‘Gedurende het grootste deel van de kerkgeschiedenis hebben christenen net als Joden geloofd dat Adam en Eva echte personen waren waaruit alle andere mensen zijn voortgekomen, en door wier ongehoorzaamheid aan God de zonde in de menselijke ervaring is gebracht.’

Professor C. John Collins1

We hebben ‘Aristoteles en de sneeuwbal’ behandeld (een paragraaf in hst. 9 over ‘hylomorphisme’ of ‘materie-vorm’ – daar wordt het gebruik van het voorbeeld van de sneeuwbal duidelijk), maar nu gaan we terug in de tijd naar Adam en de appel (in werkelijkheid was het een niet nader omschreven vrucht). Als de Bijbel zoals hij zelf zegt Gods boodschap aan de mensheid is, moet het ons niet verbazen dat de mens een centrale rol speelt in het bijbelse wereldbeeld. Zijn schepping en val worden beschreven in de eerste hoofdstukken van de Bijbel. Maar begon het menselijk ras echt met Adam? En zo ja, hoeveel ‘Adams’ hebben er dan feitelijk bestaan? Om het wat makkelijker te maken zal ik er een meerkeuze-vraag van maken: hoeveel Adams waren er?

(a) Geen, (b) een, (c) twee, (d) drie, (e) 10.000.

Wat het goede antwoord is? Dat hangt er maar vanaf aan wie je het vraagt. Sceptici kiezen voor (a). Zij beweren dat Adam een mythe is en dat er nooit zo’n unieke ‘eerste mens’ bestaan heeft. De Bijbel zegt (b) ‘(…) toen formeerde de Here God de mens van stof uit de aardbodem en blies de levensadem in zijn neus; alzo werd de mens tot een levend wezen’ (Gen. 2:7). Dit moet naar een enkel individu verwijzen, want verderop lezen wij dat de Here God zei: ‘Het is niet goed dat de mens alleen zij’ (v. 18). Anderzijds is antwoord (c) ook mogelijk, want ons wordt verteld dat God de mens (Hebreeuws: adam) schiep naar Zijn beeld, als man en vrouw (Gen. 1:27). Dus de eerste vrouw, Eva, kon ook als een ‘Adam’ gerekend worden. Maar misschien is het volledige antwoord toch antwoord (d), omdat de apostel Paulus zegt dat Adam ‘een beeld is van de komende’ – dat is Christus (Rom. 5:14), en opnieuw, ‘(…) de eerste mens, Adam, werd een levende ziel; de laatste Adam [Christus] een levendmakende geest’ (1 Kor. 15:45). We zullen ons in dit en het volgende hoofdstuk bezighouden met de eerste Adam, en daarna zullen we gaan zien waarom Christus ‘de tweede Adam’ genoemd wordt (eigenlijk ‘de laatste Adam’ – E. M.) en wat dat voor ons op het persoonlijke vlak betekent.

Ten slotte zeggen zowel sceptici en theïstische evolutionisten dat (e) het juiste antwoord moet zijn omdat de mogelijkheid dat het menselijk ras uit slechts een enkel mensenpaar voortkomt uitgesloten wordt op grond van populatiegenetica. Zij beweren dat voor het verklaren van de genetische variatie binnen de moderne mensheid, homo sapiens moet zijn voortgekomen uit een populatie van aapachtige voorouders in een orde van grootte van rond de 10.000. Maar de argumenten en berekeningen die tot deze conclusie leiden, zijn gebaseerd op boute aannames, dus laten we eens enkele van die aannames wat uitgebreider bespreken.

Duizenden Adams?

