In dit boekje geeft ds. Rob Visser een vers-voor-vers uitleg van de eerste 11 hoofdstukken van het boek Genesis. Al eerder schreef hij een boekje over de eerste drie hoofdstukken van dit Bijbelboek (R.J. Visser, Hoe God alles maakte, Van Berkum, 2007). Dit nieuwe boek biedt een uitbreiding daarvan. Het is geschreven vanuit de overtuiging dat de eerste hoofdstukken van Genesis historisch gelezen moeten worden (en dus niet als mythisch gekleurde ‘oergeschiedenis’). Deze historische lezing is fundamenteel voor het begrijpen van de rest van de Bijbel.

Naast deze vers-voor-vers-bespreking heeft ds. Visser ook nog een aantal hoofdstukken toegevoegd over actuele thema’s die te maken hebben met de eerste hoofdstukken van Genesis. Zo bespreekt hij de houdbaarheid van de kadertheorie, vragen met betrekking tot schepping en evolutie naar aanleiding van het nieuwe boek van Gijsbert van den Brink (En de aarde bracht voort), en tot slot de verhouding tussen man en vrouw vanuit Genesis 1 en 2. In deze recensie zal ik vooral laten zien welke hermeneutische uitgangspunten sturen hoe Visser Genesis leest.

Gelukkig geen mythe

Visser leest Genesis vanuit het uitgangspunt dat wij in de Bijbel te maken hebben met Gods op schrift gestelde openbaring aan mensen. Dit is bijvoorbeeld van belang als het gaat om de schepping van mens en wereld. Daar is niemand bij geweest. Maar God zelf heeft ons verteld hoe wij ons die schepping moeten voorstellen. Een gelovige omgang met de Schrift vereist dat wij de voorstelling die Hij ons daarvan geeft aanvaarden. Als het over de schepping gaat mogen we ons uitgangspunt niet nemen in wat wij ons vanuit onze wereld kunnen voorstellen en wetenschappelijk kunnen narekenen, maar we moeten ons uitgangspunt nemen in wat God ons daarover bekend maakt.

Hieruit trekt Visser een belangrijke conclusie met betrekking tot de evolutietheorie. De evolutietheorie probeert het ontstaan van het leven op aarde te reconstrueren door vanuit de wereld zoals wij die kennen terug te redeneren naar een oorsprong. Maar dat kan volgens de Bijbel nu juist niet, omdat de schepping niet het product is van een proces dat je terugrekenend kunt reconstrueren, maar van Gods onnavolgbare scheppingsdaad, waardoor hij uit het niets in zes dagen een volledig geordende wereld tot stand bracht. Daarbij komt dat de schepping zoals wij die kennen zucht onder de straf op de eerste zonde, terwijl de schepping zoals God die maakte daar nog niet onder leed. Er is dus vanuit onze ervaring geen epistemische toegang tot de oorsprong van de werkelijkheid. Om daarover iets te weten zijn we helemaal aangewezen op Gods openbaring. Wat dit betreft zijn de schepping van de wereld en de opstanding van Christus met elkaar te vergelijken. Wij hebben er geen toegang toe vanuit onze ervaringswereld (waar de wetenschap het mee moet doen). Wij hebben daar alleen kennis van door Gods openbaring. Die openbaring is betrouwbaar, want het is de openbaring van de Schepper zelf.

Het openbaringskaraker van de Bijbel is ook belangrijk voor hoe Visser aankijkt tegen de relatie tussen de eerste en tweede auteur van de Bijbel. De Bijbel is geschreven door mensen, die kinderen waren van hun tijd, maar wat zij opschreven is uiteindelijk het Woord van de heilige Geest zelf. Dat is wel gegeven aan mensen in een bepaalde tijd en cultuur, maar mag niet verklaard worden vanuit het denken van mensen in die tijd en cultuur. Dit principe stuurt Vissers exegese. Hij maakt in zijn uitleg van de teksten dankbaar gebruik van taalkundige kennis en kennis van de wereld van het Oude Nabije Oosten, maar die kennis krijgt nooit een zelfstandige betekenis. Zo wijst hij de gedachte af dat Genesis 1 afhankelijk is van bestaande scheppingsmythen. Hij waarschuwt ook voor het lezen van Genesis 1 als een geloofsbelijdenis van Israel, die bedoeld was als polemiek tegen de afgoderij met natuurmachten in de wereld waarin Israel leefde. Ook dan doe je tekort aan het openbaringskarakter van het scheppingsverhaal. God deelt ons in dit hoofdstuk mee hoe wij ons de schepping van de wereld moeten voorstellen. Wie dit hoofdstuk leest als een geloofsbelijdenis van Israel, neemt de ongeoorloofde vrijheid om op eigen gezag te gaan onderscheiden tussen een tijdgebonden voorstelling en een blijvende geloofskern.

