Het debat over schepping-evolutie gaat door. In het vorige nummer van Focus heb ik de boeken van Gijsbert van de Brink en van William VanDodewaard besproken. Nu wil ik “Oorspronkelijk” van Mart Jan Paul en “Adam, waar ben je” van Willem J. Ouweneel bespreken. Beide auteurs staan op het (mijns inziens terechte) standpunt dat theïstische evolutie (evolutionair creationisme) een brug te ver is voor hen die trouw willen blijven aan de Schrift. Op 14 mei schonk Ouweneel een ‘eerste exemplaar’ van zijn boek aan v.d.Brink – een oud-student van hem. Bij die bijeenkomst bleek opnieuw hoe fundamenteel oneens beide het zijn over de impact van het aanvaarden van de algemene evolutie. V.d.Brink vindt dat hij een constructief, irenisch en hoopvol boek geschreven heeft en niet vooringenomen (volgens mij is dat onmogelijk en dat blijkt ook uit zijn boek). Zijn ‘stel dat de evolutie waar is’ lijkt de verkeerde vraag – en volgens Ouweneel en Paul hoef je daar ook helemaal niet in te geloven.

Oorspronkelijk

Het boek van Paul vind ik veel beter en grondiger dan dat van v.d. Brink. Mart Jan Paul lijkt veel beter op de hoogte van alle (ook recente) literatuur op dit terrein – er is weinig waar hij niet op ingaat. Hij bespreekt de aard van de (natuur)wetenschap, de opkomst en impact van de evolutietheorie, hoe de kerkvaders over oorsprong en zondvloed dachten, de discussie over de draaiing van de aarde, hoe de Schrift spreekt over de schepping (in Genesis en verder in het OT en NT), over zondvloed-geologie, creationisme en intelligent design en over alternatieve lezingen (die leiden tot theïstisch evolutionisme). In alles is hij de weloverwogen beschouwer van feiten en ideeën, maar betoont zich ook een zorgvuldig uitlegger van de Bijbel.

De aard van de wetenschap

Belangrijk is het onderscheid tussen soorten wetenschap. Herhaalbaarheid in het heden is het kenmerk van de observerende/experimentele wetenschap, die zoekt naar wetmatigheden. Per definitie vallen eenmalige wonderen daar niet onder – wat niet wil zeggen dat ze niet hebben plaatsgevonden.
Geschiedenis, archeologie, kosmologie, veel van de geologie, paleontologie en evolutiebiologie (grotendeels) horen tot de historische wetenschap, die het moet het doen met interpretatie van de beschikbare bronnen, of dat nu aardlagen, fossielen, opgegraven aardewerk of schriftelijke bronnen zijn. Paul citeert Ernst Mayer, die o.a. zegt: “De evolutionist tracht gebeurtenissen die reeds hebben plaatsgevonden, te verklaren. Wetten en technieken zijn ongeschikte technieken voor de verklaring…”.

Om die reden is wetenschap achter een smartphone heel wat zekerder dan achter de (mogelijke) afstamming van de mens. Paul vraagt aandacht voor vier niveau’s van discussie over het verleden, die nauw met elkaar samenhangen: feit, theorie, vooronderstelling (filosofie) en geloof. Een theorie zegt altijd meer dan de feiten rechtvaardigen (vandaar dat theorieën soms vervangen worden door andere). Vooronderstellingen zijn bijvoorbeeld dat alles uit en door materie en materiële processen moet worden verklaard: dat kan niet bewezen worden. Geloofskennis is van een andere aard: je neemt aan wat een ander (Ander) zegt. Deze vier beïnvloeden elkaar en het is goed om je daarvan bewust te zijn.

