Schepping of evolutie? Een vraag die de gemoederen blijft beroeren. Vele wetenschappers en atheïsten benadrukken met grote stelligheid dat met Darwins boek “De oorsprong der soorten” (1859) overtuigend is aangetoond dat alle huidige levensvormen door evolutie zijn ontstaan.

Evolutie_het_nieuwe_studieboek.dow

“Dit boek “is het kritisch bestuderen zeker waard.”

Mocht er overigens nog twijfel over bestaan, dan heeft wetenschappelijk onderzoek sinds 1859 laten zien dat evolutie dé verklaring moet zijn voor de huidige variatie aan levensvormen. Desondanks zijn er veel mensen, onder wie een groot aantal wetenschappers, die vasthouden aan het idee dat alle leven geschapen is. Veel evolutionisten beweren dat mensen die geloven in een schepping dat doen in weerwil van alle wetenschappelijke bewijzen.

Als evolutie inderdaad onomstotelijk vaststaat, leven mensen die in schepping geloven in een spagaat en klopt het geloof niet met wat er feitelijk om ons heen gebeurt; er moet een innerlijk conflict bestaan tussen geloof en ervaring. Maar is dat wel zo?

In de Nederlandse taal was tot voor kort geen boek beschikbaar dat uitgebreid op de oorsprongskwestie ingaat, maar daar is verandering in gekomen. Stichting De Oude Wereld heeft een boek uitgegeven met de titel “Evolutie. Het nieuwe studieboek”. Het is oorspronkelijk geschreven en uitgegeven door Duitse wetenschappers die specialist zijn op de onderwerpen die in het boek ter sprake komen.

“Evolutie” beperkt zich tot de biologie en de biologische evolutie; dus geen discussie over de oorsprong van het heelal, de geologie en de ouderdom van de aarde, onderwerpen die ook van wezenlijk belang zijn in het oorsprongsdebat. Dit gemis kan als een gebrek gezien worden, maar geeft tegelijk aan dat de auteurs zich niet hebben laten verleiden om buiten hun vakgebied te treden.

Ze beginnen met een discussie over de wetenschappelijke methode en de invloed van vooroordelen op de interpretaties van waarnemingen. Vervolgens wordt de ordening van het leven in taxonomische groepen bediscussieerd en het zogeheten basistype geïntroduceerd; organismen die direct of indirect met elkaar verbonden zijn door hybridisaties (kruisingen).

Het basistype komt in de rest van het boek herhaaldelijk naar voren omdat het een aannemelijke verklaring geeft voor de grote variatie die ontstaat door onder meer fokken en telen, en die tegelijk de grenzen ervan aangeeft. Het kan ook de grote variatie in de natuur verklaren, maar ook daar bestaat een begrenzing aan de mogelijke variatie. Dit staat in contrast met de evolutietheorie, waar grenzeloze variatie mogelijk moet zijn om evolutie mogelijk te maken.

De auteurs bediscussiëren uitgebreid mechanismen en aanwijzingen voor evolutie en sluiten elk onderwerp af met conclusies die de beperking van de huidige theorieën aangeven, zonder evolutie overboord te gooien of meteen als alternatief schepping te poneren. Pas in het laatste hoofdstuk worden alle gegevens in een scheppingsmodel gepast en wordt vermeld dat er ook in dat model onopgeloste vragen overblijven.

Met duidelijke illustraties en diagrammen leggen de auteurs belangrijke punten en biologische principes uit. Ook is elk hoofdstukonderdeel voorzien van een samenvatting. Een appendix achterin bevat onder meer een verklarende woordenlijst.

Hoewel sommige passages wellicht lastig zijn voor de gemiddelde lezer, is het boek best toegankelijk. Het is geschikt voor leerlingen uit de bovenbouw van de middelbare school, studenten en andere geïnteresseerden in de vraag naar de oorsprong van het leven. Het is zeker geen boek dat je ‘eventjes’ leest, maar het is het kritisch bestuderen zeker waard.

Dit boek wordt hier in onze webshop te koop aangeboden

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad. De volledige bronvermelding luidt: Degens, H., 2012 Alternatief voor evolutie, Reformatorisch Dagblad Puntkomma 41 (263): 11.