Het openbaringskarakter van de Bijbel is ook bepalend voor hoe je om gaat met context waarin de Bijbel vandaag gelezen wordt. In die context geldt de evolutietheorie voor velen als aanvaarde kennis. Maar de Bijbel is de gezaghebbende openbaring van God. Onze (feilbare) kennis mag daarom nooit gaan bepalen wat wij in de Bijbel tijdgebonden achten en wat niet. Volgens Visser dreigt dit wel te gebeuren in het boek van Van den Brink. Zonder zelf een uitleg te geven van Genesis 1-3, probeert Van den Brink deze hoofdstukken in overeenstemming te brengen met de kaders die de evolutietheorie stelt. Daardoor kan de Bijbel niet meer goed voor zichzelf spreken. Visser laat op een aantal punten zien waar de voorstellen van Van den Brink, volgens hem, het zelfgetuigenis van de Bijbel tegenspreken.

Visser wil de Bijbel ook lezen als een eenheid. God is één, en dus is zijn Woord ook één. Het is een innerlijk samenhangend geheel. Dit uitgangspunt blijkt bijvoorbeeld in Vissers uitleg van Genesis 1 en 2. Hij ziet hier niet twee verschillende scheppingsberichten, maar hij ziet Genesis 2 (vanaf vers 4) als een nadere invulling van de zesde scheppingsdag, en laat zien dat deze lezing past bij de tekst zoals die zich geeft. Visser vergelijkt ook steeds Schrift met Schrift. Het geheel van de Bijbel helpt bij de uitleg van afzonderlijke delen. Hij gebruikt voortdurend teksten uit het Oude en het Nieuwe Testament om de betekenis van Genesis 1-11 uit te leggen.

De schepping. De aarde is getuige

Wat vind ik van dit boek? Eerst drie kanttekeningen, en dan mijn positieve oordeel. Allereerst qua vorm: de voetnoten zijn niet goed afgewerkt, en regelmatig kom je nog een spelfout tegen. Dat zou wellicht in een volgende oplage verbeterd kunnen worden.

In de tweede plaats heeft het boekje een beperkte strekking. Het is allerereerst exegetisch van aard. Vanuit die insteek levert Visser tegenover Van den Brink terechte kritiek. Van den Brink probeert in zijn boek het orthodoxe christelijk geloof te handhaven en de evolutietheorie daarin te integreren, maar moet daarvoor allerlei zaken zo herinterpreteren, dat het de vraag wordt of dit zich nog wel verdraagt met hoe de Bijbel zelf gelezen wil worden. Daar heeft Visser overtuigend de vinger bij gelegd, lijkt mij. Ook stelt hij terecht de vraag of het Schriftgezag en het aanvaarden van de evolutietheorie elkaar uiteindelijk niet uitsluiten. Wat hij niet doet, is vervolgens de vraag stellen: maar hoe moet je dan wel omgaan met kennis die wetenschappelijk aanvaard is? Die vraag beantwoorden is ook niet het doel van dit boek. Maar als je, bijvoorbeeld als student, een antwoord zoekt op die vraag, moet je andere boeken raadplegen.

Ten derde vraag ik me na lezing van dit boek af wat Visser vindt van wat Prof. J. Douma geschreven heeft over Genesis 1-3 in zijn reeks Gaan in het spoor van het Oude Testament. Daar breekt Douma een lans voor de kadertheorie (p. 40-42), en ziet het lijden van dieren als behorend bij de wereld van voor de zondeval (p. 20vv) – twee zaken die Visser afwijst. Visser en Douma behoren tot hetzelfde kerkgenootschap. Op dit punt had ik het gewaardeerd als Visser zich iets explicieter had uitgelaten over verschillen met anderen, die dezelfde uitgangspunten hebben als hijzelf.

Visser heeft m.i. een boekje geschreven waar je als gemiddeld gemeentelid (en ook als gemiddelde predikant of theoloog) veel van kunt leren, en wel om een aantal redenen. Allereerst geeft hij een gedegen uitleg van Genesis 1-11 en gaat ook moeilijke uitlegkundige kwesties niet uit de weg. Ten tweede leert het boekje je op een gereformeerde manier de Bijbel lezen. De Bijbel wordt gelezen als Gods op schrift gestelde openbaring, die gezag heeft over zijn eigen uitleg, en die een eenheid vormt. Ten derde is dit boekje een hulp om de Here God beter te leren kennen en vertrouwen. En dat komt juist ook doordat de Bijbel in dit boekje benaderd wordt als Gods openbaring aan de mens van alle tijden. Het is een boek uit een ver verleden, maar afkomstig van de eeuwige en betrouwbare God, die het ook aan ons gegeven heeft om daardoor ons pad te verlichten.

Dit boekje wordt ook in onze webshop te koop aangeboden.

LEUK ARTIKEL?
Bent u blij met dit artikel? Het onderhoud en de ontwikkeling van deze website vragen financiële offers. Zou u ons willen steunen met een maandelijkse bijdrage? Dat kan door ons donatieformulier in te vullen of een bijdrage over te schrijven naar NL53 INGB000 7655373 t.n.v. Logos Instituut. Logos Instituut is een ANBI-stichting en dat wil zeggen dat uw gift fiscaal aftrekbaar is.

Written by

Dr. B. van Egmond is theoloog en predikant in de Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt te Capelle aan den IJssel-Noord. In 2015 promoveerde dr. Van Egmond aan de Theologische Universiteit Kampen op een proefschrift over de betekenis van Gods oordeel voor de redding van de mens in het vroege denken van Augustinus van Hippo (354-431).