Wereldbeeld en accommodatie

De discussies over ons wereldbeeld worden vaak gebruikt in het debat over geloof versus wetenschap en daarom gaat Paul daar uitgebreid op in. Opmerkelijk genoeg leefde het idee van een platte aarde onder kerkvaders helemaal niet: zij gingen net als de Grieken uit van de aarde als een bol. Dat dat toch vaak wordt aangehaald, is een ‘terug-projectie’ vanuit de 19e eeuw, zo van: ‘die domme christenen geloven niet in evolutie net als ze vroeger dachten dat de aarde plat was’. Tegenwoordig noemen we dat ‘fake-news’ – de Bijbel leert geen platte aarde. Wat betreft het opgaan van de zon: dat is wat we nog dagelijks waarnemen. Daarom sprak Calvijn over ‘accomodatie’, waarmee hij bedoelde dat God zich in Zijn spreken en handelen aanpast aan wat alle mensen kunnen begrijpen. Als Hij spreekt over het opgaan van de zon, is dat precies wat we waar kunnen nemen: het is dus geen foute informatie! De Bijbel spreekt in de taal van de toeschouwer en is niet geschreven in wetenschappelijk taal – maar dat maakt wat er staat niet minder waar.

Als Hij zegt dat Hij het scheppingswerk in zes dagen heeft gedaan, dan heeft Hij, ‘omdat Hij Zijn werken wilde regelen naar de bevatting van de mensen, een tijd van zes dagen voor Zich genomen”. Dat waren volgens Calvijn dus echt zes dagen. Daarom is het onterecht volgens Paul dat theïstisch evolutionisten zich beroepen op Calvijn. Hun accomodatie-begrip is van een heel andere orde en heeft tot gevolg dat we moeten denken dat Bijbellezers duizenden jaren verkeerde opvattingen hebben gekregen.

Wat zegt de Schrift?

Ook hierin onderscheidt Paul zich duidelijk van v.d.Brink: er wordt in “Oorspronkelijk” echt aan exegese gedaan. Paul gaat in op datering, auteurschap en opbouw van het boek Genesis om duidelijk te maken dat de eerste elf hoofdstukken niet ‘los‘ gelezen kunnen worden en van daaruit gaat hij in op de uitleg van met name Gen.1-3. Hierbij geeft hij heel wat argumenten voor een ‘letterlijke‘ lezing en maakt duidelijk dat “het was goed” niet alleen om functioneel goed gaat – waarmee de Bijbel strijdig blijkt met de evolutiegedachte van de ‘survival of the fittest’. Juist met dit punt worstelt v.d.Brink en daar komt hij niet ongeschonden uit.

Paul bespreekt ook grondig het getuigenis van de rest van het OT en het NT. Zijn conclusie is helder: de hele Schrift geeft hetzelfde getuigenis: God heeft aan het begin alles in korte tijd zeer goed geschapen en de zonde heeft dat bedorven. Ook het perspectief van de profeten van een Koninkrijk Gods en een nieuwe hemel en nieuwe aarde, bevestigen dit beeld.

Alternatieve lezingen

Vooral de visies van John Walton en Denis Alexander komen uitgebreid aan bod (en daarmee ook het gedachtegoed van v.d.Brink). John Walton ziet de schepping als de inwijding van een kosmische tempel: de scheppingsdagen zouden ‘tempel-dagen’ zijn, maar in de tekst vinden we daarvoor geen aanwijzingen. Volgens Walton zijn Adam en Eva ‘archetypen’ en staan ze dus voor een hele groep mensen. Daarmee worden de eerste hoofdstukken a-historisch, wat volgens Paul on z’n minst merkwaardig is in het licht van de geslachtsregisters. Walton gaat ook uit van een regionale vloed, maar dat maakt God in Gen.9:15 tot een onbetrouwbare God: regionale overstromingen zijn er immers nog wel geweest.

Denis Alexander ziet Adam als een neolithische boer, min of meer in de lijn van v.d.Brink: zo’n achtduizend jaar geleden koos God Adam en Eva uit – dat worden dus een soort verbondshoofden. Maar waarom koos God er dan voor om ons dat niet in eenvoudige taal mee te delen – zoals Hij dat wel deed met de keuze van Abraham? Ook is de dood er dan al vóór Adam, in strijd met bv. Rom.5:14.