LEUK ARTIKEL?
Bent u blij met dit artikel? Het onderhoud en de ontwikkeling van deze website vragen financiële offers. Zou u ons willen steunen met een maandelijkse bijdrage? Dat kan door ons donatieformulier in te vullen of een bijdrage over te schrijven naar NL53 INGB000 7655373 t.n.v. Logos Instituut. Logos Instituut is een ANBI-stichting en dat wil zeggen dat uw gift fiscaal aftrekbaar is.

Written by

Dr. ir. H. Degens is professor Spierfysiologie aan een Britse Universiteit en heeft meer dan 25 jaar spieronderzoek gedaan. Hij studeerde biologie aan de Universiteit Wageningen en promoveerde aan de Radboud Universiteit te Nijmegen op de effecten van leeftijd en training op de structuur en de functie van de skeletspier. Sinds die tijd heeft hij gewerkt aan diverse universiteiten in Nederland en het buitenland. Daarnaast was hij Consultant voor de German Aerospace Institue, Areospace medicine Keulen (D) om de effecten van microgravity op de spier te onderzoeken. Hij heeft meer dan 120 artikel op zijn naam staan en ook meegewerkt aan een aantal hoofdstukken in boeken.

19 Comments

Eppie

De bovenstaande blogs zijn van fundamentele evolutionisten. Het spreekt voor zich, dat ze negatief zijn. Echt een punt maken, lukt ze niet. Juist dat gebrek aan gefundeerde kritiek op belangrijke punten in bovenstaande blogs deed me tot de overtuiging komen dat het werkelijk een goed boek moest zijn. Het heeft tenslotte de vuurproef doorstaan. Besteld en zojuist binnengekomen: Wow, ziet er werkelijk goed uit. Okay, is 10 jaar oud, dus daar moet je rekening mee houden, er staat geen Lost City etc. in want dat zijn te recente gezochte vondsten. Die komen vast in een latere versies nog wel aan bod.

Rafael Benjamin

Daarom is het goed, Peter, dat dit fan-tas-tische boek door dr. Degens besproken is. Het is werkelijk een faire recensie geworden, kan ik, afgestudeerd bioloog en filosoof, die het boek grondig en met ongelofelijk veel plezier en instemming gelezen heb, wel zeggen. Reeds in de jaren negentig, toen ik een studieweekend van Wort und Wissen van de Here God en de E.H. mocht bijwonen, achtte ik hun publicaties (zoals ‘Typen des Lebens’) al uitermate geschikt voor ook de Nederlandse markt. Men begrijpt wel hoezeer mijn hart hoog in mij opsprong toen ik deze Nederlandse vertaling van hen het vorige jaar tegenkwam. Ik hoop echt, dat dit pareltje verplichte kost wordt op niet alleen onze christelijke scholen, maar ook op de openbare, als tegenwicht tegen de grootste natuurwetenschappelijke dwaling aller tijden: het (neo)darwinisme, dat de mensheid nu al zo’n 110 jaar in de maling neemt! God zegene Junker en Scherer en hun team ook bij hun verdere onderzoekingen.

Reply
Karel Groot

Een onoverkomelijk probleem bij de basistypenbiologie is dat van de ‘missing link’. Als A x B kan en BxC kan (Dus groep ABC) Stel dat CxD* en D* x E en E x F ook kunnen reproduceren, dan heb je als tweede groep CDEF. Stel dat D nu afwezig is, dan zijn er opeens twee basistypen. Dat toont de zwakte van de hele theorie aan. Goede vraag is: Hoe toon je aan dat er geen ‘missing link’ is, maar een afwezigheid van een link?

Daarnaast, een absoluut bewijs voor gemeenschappelijke afstamming kan alleen gevonden worden als alle ‘links’ aanwezig zijn, maar het hoe weet je of alle links gevonden zijn? Tegelijkertijd zegt ons gevoel dat het feit dat ik niet weet wie mijn voorgeslacht is, niet betekend dat er geen gemeenschappelijke afstamming is met mijn voorvaderen en dus het eerste mensenpaar.

