat de dagen van Genesis 1 ‘Gods dagen’ zijn, en we ons dus niet druk zouden moeten maken over een letterlijke (historische) interpretatie.

In eerste instantie lijkt deze uitleg heel vroom. Maar als we dit consistent doorvoeren, wordt de interpretatie van de Bijbel op welk punt dan ook, een onmogelijke opgave. God inspireerde de Bijbel op zo’n manier dat wij, Adams nakomelingen, de dingen zouden begrijpen die God ons wil laten weten (over verlossing, etc.). Dat betekent dat de woorden in de Bijbel Gods gedachten aan ons communiceren. Als er woorden zijn waarvan alleen God de betekenis weet, wat is dan de reden dat ze in de Bijbel staan? Misschien zijn ‘moord’ en ‘overspel’ ook wel ‘Gods woorden’ en betekenen ze dus iets anders dan wij denken. Dit is duidelijk een absurd idee.

Hoe dan ook, God is eeuwig en staat buiten de tijd, zoals we eerder bespraken. Dus wat zou ‘Gods dag’ zijn? Wat zou die betekenen? God heeft geen dagen en jaren (zie de eerdere bespreking van 2 Petr. 3:8).

8. Openbaringsdagen?

Nog een andere manier om los te komen van de eenvoudige en beoogde betekenis van Genesis 1 is de bewering dat de dagen in feite zes dagen waren waarin God het scheppingsverslag aan Mozes (of iemand anders) openbaarde. Maar de tekst geeft geen enkele aanwijzing dat God op die dagen dingen openbaarde. Voorstanders van deze zienswijze beweren dat het Hebreeuwse woordje voor ‘maakte’ (asah) ook ‘openbaarde’ of ‘tonen’ kan betekenen. Het Hebreeuws zegt duidelijk dat God dingen schiep (bara) of maakte (asah), niet dat Hij ze openbaarde. Asah heeft een bredere betekenis dan bara, en kan ‘maken, vormen, produceren, doen’ etc. betekenen, maar niet ‘tonen’ in de zin van openbaren. 19

In sommige Engelse vertalingen wordt asah soms vertaald met ‘show’ (tonen), maar in al deze gevallen wel in de zin van ‘doen’ of ‘maken’. Dit is bijvoorbeeld het geval in Genesis 24:12 (‘doe weldadigheid’, ‘doe’ is hier asah).

Opnieuw kunnen we zeggen dat Exodus 20:11 benadrukt dat het volledige scheppingsproces zich heeft afgespeeld binnen een periode van een ‘gewone’ week.

Hoe bestaat het?

Dit artikel is met toestemming overgenomen uit het boek: Batten, D., & Mediagroep In Genesis. (2009). Hoe bestaat het! 60 vragen over schepping, evolutie en de Bijbel (3de editie). De Banier.

Dit boek is tevens te koop in onze webshop: https://webshop.logos.nl/winkel/doelgroep/bovenbouw-middelbare-school/hoe-bestaat-het/

Tags: Argumenten tegen zesdaagse schepping weerlegd. Argumenten tegen zesdaagse schepping weerlegd. 

Voetnoten

  1. De NBG ’51 vertaalt yom niet met ‘ten dage dat’ maar naar de betekenis, namelijk ‘ten tijde dat’.
  2. J. Sarfati, 2 Peter 3:8 – ‘one day is like a thousand years’; www.creation.com/content/view/2424.
  3. Voor meer informatie, zie Genesis contradictions?; www.creation.com/Genesis_contradictions.
  4. R. Grigg, Naming the animals: all in a day’s work for Adam. Creation 18(4):46–49, 1996; www.creation.com/animalnames.
  5. Theofilus, Aan Autolycus 2:15, Basilius, Hexameron 6:2.
  6. H. Ross, Creation and Time, Navpress, Colorado Springs, Colorado, 1994, p. 49.
  7. Zie anoniem, Is the seventh day an eternal day? Creation 21(3):44–45, 1999; www.creation.com/seventhday.
  8. In Nederland vond, behalve bij Noordtzij, de theorie dat de dagen een literair instrument zijn, in latere jaren ook weerklank in de geschriften van de hoogleraren dr. Nic. H. Ridderbos en dr. J. Douma; voor een uitgebreide bespreking hiervan zie www.scheppingofevolutie.nl/kadervertelling.
  9. M.G. Kline, Space and time in the Genesis cosmology, Perspectives on Science & Christian Faith 48(1):2–15, 1996.
  10. Voor een weerlegging van de kadertheorie, zie www.creation.com/framework.
  11. M.G. Kline, Space and time in the Genesis cosmology, Perspectives on Science & Christian Faith 48(1):2–15, 1996.
  12. W. Grudem, Systematic Theology, Zondervan, Grand Rapids, MI, VS, 1994, p. 302.
  13. M.G. Kline, Because it had not rained, WTJ 20:146–157, 1958.
  14. M.J. Kruger, An understanding of Genesis 2:5, Journal of Creation 11(1):106–110, 1997.
  15. M.G. Kline, noot 46, p. 150.
  16. M.G. Kline, noot 46, p. 151.
  17. M.S. Horton, Covenant and Eschatology: The Divine Drama, Westminster John Knox, 2002.
  18. H. Blocher, In the Beginning, IVP, Downers Grove, VS, 1984, p. 50.
  19. Niets in Gesenius’ standaard Lexicon ondersteunt de interpretatie van asah als ‘tonen’. Zie C.V. Taylor, Revelation or creation?, 1997; www.creation.com/showdays.
M
"

Artikelen

Artikelen