Paul vraagt zich ook af wat het nut is van het aanstellen van de mens als rentmeester als hij zo laat in de geschiedenis verschijnt – en God heeft Zich pas heel laat laten kennen, wat in tegenspraak is met Rom.1:18-23. En hoe zit dat met de zondeval en het hoofdschap van Adam en Christus (Rom.5:12-21)? Alexander beschouwt de dood als onderdeel van de schepping, volgens Paul wordt de dood daarmee losgemaakt van Gen.3 en is de dood dan nog wel een vijand?

Een breed opgezet werk

Paul gaat uitgebreid in op leven, werk en opvattingen van Darwin. Ook hier is hij veel beter op de hoogte dan v.d.Brink (heeft o.a. kennis genomen van zijn brieven) en maakt hij duidelijk dat Darwin afstand nam van de Bijbel en dat hij God of goddelijke interventie niet in rekening wilde brengen. Ook de gevolgen van Darwin’s evolutietheorie (zoals het sociaal darwinisme) en het verder vervolg komen aan bod.

Daarnaast besteedt Paul grondig aandacht aan zondvloed-geologie, intelligent design en creationisme, met een goed stukje wetenschapsgeschiedenis op deze punten en verwijzingen naar allerlei organisaties die op dit terrein werkzaam zijn. Ook het debat onder theologen komt aan bod en opnieuw wordt duidelijk hoe vaak mensen als v.d.Brink selectief winkelen in het gedachtegoed van voormannen als Abraham Kuyper.

Conclusie

Darwin’s leer heeft grote gevolgen en als we niet uitkijken ook voor ons geloofsleven. Volgens Paul laat dat de Bijbel steeds weer zien dat het geloof berust op historische gebeurtenissen. Het geloof in de Bijbel en in de God die Zich daarin openbaart, gaat vooraf aan alle vormen van wetenschap – een vaste grond van de dingen die men hoopt en bewijs van de dingen die men niet ziet (Hebr.11:1).
Er valt nog veel meer te zeggen over dit prachtige boek (waar Paul twee jaar aan heeft gewerkt), maar hierbij wil ik het laten. Het is wel een studieboek (dus neem er de tijd voor!), maar van harte aanbevolen voor allen die zich in dit onderwerp willen verdiepen. Paul schrijft niet polemisch en blijft met zijn oordelen mild en (te?) voorzichtig, maar mede daardoor is dit een krachtig en zeer grondig boek.
Er is een dunnere en meer toegankelijke versie verschenen onder de titel “Waar komen wij vandaan” (184 i.p.v. 528 pagina’s; ongeveer de helft van de prijs) – geschreven op het niveau van leerlingen uit de bovenbouw havo-vwo. Dat heb ik niet gelezen.

Adam, waar ben je?

De opzet van het boek van Ouweneel is anders. Goed valt te herkennen wat zijn achtergrond is: achtereenvolgens gepromoveerd in de biologie, filosofie en theologie. In zijn ‘Woord vooraf’ vertelt hij over zijn eigen gang door het onderwerp schepping-evolutie, markeert hij zijn positie en maakt duidelijk dat hij toch niet zo van mening veranderd is als een poos het geval leek te zijn. Hij schrijft dat zijn ogen weer geopend zijn toen hij de boeken van theïstische evolutionisten las en een boek uit 2009 (“Should Christians embrace evolution?” onder redactie van Nevin). Ouweneel heeft zijn boek dan ook niet geschreven als reactie op v.d.Brink: het idee lag er langer. De Nederlandse uitgave is er eerder dan de Engelse: die komt mogelijk van de zomer uit) en en is iets uitgebreider. Ouweneel benadrukt dat hij niet tegen personen maar tegen ideeën schrijft.