Zelfs de basistypenbiologie is indirect bewijs voor gemeenschappelijke oorsprong, als je de wetten van de logica volgt. Missing links zijn ‘missende informatie’, geen indicaties voor afwezigheid. (…)

Reply
Rafael Benjamin

Ik zie niet in hoe dit een ‘onoverkomelijk probleem’ zou kunnen zijn. Ze zijn dat juist voor de macro-evolutieleer. Wat bedoel je met het sterretje bij D? Stel dat D er wel is, dan heb je volgens de basistypenbiologie niet twee groepen (ABC en CDEF) maar een groep (ABCDEF). En stel dat D afwezig is, dus een missing link is, hoe kunnen C en E er dan mee kruisen? Als D er niet is, dan zijn er twee basistypen: ABC en EF. Geheel empirisch aantoonbaar.

Ik vind de basistypenbiologie helemaal niet zwak, integendeel, met haar begrip ‘basistype’ heeft ze het eerste taxon ingevoerd dat in empirisch onderzoek, via kruisingsproeven, experimenteel toetsbaar is (J&S, p. 46). Ze zal niet aarzelen om een bepaald basistype ruimer te nemen, bv. door een bepaald basistype niet langer op genusniveau maar op familieniveau te leggen zodra bepaalde indirecte kruisingen daar aanleiding toe geven. Dit begeeft zich echter allemaal op het niveau van micro-evolutie. Soortgrenzen zijn slechts ideeën t.a.v. wetten binnen de biologie. Die grenzen kunnen dus altijd bijgesteld worden door nieuw empirisch feitenmateriaal, in dit geval: nieuwe kruisingen.

Waar evenwel de basistypenbiologie a posteriori open staat voor het ruimer nemen van een basistype door experimenteel onderzoek, daar stelt het macro-evolutiemodel a priori dat de basistypen toch wel degelijk uit elkaar zijn ontstaan, al moeten de links nog wel even in de geologische kolom gevonden worden (en dat niet binnen een aardlaag maar de hele kolom door). Junker en Scherer schrijven terecht: ‘Een feit is, dat overgangsvormen in een voor de evolutietheorie onverwachte mate ontbreken. Een feit is ook, dat veel genera in de loop van de aardlagen nauwelijks veranderen. Uitgaande van dit onderzoeksresultaat is een voor de hand liggende conclusie dat deze overgangsvormen ook niet bestaan hebben. De aanname van het bestaan van deze vormen wordt vereist door de theorie van de evolutie, maar niet door het feitenmateriaal’ (J&S p. 86/7).

peter b

“Hoe toon je aan dat er geen ‘missing link’ is, maar een afwezigheid van een link?”

Door, wat ik in mijn boek heb gedefinieerd als, indicatorgenen. Het betreft essentiele baranoomspecifieke informatie. We hebben er ondertussen al heel wat ontdekt in de mens: HARs, FOXP2, etc.

Peter

Het probleem voor de basistypen biologie is dat er zoveel basistypen zijn waarbinnen sommige soorten in het geheel niet met andere soorten kruisen. Het is natuurlijk leuk om ezels paarden en zebra’s op te voeren, maar probeer eens de beren. Of de honden, vergeet dan de boshond, of de wasbeerhond niet. Het feit dat onmogelijkheid tot kruising bestaat binnen een basistype laat zien dat onmogelijkheid tot kruising gezamenlijke afstamming niet uitsluit. Daarmee vervalt dit argument tegen macroevolutie.

Reply
Peter

Rafael Benjamin zegt: “met haar begrip ‘basistype’ heeft (de basistypenbiologie) het eerste taxon ingevoerd dat in empirisch onderzoek, via kruisingsproeven, experimenteel toetsbaar is”.

