Briefwisseling: In onze benadering zit een fors verschil (3)

by | jun 10, 2024 | 03. Theologie, Debat, Theïstisch evolutionisme vs. creationisme, Theïstische evolutie

Briefwisseling: In onze benadering zit een fors verschil (3)

‘De schepping van hemel en aarde is voor mij een verhaal over dingen die te groot zijn om te bevatten, dus ook om na te vertellen, aldus dr. René Fransen in zijn slotbrief. Vandaag sluit zijn opponent ir. Bart van den Dikkenberg deze briefwisseling over schepping en evolutie af [lees hier deel 1 en deel 2]. De verschillende standpunten blijven overeind, maar tegelijkertijd spreekt de wetenschapsjournalist zijn waardering uit. ‘Je pogingen om gaten in mijn boek te schieten, zetten mij ook weer aan het denken.’

Beste René,

Ik herken me in jouw ervaring dat het lastig is om in kort bestek zo’n complex onderwerp grondig uit te benen. Ik loop jouw brief op volgorde door, en zal daarop waar nodig reageren.

Je begint met de terechte conclusie dat geen enkel wetenschappelijk argument mijn standpunt zal kunnen veranderen als het gaat over de schepping zoals die is beschreven in Genesis 1 en 2.

In mijn vorige brief heb ik aangegeven dat de (methodologisch naturalistische) wetenschap geen zinvolle uitspraken kan doen over een wonder. Simpelweg omdat wonderen buiten het wetenschappelijke onderzoeksterrein vallen.

Jouw reactie is vervolgens dat forensische wetenschap uit allerlei feiten kan komen tot ‘wettig en overtuigend bewijs’. Inderdaad. Zelfs tot de rechtbank toe wordt het aanvaard als bewijs.

Maar het gaat bij de schepping over een wonder, en dat verandert de zaak compleet. Ik neem een ander wonder als illustratie. De Heere Jezus heeft als eerste wonder in Kana water in wijn veranderd. Stel, je zou die wijn methodologisch naturalistisch via de forensische wetenschap onderzoeken met alle moderne apparatuur die daarvoor beschikbaar is. Dan zou de uitkomst luiden: uitstekende rode wijn, heeft wellicht vijf jaar gerijpt in eikenhouten vaten. Het alcoholgehalte is 12 procent, dat betekent dat het suikergehalte van de druiven vrij hoog moet zijn geweest. Naturalistisch gezien kloppen de feiten met de conclusie dat het een uitstekende wijn was (Joh. 2:10).

Maar deze wijn is niet gemaakt uit zoete druiven, heeft geen vijf jaar gerijpt in eikenhouten vaten, enzovoort. Hier is een wonder gebeurd: water is in een ogenblik in wijn veranderd. Daarom kloppen de conclusies van het naturalistische onderzoek niet.

Volgens mij gaat de (methodologisch) naturalistische wetenschap buiten zijn boekje wanneer ze een goddelijk wonder wil onderzoeken. Want ze veronderstelt dan immers (tegen het getuigenis van Gods Woord) vooraf dat er geen goddelijk scheppingswonder heeft plaatsgehad: God speelt immers geen rol bij het naturalistische onderzoek. Dan is de uitkomst ook naturalistisch, en zal een goddelijk scheppingswonder evenmin worden (h)erkend. Daarom kun je in je laatste brief stellen: ‘Wat overeind blijft is dat de feiten uit de wetenschap niet passen bij een scenario waarin het leven op aarde in zes dagen is geschapen.’ Mijn kanttekening hierbij: de feiten spreken een zesdaagse schepping niet tegen; de naturalistische conclusies van de wetenschap wel.

Vervolgens de ‘schatkamers van de hagel’ die in Job worden genoemd. Ik noemde Job een poëtisch Bijbelboek. Dat is volgens mij niet omstreden. Tegelijk neem ik het spreken van God in Genesis 1-3 zeer letterlijk, maar doe ik dat volgens jou niet in Job. Dat valt nog te bezien.

Ik neem het Bijbelboek Job, met veel gereformeerde theologen, als een historisch boek. Job heeft werkelijk geleefd, en wat hij heeft meegemaakt, is werkelijk gebeurd (Jak. 5:11). Tegelijk is de tekst poëtisch van aard. De kanttekeningen van de Statenvertaling zeggen het zo bij Job 38:22: ‘God spreekt bij gelijkenis, om te tonen Zijn grote macht, waardoor Hij, als het Hem belieft, grote overvloed van sneeuw en hagel kan voortbrengen, alsof Hij grote schatkameren gereed had, waarin Hij de sneeuw en den hagel, tegen dat Hij ze gebruiken wilde, weggesloten had.

Nu terug naar Genesis 1. Hoewel de scheppingsgebeurtenissen beknopt in verheven taal zijn opgeschreven, (noem het desnoods poëzie) is het Bijbelhoofdstuk niet minder historisch dan de geschiedenis van Abraham, Izak en Jakob, zoals ik in mijn vorige brief probeerde uit te leggen. Dat volgt ook uit andere gedeelten in de Bijbel, zoals Genesis 2:2; Exodus 20:11; Exodus 31:17; Hebreeën 4:4.

Wat betreft de vallende sterren in Openbaring, stel je dat ik die niet letterlijk neem. Dat klopt. Openbaring is eschatologisch van aard. Het beschrijft toekomstige gebeurtenissen in beelden en visioenen. In die zin zit er wel een historische kern in het Bijbelboek. Anderzijds grijpt Openbaring voor de toekomst van Gods kinderen nadrukkelijk terug op Genesis en de volmaakt geschapen toestand in het paradijs (Opnb. 2:7; vgl. Luk. 23:43 en 2 Kor. 12:4). Dat is juist een Bijbelse aanwijzing om de ‘zeer goede’ schepping als letterlijk gebeurde historie te lezen.