Probleemstelling

In het eerste hoofdstuk geeft hij een voorschot op de rest van het boek en zet in grote lijnen uiteen waar het probleem van de theïstische evolutie ligt: dat is de focus van het boek. Typerend voor zijn benadering is dat hij begint met een citaat van 2Tim.4:3,4 – dat eindigt met zich tot de fabels (mythen) wenden. In de loop van zijn boek maakt hij duidelijk hoezeer Darwin’s grote verhaal en zeker ook de diverse alternatieve ‘reconstructies’ van Gen.1-3 in feite mythen zijn. Dat evangelisch-reformatorische helden als Keller, Stott, Packer en McGrath zich hiertoe hebben gewend, is eigenlijk verbazingwekkend. Met David zegt Ouweneel dan: Hoe zijn de helden gevallen in het midden van de strijd (2Sam.1:25). We kunnen veel waardering hebben voor hun werk, maar ons tegelijk verbazen hoe ze evolutie gewoon accepteren. Een kopje op p 25 laat zien welke weg Ouweneel inslaat: Wright moet beter nadenken. Ook van andere alternatieve lezers zegt hij dingen als dat ze zich in allerlei bochten moeten wringen en hoe kunnen ze zo voorbijgaan aan wat Paulus en de Heer Jezus leren in het NT?

Ouweneel merkt op dat de groep biologen en theologen achter BioLogos nogal uiteenlopende visies hebben – een aanwijzing dat ze het ook niet weten, of gewoon een vals probleem hebben opgeworpen. Volgens Ouweneel moet je als christen altijd beginnen met de openbaring (en van daaruit beoordelen wat de wetenschap eventueel te zeggen heeft), anders raak je uiteindelijk zelfs het evangelie kwijt.

De evolutieleer

Ouweneel laat vooral vanuit de wetenschapsfilosofische vragen zien dat de evolutietheorie niet los te koppelen is van het evolutionisme: nergens in de natuurwetenschappen spelen ideologische vooroordelen zo’n sterke rol als bij de evolutieleer. Vanaf het begin hebben Darwin en de zijnen een principieel atheïstische koers gevaren.

Ouweneel maakt wel onderscheid tussen de evolutionaire populatie-theorie (de speciale evolutietheorie) en de algemene evolutietheorie. De eerste gaat over de (in feite horizontale) vorming van soorten binnen een bepaald basistype – je kunt dat ook variatie op een thema noemen. Denk aan het uiteen waaieren van de katachtigen (die alle direct of indirect kruisbaar zijn). De speciale evolutietheorie is goed toetsbaar, al zijn de mechanismen waarschijnlijk vaak anders dan Darwin veronderstelde. Ouweneel zegt terecht dat Linneaus al zo’n idee was toegedaan, maar jammer genoeg worden de Duitse tegenstrevers van Darwin (zoals zo vaak) niet genoemd: von Humbold, Gegenbauer en Von Baer vonden eveneens dat verandering mogelijk was, maar alleen binnen een Grundtype. In de huidige tijd kunnen we het grondige werk van Junker en Scherer op dit terrein noemen. De algemene evolutietheorie gaat over verandering van type, over innovatie: de evolutie van amoebe tot mens. Hiervoor is geen werkend (genetisch) mechanisme bekend, maar het enige alternatief (ontwerp van verschillende basistypen) vraagt geloof in een Schepper. Omdat dat onaanvaardbaar is, blijven de meeste biologen vasthouden aan het geloof (want dat is het!) in algemene evolutie – inclusief het spontaan ontstaan van leven op de een of andere manier.

Theïstisch evolutionisten vallen tussen wal en schip. Gewone evolutionisten vinden het idee van Gods voorzienigheid maar niks (ze hebben dat niet nodig, zeggen ze) en Bijbelgetrouwe christenen willen Genesis niet door de bril van Darwin lezen en vooral Gods scheppingswerk niet vervangen door Gods voorzienigheid (werken op de achtergrond).

De derde weg bij het lezen van Genesis

Volgens Ouweneel zijn er bij het lezen van Genesis drie mogelijkheden, maar velen (zoals v.d.Brink) doen alsof er maar twee zijn:
1. Concordisme is de gedachte dat Bijbelse uitspraken over de natuurlijke wereld overeenkomen met de wetenschappelijke feiten.
2. Perspectivisme is de gedachte dat we de theologische inhoud van de Bijbel moeten onderscheiden van het wereldbeeld waarin dat is opgeschreven.
Beide benaderingen lijden aan hetzelfde euvel, want de Bijbel is niet geschreven in de taal van de wetenschap en dringt ons ook niet een bepaald wereldbeeld op. Anderzijds is de wetenschap beperkt in haar mogelijkheden en kan ons principieel niets vertellen over de oorsprong van alles.
De derde optie is veel logischer: de Bijbel openbaart ons geen wetenschap, maar als zij ons iets vertelt de natuur, de kosmos en de geschiedenis, dan is dat feitelijk juist. De Bijbel spreekt daarbij vanuit het perspectief van de waarnemer. Daarom lezen we over zonsopgang e.d., net zoals wij dat nu ook nog steeds doen. Heel Genesis is principieel historisch volgens Ouweneel, net als volgens Augustinus en Calvijn.