Dan blijkt dat basistype als empirische eenheid verworpen moet worden, omdat binnen de gehanteerde basistypen soorten voorkomen die niet met elkaar kunnen kruisen. Zie de beren. Zie de honden, als tenminste alle honden worden meegenomen, ook de boshond en de wasbeerhond. Het voorkomen van soorten die niet met andere soorten van een zg basistype kunnen kruisen maakt duidelijk dat niet kunnen kruisen niets zegt over afstamming. Daarmee vervalt niet kunnen kruisen als criterium, en vervalt ook dit argument tegen macroevolutie (boven het familieniveau).

Reply
Rafael Benjamin

Peter heeft het over direct kruisen, terwijl bij de definiëring van het basistype ook gesproken wordt over indirect kruisen. Volgens de definitie van J&S p. 34: ‘Alle individuen die direct of indirect door kruisingen verbonden zijn, worden tot een basistype gerekend’. Het is dus maar een halve waarheid ‘dat er zoveel basistypen zijn waarbinnen sommige soorten in het geheel niet met andere soorten kruisen’. Ja, niet direct kruisen. P. noemt als een soort van falsificatie de boshond en de wasbeerhond. Als deze hondachtigen inderdaad niet met andere hondachtigen direct of indirect kunnen kruisen, dan heeft dit alleen maar tot gevolg dat zij tot een ander basistype behoren dan de overige hondachtigen, maar nog wel tot dezelfde familie van de hondachtigen blijven behoren. Denk hier ook aan het voorbeeld van de ekstergans dat J&S op pp. 37/8 noemen: die behoren weliswaar niet tot de subfamilie der gansachtigen of tot die der eenden, maar net zoals deze laatste twee wel tot de familie van de eendachtigen; ze vormen een eigen subfamilie binnen deze familie, waardoor in dit geval van de orde der eendvogels het basistype voorlopig beneden het niveau van de familie ligt, nl. op dat van de subfamilie. ‘Het feit dat onmogelijkheid tot kruising bestaat binnen een basistype laat zien dat onmogelijkheid tot kruising gezamenlijke afstamming niet uitsluit. Daarmee vervalt dit argument tegen macro-evolutie.’, maar er bestaat helemaal niet zo’n ‘feit’, want zodra zich zo’n empirische onmogelijkheid voordoet, zullen aanhangers van de basistypenbiologie over het behoren tot twee afzonderlijke basistypen gaan spreken (dit heb ik overigens uit J &S aangehaald). P. vat hier het taxonomische niveau waarop, o.b.v. de empirie, de grenzen van enig basistype getrokken worden te star op.

Rafael Benjamin

Maar de grenzen die taxonomen trekken zijn slechts de voorlopige ideeën van mensen t.a.v. de manier waarop de wetstructuren eruitzien binnen de biologie, geen vaststaande begrippen van de wijze waarop de soortgrenzen lopen. En als de empirie tot nu toe o.b.v. kruisingsproeven tot nu toe nog geen vruchtbare kruislingen aantreft, dan is het eleganter om betreffende soorten voorlopig tot twee afzonderlijke basistypen te rekenen en zo voorlopig gezamenlijke afstamming van betreffende soorten uit te sluiten, dan om on-empirisch te stellen dat er niettemin gemeenschappelijke afstamming is.

Peter

De eendenfamilie zonder Anseranas is volgens Scherer een basistype. Binnen dat basistype zijn er 26 soorten die niet met andere soorten kruisen, volgens Scherer (blz 153). Bijvoorbeeld de beesten die heten Tachyerini (Dampfschiffenenten) en Merganettini en Cereopsini en Stictonettini. Ook geen via via kruising. Dan zijn er nog twee groepen die waarbinnen volgens Scherer 1 soort met een soort buiten de groep kruist, terwijl niet alle soorten binnen deze groep met elkaar kruisen. Met andere woorden, Scherer gaat ver buiten zijn gegevens. Dus (1) omdat er soorten zijn binnen dit basistype die niet met andere soorten kruisen, en (2) een basistype gemeenscheppelijke afstamming vertegenwoordigt, kan ontbreken van kruisbaarheid niet als argument tegen gemeenschappelijke afstamming gebruikt worden.