Laat ik beginnen met een ding duidelijk te maken. Het is theoretisch mogelijk dat twee ouders in slechts enkele generaties de aarde bevolken. Stel dat een vrouw vier kinderen krijgt voordat zij 40 is. Als twee van de kinderen vrouwelijk zijn en zich overeenkomstig hetzelfde patroon vermenigvuldigen als hun moeder, zal de volgende (tweede) generatie vier vruchtbare vrouwen hebben die acht vrouwelijke nakomelingen voortbrengen. Als datzelfde patroon zich consistent herhaalt in toekomstige generaties, zal het aantal moeders in generatie ‘n’, waar de ‘n’ een om het even welk getal is, 2n zijn (twee tot de macht n). In 2017 waren er 7,5 miljard mensen op aarde, en dat getal zou (volgens deze berekening) bereikt worden in 33 generaties. Als we voor elke generatie 40 jaar rekenen, zou dat slechts 1320 jaar vergen! Nu is deze berekening natuurlijk belachelijk simplistisch. We weten dat bevolkingsaantallen zowel kunnen toenemen als afnemen. Deze berekening gaat uit van een onrealistisch stabiel voortplantings-patroon en negeert aspecten zoals kindersterfte, onvruchtbaarheid, maternale mortaliteit (moedersterfte door complicaties tijdens of na de zwangerschap) en catastrofale gebeurtenissen – zoals oorlogen, ijstijden en de grote vloed die in Genesis beschreven wordt (en in vele andere tradities). Maar mijn enige doel hier is de lezer erop te wijzen dat, in gunstige omstandigheden, er helemaal niet zo veel generaties nodig zijn om grote populaties voort te brengen.

Maar het ‘10.000 Adams scenario’ is niet alleen gebaseerd op getallen, maar ook op genetische diversiteit. Het argument begint met het feit dat een enkel ouderpaar niet meer dan vier verschillende versies van een bepaald gen met elkaar delen kan. Deze verschillende versies worden de ‘allelen’ van het gen genoemd. Bijvoorbeeld: uw oogkleur wordt voornamelijk bepaald door de vraag of u het allel voor blauwe ogen hebt, of voor bruine ogen (andere allelen spelen ook een rol, maar in mindere mate). Als de vier allelen van een bepaald gen dat Adam en Eva hadden, ongewijzigd doorgegeven werden aan al hun nakomelingen, zouden we moeten zien dat alleen dezelfde vier versies van het gen aanwezig zijn in de hele menselijke populatie. Maar in plaats daarvan, afhankelijk van het type gen, kunnen er honderden verschillende allelen van een bepaald gen in het moderne menselijk genoom aanwezig zijn. Dus het hele menselijke ras kan niet van een enkel mensenpaar afstammen, toch? Maar merk op welke aannames er gedaan worden die tot deze conclusie leiden.

Ten eerste is het zo dat wordt aangenomen dat onder alle mutaties waarvan evolutionisten zeggen dat zij door de tijd heen in een bepaald gen plaatsvinden, er maar zeer weinig tot de vorming van een nieuw allel geleid hebben. Dat wil zeggen: bijna elke mutatie in dat gen is óf schadelijk geweest is (leidend tot de eliminatie van het veranderde gen), óf neutraal (zodat er geen functionele verandering optrad in het allel). Dit leidt ons tot de conclusie dat normale evolutionaire processen simpelweg te langzaam zijn om de genetische diversiteit te kunnen verklaren van een ras dat uit een enkel mensenpaar voortkomt. Maar macro-evolutie rust in zijn geheel op de tegenovergestelde aanname, namelijk dat gunstige of nuttige mutaties plaatsvinden, om zich vervolgens door natuurlijke selectie in een populatie te nestelen, en (in dezelfde tijd waarin men zich de opkomst van de mens voorstelt) niet alleen tot nieuwe allelen leiden, maar tot geheel nieuwe genen, genomen en soorten! Maar je kunt niet van twee walletjes eten.

Een tweede aanname is dat Adam en Eva net zulke genomen hadden als wij die vandaag de dag hebben, hoewel zij geschapen konden zijn met een veel rijkere voorraad aan DNA dan de moderne mens tot zijn beschikking heeft; een genoom waarin het potentieel voor de vorming van veel verschillende allelen sluimerde. De enige reden waarom een menselijk paar vier allelen van een bepaald gen deelt, is dat zij elk twee allelen van hun ouders erven, een van vader en een van moeder. Maar als Adam en Eva twee speciaal geschapen wezens waren, hadden zij geen ouders en hebben wij er geen idee van hoeveel allelen zij van een bepaald gen hadden. Met andere woorden: het beginpunt van onze vier allelen is gebaseerd op de onbewezen aanname dat Adam en Eva zich uit een eerder schepsel ontwikkelden, en dat argument komt dicht in de buurt van een cirkelredenering. Als de voorouders van de mensheid een speciale schepping waren, met een verrijkt genoom, zou dat ook verklaren waarom de huwelijken tussen hun eigen kinderen geen genetische problemen veroorzaakte bij het nageslacht.