De historische Adam

Het boek Genesis heeft een feitelijke stijl: het is niet dichterlijk. Maar Ouweneel vindt het minder vruchtbaar om over een letterlijke lezing te spreken – want wat bedoelen we dan precies? Heeft God met zijn handen klei genomen om Adam te boetseren – of is dat beeldspraak? Ouweneel denkt het laatste, maar volgens hem wordt de tekst hiermee niet minder historisch: God heeft echt Adam uit stof gemaakt en vervolgens tot een levende ziel gemaakt door Zijn Adem (Geest) in hem te blazen. En daarbij schiep Hij iets nieuws, zoals elke keer als het woord scheppen wordt gebruikt (in Gen.1:1, 20 en 27) – uit het niets (wat er niet van tevoren was): eerst materie, daarna de ziel (van de dieren) en daarna de mens met een geest. Kort geef ik zeven argumenten van Ouweneel voor een historische Adam en Eva – de eerste mensen:
1. Er is geen breuk tussen H 1-11 en H 12-50.
2. Geslachtsregisters voeren terug naar Adam als eerste, zelfs als zoon van God (Luk.3).
3. Jezus sprak over Adam en Eva als historische figuren en het eerste echtpaar.
4. Zonder Adam geen oorspronkelijk zeer goede mensheid.
5. Paulus noemt Adam de eerste mens.
6. Het huwelijk grondt in Adam en Eva.
7. Adam is een type / antitype van Christus.
Bovendien wordt Gods gebiedend spreken bij de schepping wel heel langzaam van effect als de mens pas na miljoenen jaren op het toneel verschijnt.

Wie is de mens?

Dit is het hart van het boek: biologie, filosofie/psychologie en theologie komen samen in een Bijbelse visie op de mens als een eenheid van lichaam, ziel en geest. De Roomse kerk ziet het lichaam als product van de evolutie en de ziel/geest als geschapen door God: volgens Ouweneel een versmelting van het scholastisch dualisme (onze Griekse erfenis, waarbij het lichaam lager wordt gewaardeerd) en modern evolutie-denken, beide even verwerpelijk. Theïstisch evolutionisten bewandelen of dit pad of gaan ervan uit typisch menselijke eigenschappen kunnen worden herleid tot dierlijke. In het laatste geval wordt het nog lastiger om de zondeval een goede plek te geven, maar in beide gevallen is de dood er al voordat de mens er was en waren de voorouders geen fraaie types – met doodslag, stelen en hoereren.

De mens is geen wat maar een wie en volkomen uniek t.o.v. de dieren. Ouweneel onderscheidt vijf humaan-structuren, waarvan de eerste vier ook bij de dieren zijn te vinden. Net als de dieren zijn we gemaakt uit materie, hebben we celstructuren, nemen we waar en hebben we een gevoelsleven. Maar bij de mens zijn die aangelegd op het mens-zijn. Een mens kan denken, overwegen, spreken, uitvinden, wilsbeslissingen nemen: dat is de mentale structuurlaag, die wordt gedragen door de andere lagen. Liefhebben kun je beschrijven in termen van hormonen, uitwisseling van ionen door celmembranen en lichamelijke reacties – maar dan beschrijf je alleen wat er gebeurt op de lagere niveau’s, je verklaart er niets mee.
Hier steekt Ouweneel een spa dieper dan Paul. Bij elke structuurlaag legt hij uit dat deze niet uit een vorige laag valt te herleiden en dus een Schepper vraagt en ook hoe bijzonder de mens hierin is. De mens anders dan de dieren een geestelijk (religieus) wezen en zijn zwaartepunt ligt in feite buiten hemzelf: in relatie tot God (of de afgoden). De mens is zowel immanent als transcendent – geschapen als hij is naar het beeld en de gelijkenis van God. De mens is een eeuwigheidswezen en hij is geschapen om te heersen over de hele schepping. Theïstisch evolutionisten staan hier met de mond vol tanden …