Reply
Rafael Benjamin

Beste Peter, Je schrijft dat Scherer ‘ver buiten zijn gegevens gaat’. Deze uitspraak vind ik een beetje vaag. I.i.g. hebben J&S e.e.a. correct weggeschreven. Volgens jou worden door J&S ten onrechte 26 soorten zonder kruislingen tot de eendenfamilie (die S. kennelijk als basistype ziet) gerekend. En v.w.b. die andere twee basistypen: deze moeten enerzijds uitgebreid worden met de kruisingspartner van die ene soort die erbuiten kruist en anderzijds ontdaan worden van de soorten die niet met elkaar kruisen, noch direct noch indirect. Zoals ik al zei, wil de basistypenbiologie voorlopige dus falsifieerbare grenzen trekken o.b.v. empirisch verifieerbare kruisingsproeven. Als de grenzen anders blijken te lopen, dan zij dat zo. De BT-biologie tracht de grenzen, waarvan ze uitgaat dat ze er zijn, steeds beter te benaderen. Ze beweert niet met een tijdelijke omschrijving van een bepaald genus, een vaststaand begrip te hebben gevonden. Macro-evolutie vooronderstelt echter niet slechts bescheiden dat er geen grenzen zijn maar dat alle bouwplannen uit elkaar zijn voortgekomen, het poneert dat het zo gegaan is. Maar zo lang er directe of indirecte kruisingsbarrières tussen bepaalde soorten/geslachten/(sub)families gevonden worden en zij daarom voorlopig tot verschillende basistypen gerekend worden, is dat beter in lijn met de uitgangspositie dat er grenzen zijn en dat er dus geen monofyletisme is, dan met de positie dat er niettegenstaande die barrière gemeenschappelijke afstamming is. Ik zie het verband tussen wat je van mij citeert en dat artikel over ark kinds niet. Je zit daarnaast vast in het verouderde Linneaanse soortbegrip. Bestaande classificaties zijn voorlopige indelingen. Maar als je opponent een basistypenbioloog is, dan gaat deze helemaal niet uit van een gefixeerd soortbegrip. Het uitgaan van een gefixeerd soortbegrip, waarbij het organisme niet alleen aan micro-evolutie binnen de grenzen van zijn bouwplan/transcendentale wetsstructuur onderhevig is, maar waarbij ook dat bouwplan zelf veranderlijk zou zijn (macro-evolutie) (het zgn. Von Münchhausen-effect), is een Aristotelisch-Thomistische gedachte. Door dit verschil praten we langs elkaar heen.

Peter

“Als deze hondachtigen inderdaad niet met andere hondachtigen direct of indirect kunnen kruisen, dan heeft dit alleen maar tot gevolg dat zij tot een ander basistype behoren dan de overige hondachtigen, maar nog wel tot dezelfde familie van de hondachtigen blijven behoren.”

Er bestaat een artikel ‘Mammalian Ark Kinds’ op de website van AiG, waar de berenfamilie en de hondernfamilie als Ark Kind bestempeld worden – ondanks dat de reuzenpanda niet met de andere beren kruist, en ondanks dat al de minder bekende soorten uit de hondenfamilie ook niet willen kruisen. Coyote / vos of hond / vos kruisingen gaan niet verder dan anekdotes. Het leuke aan het Mammalian Ark Kind artikel is dat het de recente indeling in families neemt. Dus de evolutiebiologische indeling op grond van DNA. Er is geen eigen onderzoek naar kruisingen om daarop basistypen te baseren, nee, volledig de evolutiebiologie volgend.

Reply
Peter

“Volgens jou worden door J&S ten onrechte 26 soorten zonder kruislingen tot de eendenfamilie (die S. kennelijk als basistype ziet) gerekend.”
Nee, dat beweer ik niet. Die beesten behoren tot de eendenfamilie, maar zijn in regelrechte tegenspraak met het idee basistype. Ondanks dat het idee ‘basistype eend’ hiermee gefalsifieerd is, houdt Scherer vast aan ‘eendenfamilie is basistype’.