Een derde aanname is dat er niet snel nieuwe allelen gevormd konden worden door de epigenetische en andere niet-darwinistische processen die wij al in een eerder hoofdstuk bespraken. Geen van deze aannames kan men als zeker beschouwen.

Geneticus Ann Gauger en haar medeauteurs hebben een gedetailleerde technische weerlegging gegeven van de eerder genoemde ‘10.000 berekening’.234 Op grond van de bekende genetische processen tonen deze berekeningen aan hoe het hele menselijke ras zich heel goed uit een enkel menselijk paar ontwikkeld kan hebben. Zij concludeert: ‘Maar één ding is nu duidelijk: Adam en Eva zijn niet door de wetenschap ontkracht, en zij die zeggen dat het wel zo is, geven een verkeerd beeld van het wetenschappelijke bewijs.’ Haar werk wordt ook ondersteund door een geavanceerd populatiemodel dat werd voorgesteld door Fazale Rana5, dat, als het model klopt, voorspelt dat Adam een echt persoon was die ergens tussen de 50.000 en 70.000 jaar geleden leefde. Andere argumenten die tot dezelfde conclusie leiden, worden voorgesteld door John Bloom in zijn werk On Human Origins.6

Alles bij elkaar genomen betekenen deze overwegingen dat het heel rationeel en wetenschappelijk gerechtvaardigd is om te geloven dat de hele mensheid inderdaad van een oorspronkelijk geschapen mensenpaar afstamt, zoals de Bijbel het zegt.

Het literaire genre van Genesis

Onze discussie over Adam en Eva leidt ons tot een logische vraag. In hoeverre weerspiegelt het volledige bijbelse scheppingsverhaal de werkelijke geschiedenis? De meningen hierover zijn natuurlijk verdeeld, en het antwoord op deze vraag hangt af van de vraag hoe wij het literaire genre definiëren waartoe het scheppingsverhaal behoort. We kennen het verschil tussen J. R. R. Tolkiens The Lord of the Rings en Edward Gibbons boek Verval en ondergang van het Romeinse Rijk. Dat wil zeggen: we zijn allemaal bekend met het concept van genres, en wij kunnen eenvoudig het verschil aangeven tussen fictie en non-fictie, poëzie en proza, geschiedenis en mythe. Maar er zijn ook nog andere, minder bekende genres. Bijvoorbeeld: sommige boeken i de Bijbel, vooral Daniël in het Oude Testament en Openbaring in het Nieuwe Testament bedienen zich van een ‘apocalyptisch’ stijl, waarin informatie gedeeld wordt middels verbale symbolen, en niet middels eenvoudige mededelingen of stellingen. Het genre van een literair werk beïnvloedt de manier waarop wij het interpreteren, en daar ligt het probleem met de eerste hoofdstukken van Genesis (met name de eerste elf hoofdstukken). Het genre dat daar gebruikt wordt is oud en past misschien helemaal niet in een van de moderne literaire categorieën. Is het genre gelijk aan dat van andere oude geschriften en scheppingsverhalen uit het Nabije Oosten? Dat valt te betwijfelen vanwege de grote verschillen tussen de verhalen, en het is dan ook zeer onwaarschijnlijk als wij (afgaande op de bijbelse wereldbeschouwing) geloven dat de Bijbel zoals hij van zichzelf getuigt ‘door God geademd’ is (Grieks: theopneustos).

