Onderzoek van de zogenoemde bijna-dood-ervaringen toont aan, dat het menselijk bewustzijn onafhankelijk van het lichaam kan bestaan. Weliswaar kunnen zelfs met elkaar overeenstemmende getuigenissen van mensen, die korte tijd klinisch dood waren, geen zekerheid geven, (want het menselijk bewustzijn is een verschijnsel, dat noch medisch noch filosofisch eenduidig gedefinieerd kan worden), maar beslist u zelf: is uw bewustzijn het product van een op zichzelf dood mechanisme, of is het een “deel” van uw hoogstpersoonlijke “ik”, dat onafhankelijk van uw fysieke lichaam bestaat?

Onder “bewustzijn” verstaat men de mogelijkheid om over gedachten, emoties, waarnemingen of herinneringen te beschikken en zich van hen “gewaar” te zijn, ze waar te nemen, zich ervan “bewust” te zijn. Het fenomeen bewustzijn wordt dikwijls als een van de grootste onopgeloste problemen van de filosofie en natuurwetenschap gezien en tegenwoordig is er geen nauwkeurige, algemeen erkende definitie van bewustzijn.

Het eigenlijke raadsel van het bewustzijn is de vraag, hoe het principieel mogelijk kan zijn, dat uit een bepaalde rangschikking van moleculen en de dynamiek van actieve hersenen de eigenlijke waarneming van het bewustzijn ontstaat. Het gaat daarbij minder om de vraag, hoe onze hersenen de signalen uit de zenuwcellen verwerkt en hoe wij daarop reageren. De vraag is veelmeer: Waar eindigt deze waarneming? Wie of wat neemt de inhoud van de door de hersenen gepresenteerde belevenis tenslotte op? Wie ben “ik”, die dit alles ervaart en realiseert? Heeft de mens een “bovennatuurlijke” geest, en zal deze geest in een of andere vorm van bewustzijn verder blijven bestaan, wanneer de fysieke hersenactiviteit stil ligt?

Het raadselachtige van het fenomeen bewustzijn uit zich in twee verschillende aspecten

Ten eerste hebben bewustzijntoestanden een belevenisgehalte en het is niet duidelijk hoe hersenen beleving kunnen produceren – en wie of wat het uiteindelijk is, die deze beleving ontvangt en daadwerkelijk “beleeft”. Dit is het zogenoemde qualiaprobleem.1

Ten tweede kunnen gedachten niet alleen betrekking hebben op voorwerpen, maar ook op empirische feiten: Denkbeeldig wordt iets voorgesteld, in het oordeel wordt iets erkend of verworpen, in de liefde geliefd, in de haat gehaat, in het begeren begeerd enz. De gedachte dat er nog melk in de koelkast staat, heeft betrekking op de objecten koelkast en melk – en het zakelijke verband dat er nog melk in de koelkast staat. Het is daarbij volledig raadselachtig, hoe de hersenen gedachten met zulke eigenschappen kan verwekken – en wie of wat het uiteindelijk is, die dit feit opneemt en in eigenlijke zin “realiseert”. Dat is het zogenoemde intentionaliteitsprobleem.2

“Mijn lichaam en mijn hersenen kan ik verklaren, maar dat is niet alles. Mijn eigen existentie kan ik niet verklaren”, zei eens de Australische hersenonderzoeker en Nobelprijswinnaar John C. Eccles. Eccles onderzocht onder andere hoe zenuwcellen prikkelingen voortleiden, en gaf daarmee een belangrijke bijdrage aan de opheldering van de processen in de menselijke hersenen.

Eccles hield zich ook filosofisch bezig met het probleem van het bewustzijn. Hij zelf gelooft dat alleen de mens een “ik-bewustzijn” bezit. Dit is vanaf de verwekking aanwezig in de mens en ontwikkelt zich in de eerste levensjaren in samenhang met de buitenwereld. Hij wees een strikt materialisme af (de aanname dat bewustzijn terug te voeren is op zuiver fysische en chemische processen) en vergeleek de hersenen met een computer en het “ik” met de programmeur. Dat ik (geest, ziel) zou bovennatuurlijk zijn en van de hersenen als instrument gebruik maken. Op grond hiervan zou het reden geven tot hoop dat het ik ook na de dood verder kan bestaan.3

Eccles werd vooral bekend door de in 1977 verschenen publicatie “Das Ich und sein Gehirn” (The self and its brain), dat hij samen met Karl Popper samenstelde.

Voetnoten

  1. David Chalmers, The Conscious Mind, Oxford University Press, 1996
  2. John Searle, Intentionality – An Essay in the Philosophy of Mind, Cambridge University Press, 1983
  3. John C. Eccles, factum 5/2001, p. 17

LEUK ARTIKEL?
Bent u blij met dit artikel? Het onderhoud en de ontwikkeling van deze website vragen financiële offers. Zou u ons willen steunen met een maandelijkse bijdrage? Dat kan door ons donatieformulier in te vullen of een bijdrage over te schrijven naar NL53 INGB000 7655373 t.n.v. Logos Instituut. Logos Instituut is een ANBI-stichting en dat wil zeggen dat uw gift fiscaal aftrekbaar is.

95 Stellingen

Written by

Weliswaar zijn sinds de eerste uitgave van Charles Darwins boek "Het ontstaan van soorten" op 24 november 1859 ontelbare feiten bekend geworden, die heel duidelijk tegen de evolutietheorie spreken, maar het geloof in evolutie, oerknal en een vele miljoenen jaren oude aarde heeft zich diep in het bewustzijn van de moderne maatschappij ingenesteld. Hierbij heeft deze wereldbeschouwing langzamerhand een fundamentalistisch karakter aangenomen. In geen ander gebied van de wetenschap worden kritische stemmen zo onzakelijk en heftig aangevallen als op dit gebied van onderzoek. Wie twijfelt, wordt uit het debat over de oorsprongsvragen uitgesloten en niet zelden bestreden. De eigenwijsheid van de leidende disciplines in wetenschap, onderwijs en media doet denken aan de koppigheid, waarmee de Rooms Katholieke kerk in de Middeleeuwen haar toenmalige wereldbeeld verdedigd heeft. Op 31 oktober 1517 heeft de hervormer Maarten Luther 95 stellingen gepubliceerd, waarmee hij de toenmaals wijdverbreide aflaatpraktijk ter discussie stelde. Deze bemoeienis heeft een kettingreactie veroorzaakt, die uiteindelijk tot de Reformatie leidde. Op gelijke wijze moeten de hier aanwezige 95 stellingen tot een verandering van denken in het oorsprongsdebat bijdragen. Met deze publicatie willen wij ons ervoor inzetten, dat in de discussie over de oorsprong van de mensheid, het aardse leven en de kosmos een open omgang met wetenschappelijke gegevens, interpretaties en wereldbeschouwelijke stellingnamen* mogelijk wordt.