“Maar zo lang er directe of indirecte kruisingsbarrières tussen bepaalde soorten/geslachten/(sub)families gevonden worden en zij daarom voorlopig tot verschillende basistypen gerekend worden, is dat beter in lijn met de uitgangspositie dat er grenzen zijn en dat er dus geen monofyletisme is, dan met de positie dat er niettegenstaande die barrière gemeenschappelijke afstamming is.” Vooral: “dan met de positie dat er niettegenstaande die barrière gemeenschappelijke afstamming is.” Precies, maar dat is wat Scherer en AiG juist doen; er zijn geen kruisingen, maar ze verklaren de families wel tot basistypen, en daarmee tot gemeenschappelijke afstamming.
Daarmee komen Scherer en AiG tot de positie dat gemeenschappelijke afstamming samen kan gaan met onmogelijkheid te kruisen. Dat houdt vervolgens in dat Scherer en AiG gebrek aan kruisbaarheid niet als argument tegen gemeenschappelijke afstamming kunnen aanvoeren. Dat wil zeggen, ze kunnen algemene gemeenschappelijke afstamming niet meer verwerpen, zodra ze die niet-kruisende soorten toelaten binnen een basistype.

Reply
Rafael Benjamin

Peter schrijft eerst, op 25-01: ‘De eendenfamilie zonder Anseranas is volgens Scherer een basistype. Binnen dat basistype zijn er 26 soorten die niet met andere soorten kruisen, volgens Scherer’.

Peter schrijft nu: ‘Nee, dat beweer ik niet. Die beesten behoren tot de eendenfamilie, maar zijn in regelrechte tegenspraak met het idee basistype. Ondanks dat het idee ‘basistype eend’ hiermee gefalsifieerd is, houdt Scherer vast aan ‘eendenfamilie is basistype’.

Peter, je legt hier S. jouw taxonomische opvatting en benaming van ‘eendenfamilie’ in de mond. Die van jouw is ruimer, moet dat ook zijn, om niet-kruisbaarheid te kunnen blijven verenigen met monofyletisme. S. houdt, anders dan jij beweert, niet vast aan ‘eendenfamilie is basistype’, maar lokaliseert het basistype op het niveau van de subfamilie ‘eenden’, één niveau lager dan de familie der eendachtigen (zie J&S, p. 37, tab. 3.5). Ze ‘verklaren’ binnen deze orde der eendvogels de families dus helemaal niet tot basistypen, er is bij S. geen basistype ‘eendenfamilie’. Er is dus geen sprake van, dat S. en AiG ‘niet-kruisende soorten toelaten binnen een basistype’. Er is dus geen sprake van een falisificatie.

Peter

Scherer blz 153: “However, apart from Anseranas, there is no doubt from a morphological and anatomical point of view that all other 148 species belong to the Anatidae.” Deze 148 soorten zijn het basistype eenden volgens Scherer. Ik heb het over deze 148 soorten, de standaard Anatidae familie omdat Anseranas nu zijn eigen familie heeft (bij Scherer nog onderfamilie). Er zijn binnen wat Scherer de onderfamilie Anatinae noemt soorten die niet met elkaar kruisen, volgens Scherer 15% van de soorten. Daarmee is het idee ‘basistype eend’ gefalsifieerd. Desondanks houdt Scherer vast aan ‘basistype eend’ = zijn Anatinae, blz 154.

AiG https://answersingenesis.org/creation-science/baraminology/mammalian-ark-kinds/ zegt over de beren: “Ursidae (Bear kind) There are five genera and eight species of bears. Some have questioned the inclusion of the giant panda in this family because it has some unique characteristics. However, morphological and molecular evidence support its inclusion here (Wilson and Reeder 2005). Hybrid data connect all species except the giant panda (Hennigan 2010). Based on the extensive hybrid data and strong cognitum, the family seems to correspond to a kind.” (…) AiG stopt beesten die niet kruisen in een basistype.

Het toelaten van niet-kruisende soorten binnen een basistype falsifieert het idee basistype. Dat is heel fundamenteel (…), want zodra beesten binnen een basistype die dus per definitie een gezamenlijke afstamming hebben niet kunnen kruisen, is ontbreken van kruisingen niet langer een criterium tegen gezamenlijke afstamming. Creationisten kunnen gemeenschappelijke afstamming niet langer verwerpen op grond van hun basistypen. Niet-kruisen vervalt daarmee als argument voor verwerping van gemeenschappelijke afstamming.