En verder

Ouweneel gaat ook uitgebreid in alles rond de zondeval en hoe in het Nieuwe Testament over deze zaken wordt gesproken. Zonder een historische eerste mens en een werkelijke zondeval (de ene daad met de ‘erfzonde’ en de dood als gevolgen), gaat de uitleg van Paulus over de ene daad van gerechtigheid (in Rom.5:12-21) en de gevolgen daarvan voor ons, volkomen de mist in. En waarom zouden we wel in de opstanding geloven (waar de natuurwetenschap immers ook geen verklaring voor heeft) en niet in een “Hij sprak en het was er”? In dit verband maakt Paulus in 1Kor.15 de vergelijking tussen een historische eerste mens (die leven ontving) en een even historische tweede mens (die leven geeft).
Over Paulus durven theïstisch evolutionisten wel te zeggen dat hij een antiek wereldbeeld had (en dat we hem daarom in dat opzicht niet serieus hoeven te nemen), maar hoe zit dat met Jezus zelf? Hij gaat evenzeer uit van de historiciteit van Genesis 1-11.

Conclusie

Ouweneel maakt in dit grondige boek duidelijk wat de gevolgen zijn van een niet historische lezing van Genesis 1-11. Hij neemt scherper stelling dan Paul en is in zijn Bijbelse mens-visie grondiger, maar beide auteurs wijzen dezelfde weg (ook in hoe de Bijbel dan wel gelezen moet worden). Het is niet nodig om de algemene evolutie aan te nemen en het is theologisch een schadelijke weg. Ouweneel citeert ook orthodoxe rabbijnen en apocriefe boeken.

Een enkel vraagteken zet ik slechts, zoals (met Paul) bij de gedachte dat Gen.1:2 wijst op een strijd met chaos-machten: woest en leeg slaat mijns inziens gewoon op ongevormd. Aan het einde van de zes dagen zegt God immers dat alles zeer goed was? Daarom plaats ik de val de satan daarna (zie ook Ez.28:12-15). Maar overigens beveel ik dit boek van harte aan: heel veel argumenten van allerlei auteurs worden grondig besproken en de stellingname van Ouweneel is heel helder en goed gefundeerd.

Zowel het boek ‘Oorspronkelijk‘ als het boek ‘Adam waar ben je?‘ worden in onze webshop te koop aangeboden.

Dit artikel is met toestemming overgenomen uit Focus op de Bijbel. De volledige bronvermelding luidt: Fieggen, 8., 2018, Boeken over oorsprong 2Focus op de Bijbel 9 (38): 34-41.

LEUK ARTIKEL?
Bent u blij met dit artikel? Het onderhoud en de ontwikkeling van deze website vragen financiële offers. Zou u ons willen steunen met een maandelijkse bijdrage? Dat kan door ons donatieformulier in te vullen of een bijdrage over te schrijven naar NL53 INGB000 7655373 t.n.v. Logos Instituut. Logos Instituut is een ANBI-stichting en dat wil zeggen dat uw gift fiscaal aftrekbaar is.

Written by

Ir. K. Fieggen studeerde in Wageningen en geeft alweer zo’n veertig les in biologie, science en algemene natuurwetenschappen. Voor die vakken heeft hij lesmateriaal geschreven, o.a. de methodes Antwoord en Kepler voor algemene natuurwetenschappen. Recent schreef hij een boek over wetenschap, oorsprong en de Bijbel met als titel: "In de voetsporen van Kepler" en vorig jaar is van zijn hand een commentaar op het Bijbelboek Hebreeën verschenen. Hij geeft lezingen over Bijbelse onderwerpen en over de relatie wetenschap en de Bijbel.