Wij moeten zorgvuldig onderscheid maken tussen mythen en wonderen. Mythen zijn ahistorische verhalen, maar wonderen kunnen echte gebeurtenissen zijn die door hun aard niet wetenschappelijk te verklaren zijn. Voorbeelden van wonderen zijn de schepping van het universum ex nihilo (uit het niets), dat we in eerder behandeld hebben7, en de opstanding van Jezus Christus na Zijn kruisiging en begrafenis. Voor de bijbelse wereld-beschouwing zijn deze twee wonderen absoluut essentieel als historische gebeurtenissen, en niet als mythen. Op gelijke wijze ziet de Bijbel de schepping van Adam – en daarnaast de afzonderlijke schepping van Eva – als miraculeus en historisch. Het grootste deel van het boek Genesis wordt duidelijk gepresenteerd als een historisch verslag, en er is wat de stijl betreft geen duidelijke scheidslijn tussen de eerste elf hoofdstukken en de rest. We zullen hieronder ook gaan zien dat alle latere bijbelse verwijzingen ervan uit lijken te gaan dat Adam en Eva inderdaad historische figuren waren en de enige voorouders waren van het menselijk ras. Met andere woorden: de bijbelse geschriften, zowel het Oude als het Nieuwe Testament, van begin tot eind behandelen het genre van Genesis als historisch en als non-fictie.

Dat betekent niet dat het genre van Genesis altijd letterlijk is. Dat is een woord waar ik niet van houd omdat de betekenis ervan vaag is. Bijvoorbeeld: welke taal gebruikte God in Genesis 1 toen Hij zei ‘Er zij licht’, en welke taal gebruikte Hij voor alle volgende scheppingsdaden, die met gelijksoortige termen beginnen? Een letterlijke interpretatie zou betekenen dat Hij hoorbaar zou spreken in een bekende of onbekende taal. Maar het is veel zinniger om ‘en God zeide’ als een metafoor op te vatten, waarmee wordt aangegeven dat er een bevel werd geuit, niet mondeling, maar in de gedachten van God. Deze laatste interpretatie is niet letterlijk van aard, maar zij blijft wel historisch. Op gelijke wijze kan een verslag symboliek bevatten zonder zijn historiciteit te verliezen. Christenen accepteren het feit dat Satan, een geestelijk wezen, als een draak beschreven wordt in Openbaring 12, waar de apostel Johannes duidelijk echte toekomstige geschiedenis wil beschrijven. De sprekende slang die Eva verleidde, kan dus symbolisch Satan vertegenwoordigen in Genesis, terwijl (zoals hieronder besproken wordt) de twee specifieke bomen die zo’n prominente rol spelen in het verslag in Genesis 2-3 duidelijk symbolisch zijn. Dat betekent niet dat de slang en de bomen niet feitelijk bestonden, het betekent alleen dat het verslag gewone objecten een diepere, geestelijke betekenis geeft. Mijn punt is dat het gebruik van symboliek in het Genesisverslag de historiciteit ervan niet tenietdoet. In de bijbelse wereldbeschouwing zijn Adam en Eva dus historische personen, die op bovennatuurlijke wijze direct door God geschapen waren, en hebben alle gebeurtenissen die in de eerste elf hoofdstukken genoemd worden daadwerkelijk plaats, of ze nu letterlijk, symbolisch of als een mix van die twee beschreven worden.

Download the PDF file .

DOWNLOAD

Voetnoten

  1. Collins, C. J., Did Adam and Eve really exist? Who they were and why it matters (Inter-Varsity Press, Nottingham, 2011), pag. 11.
  2. Gauger, A., in Science and Human Origins (Discovery Institute Press, Seattle, 2012) pag. 105-122.
  3. Hössjer, O., Gauger, A., Reeves, C., Genetic modeling of human history part 1: comparison of common descent and unique origin approaches. BIO-complexity 2016 (3):1-15.
  4. Gauger, A., in Dictionary of Christianity and Science (red. Paul Copan e.a., Zondervan, 2017).
  5. Rana, F. en Ross, H., Who was Adam? A Creation Model Approach to the Origin of Man (NavPress, Colorado Springs, 2005) pag. 55-75.
  6. Bloom, J. A., On Human Origins: A Survey (Christian Scholars Review 27.2 (1997) pag. 181-203.
  7. Noot van de redactie: De auteur verwijst dan naar hoofdstuk 2 van zijn nog te verschijnen boek.