Reply
Rafael Benjamin

Peter, spreek je nog steeds, net als ik, over de bovenstaande publicatie? Het is van groot belang om de empirische benaderingswijze van de b.t.-biologie en de daaruit resulterende voorlopigheid van enige omgrenzing van een b.t. te honoreren. Het taxonomische niveau waarop het basistype o.g.v. kruisingsproeven wordt gelegd is géén definitieve fixatie maar staat open voor verandering. Zolang er niet-kruisbare soorten worden gevonden, worden zij per definitie uitgesloten van het b.t. waartoe zij evt. eerst gerekend werden. Daarmee wordt dus niet de idee van het basistype gefalsificeerd, maar enkel de subjectieve indeling van die niet-kruisbare soorten erbij. P.: ‘Creationisten kunnen (…) hun basistypen’ is dus onjuist want dat vat het b.t. star-Linneaans op.

P.: ‘Deze 148 (…) volgens Scherer’. De familie der eendachtigen (Anatidae, 148 soorten exclusief de ekstergans) is volgens S. per definitie nu nog geen b.t., omdat slechts 126 soorten ervan direct of indirect door kruisingen verbonden zijn: S.: ‘Omdat 23 (…) de eendachtigen’ (p. 37). Er is dus geen sprake van, dat S. binnen een b.t. ruimte biedt aan soorten die niet met elkaar kruisen. Deze 23 soorten (15%) verhinderen nu nog het leggen van het b.t. op het niveau van de familie der eendachtigen. Hij verwacht overigens wel, dat kruisingsproeven dit eens mogelijk zullen maken: ‘De hele (…) kunnen worden’ (p. 37). Maar voordat het zover is, bieden de kruisingsproeven m.b.t. de orde der eendvogels slechts de mogelijkheid om het b.t. op het lagere niveau van de subfamilie der eenden te leggen: ‘In het geval (…) de familie liggen’ (pp. 37/8).

P.: ‘Er zijn (…) de soorten’. Dit is onjuist, want zoals uit bovenstaande blijkt betreft het niet 15% van de soorten van de onderfamilie Anatinae maar van de familie Anatidae. Deze familie der eendachtigen bestaat (los van de subfamilie eksterganzen) uit de subfamilie gansachtigen (31 soorten), waaronder de boomeenden vallen, en de subfamilie eenden (117 soorten). Die 23 soorten die nog niet kruisten kunnen dus allemaal binnen de subfamilie gansachtigen vallen, waardoor de subfamilie eenden (Anatinae), op welk niveau S. dus voorlopig het b.t. lokaliseert (pp. 37/8), gevrijwaard blijft van soorten die niet kruisen, waardoor aan de definitie van b.t. wordt voldaan en er dus geen sprake is van een falsificatie (zie P’s laatste alinea).

peter b

Zoals ik in mijn boek aangaf is zijn indirecte of directe kruisingen tussen soorten niet langer noodzakelijk om een baranoom (de genetisch unit van de geschapen organismen) af te bakenen, want je doet dit op een moleculair genetische manier middels indicatorgenen. Voor de mens beschreef ik een aantal hiervan in TndO, maar sinds kort weten we dat er honderden, zelfs duizenden zijn. Met name microRNA genen zijn goede indicatorgenen, precies zoals ik in mijn boek voorspelde.

Reply
Peter

@Peter B, “indicatorgenen” In feite zijn de voorbeelden die Peter B in TndO geeft geen ‘indicatorgenen’ maar ‘indicatorallelen’, dus vormen van een gen die specifiek zijn voor een soort. Als je Peter B’s indicatorgenen aanhoudt is elke soort een apart geschapen baranoom. Eigenlijk is het nog erger, want al zijn voorbeelden van indicatorgenen komen van door hemzelf uitgeroepen baranomen. De hele exercitie van baranomen en indicatorgenen is [m.i.] volledig circulair. Er is geen enkel werkend criterium voor ‘basistypen’.

Reply

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

 tekens over