LEUK ARTIKEL?
Bent u blij met dit artikel? Het onderhoud en de ontwikkeling van deze website vragen financiële offers. Zou u ons willen steunen met een maandelijkse bijdrage? Dat kan door ons donatieformulier in te vullen of een bijdrage over te schrijven naar NL53 INGB000 7655373 t.n.v. Logos Instituut. Logos Instituut is een ANBI-stichting en dat wil zeggen dat uw gift fiscaal aftrekbaar is.

Written by

Prof. dr. E.H. Andrews is emeritus professor materiaalkunde aan de universiteit van Londen en een internationaal expert op het gebied van grote moleculen. Hij is auteur van het boek Wie heeft God gemaakt? (vertaald en uitgegeven door Uitgeverij Maatkamp).

2 Comments

Robin ten Hoopen

Dit is een interessant blogje, dank voor het delen. Als onderzoeker naar Genesis 1-11 vond ik het eerste deel over genetica zeer boeiend. Dit is niet mijn vakgebied, maar heeft tegenwoordig wel duidelijk impact op de uitleg van Gen 1-11. Wat meer moeite heb ik met de redenering onder het ‘genetica plaatje’. De auteur stelt daar: o.a

“Op gelijke wijze ziet de Bijbel de schepping van Adam – en daarnaast de afzonderlijke schepping van Eva – als miraculeus en historisch. Het grootste deel van het boek Genesis wordt duidelijk gepresenteerd als een historisch verslag, en er is wat de stijl betreft geen duidelijke scheidslijn tussen de eerste elf hoofdstukken en de rest…”

Er zitten nog al wat problemen in deze stellingen. In de eerste stelling wordt beweeerd dat de schepping van Adam net zo’n wonder is als de opstanding van Christus en de schepping van de wereld. Nu is de schepping van de mens zeker een wonder en een mysterie, maar daaruit de claim ontlenen dat a. de auteurs van Genesis het verhaal over Adam en Eva historisch hebben bedoeld en b. dat wij dat ook zo dienen op te vatten gaat natuurlijk veel te snel.

De tweede stelling over de insteek van het boek Genesis is al zo mogelijk nog problematischer. Er zit wel degelijk een andere lijn in Gen 1-11 dan in 12-50. De focus is niet op één man en zijn familie (12-50) maar op de brede inbedding in Mesopotamische verhalen. In de scheppingsverhalen, in de genealogien, in de verhalen over de vloed en in het verhaal van de toren van Babel, zijn de auteurs continu in gesprek met hun Oud-oosterse buren. Ze lenen delen van hun verhalen en bekritiseren, vanuit hun visie op de HEER als enige en ware God, andere delen (zie bijv. https://www.pthu.nl/Bijbelblog/!/27723/mens-als-beeld-van-god). In de tweede plaats kent deze redenering nog een probleem: er zijn ook vragen bij de historiciteit van Gen 12-50 te stellen. Wie claimt dat Gen 1-11 net als 12-50 historisch is, lost dus niets op.

Reply
M.Nieuweboer

“zeggen zowel sceptici en theïstische evolutionisten dat (e) het juiste antwoord moet zijn”

Sceptici onder de evolutiebiologen zeggen dat helemaal niet. Evolutie is nl. een geleidelijk process, zodat “eerste mensen” een zinledig begrip is en zij niet geïdentificeerd kunnen worden. Wat zij zeggen is dat de kleinste mogelijke populatie van onze voorouders ongeveer 10 000 leden bedroeg.

“Maar macro-evolutie rust in zijn geheel op de tegenovergestelde aanname, namelijk dat gunstige of nuttige mutaties plaatsvinden, om zich vervolgens door natuurlijke selectie in een populatie te nestelen, en (in dezelfde tijd waarin men zich de opkomst van de mens voorstelt) niet alleen tot nieuwe allelen leiden, maar tot geheel nieuwe genen, genomen en soorten!”

Niet in de korte tijd die u zich voorstelt als JAC [en] iets ingewikkelder. (…)

“Geneticus Ann Gauger en haar medeauteurs…”

[Zij] verwerpt ook [een] jonge Aarde. (…)

Reply

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

 tekens over