Dan jouw volgende punt; je schreef: ‘Maar ik geloof niet dat de Bijbel een historisch juiste beschrijving van de schepping heeft gegeven, een conclusie die ik trek na afweging van wat er in de Bijbel over is geschreven, hoe theologen en Bijbelwetenschappers daarover denken én wat grote aantallen natuurwetenschappers (inclusief een behoorlijk aantal christenen) over het verleden van onze planeet, de biodiversiteit en onze eigen afstamming hebben ontdekt.’ En je vervolgt: ‘Ik vind het pijnlijk dat je dit platslaat tot de conclusie dat de wetenschap bepaalt hoe ik Genesis 1 lees.

Laat ik beginnen met jouw laatste zin. Het was allerminst mijn bedoeling om jou pijn te doen of de discussie plat te slaan. Maar mijn constatering dat je ‘hiermee je positie duidelijk hebt gemaakt‘, was wel kort door de bocht. Ik heb daarbij heel wat denkstappen overgeslagen. Ik zal proberen mijn gedachtegang onder woorden te brengen.

Dat Genesis vandaag de dag anders wordt gelezen, ligt niet aan de Bijbeltekst. Die is duidelijk en die bestaat al veertig eeuwen. Hoewel er bij allerlei theologen afgelopen eeuwen allerlei opvattingen over de schepping zijn geweest, stemmen ze hierin overeen dat ze bogen voor Gods Woord. Dat werd anders door de Renaissance en met name door de Verlichting, waardoor de menselijke ratio steeds meer boven Gods Woord werd geplaatst. Met het verschijnen van boeken die deep time gingen promoten in de geologie (Hutton, Lyell) en in de biologie (Darwin) kwam dat in een stroomversnelling. Het aloude principe dat het door Gods Geest geïnspireerde Woord van God zichzelf verklaart, ging geleidelijk overboord. Daarvoor kwamen de menselijke ratio en historische Schriftkritiek in de plaats. Tel daarbij op dat de wetenschap steeds verder van de theologie af is komen te staan en steeds naturalistischer werd. En je hebt de situatie van vandaag: schriftkritische theologen die buigen voor de naturalistische wetenschap en wetenschappers die zich niet laten gezeggen door de goddelijke openbaring van historische feiten in Zijn Woord.

Als je Genesis niet leest als historie, komt dat niet door de Bijbel. Want als we Schrift met Schrift vergelijken, zoals de gereformeerde hermeneutiek (leesregel) vanouds de exegese (uitleg) van de Bijbel heeft gestempeld, kun je niet anders dan Genesis als historie lezen. Een invloed van buitenaf bepaalt dus dat we Genesis anders zouden moeten gaan lezen. Dat is de menselijke ratio in combinatie met de hedendaagse wetenschap. Ik breek hier dus geen lans voor een blind geloof in de Bijbel, maar wel voor een onderwerping van ons verstand, onze ratio, aan Gods Woord.

Vervolgens uit je kritiek op hoe ik de wetenschap in mijn boek aan de orde stel in verband met deep time. Ik loop alle drie de punten op volgorde na.

1. Het RATE-onderzoek dat creationistische wetenschappers hebben uitgevoerd om het deep time-dogma te toetsen. Je verwijst naar een artikel van Randy Isaacs waarin hij het onderzoek stap voor stap doorloopt. Het onderzoek zelf is volgens de wetenschappelijke methode uitgevoerd, dus verifieerbaar en herhaalbaar. Dat maakt dat het onderwerp van discussie kan zijn. Uiteindelijk stelt Randy Isaacs twee kritiekpunten aan de orde: versneld radioactief verval en het zogeheten hitteprobleem, waarmee dat gepaard zou zijn gegaan.

Voor versneld radioactief verval levert Eugene Chaffin een fysisch mechanisme. Dat het kán werken, beschrijf in mijn boek aan de hand van een Duits onderzoek. Dan blijft over het hitteprobleem, maar dat is algemeen bekend. Daarvoor hebben creationisten inderdaad nog geen oplossing gevonden, maar ook dat onderzoek gaat door. De koolstof-14-methode laat ik rusten. Die heb ik in mijn boek ook niet besproken, omdat deze niet direct is gelinkt aan deep time.

2. Dan hebben we het probleem van het licht van verre sterren en de lichtsnelheid. Je beschuldigt me ervan de lezer hier op het verkeerde been te zetten. Ik denk dat je hier samen met Matzke een vergissing maakt. De consequentie van het ASC-model Lisle is juist dat hij de eenrichtingssnelheid van licht als onbepaald kán veronderstellen, omdat deze niet te meten is. Het is een van de pilaren waar zijn theorie op rust. Dat Matzke dat ‘disastrous’ noemt, begrijp ik. Het is desastreus voor zijn opvatting over deep time.

Het andere punt dat Matzke in 2014 ‘disastrous’ noemt, is achterhaald sinds de publicatie van Lisle’s boek The Physics of Einstein (2018), pagina 253-272, waarin hij ingaat op de bedenkingen (objections) van onder meer Matzke tegen zijn ASC-benadering.

3. Komen we ten slotte bij jouw derde punt: mijn kritiek op gemeenschappelijke afstamming. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat je hier doet aan cherry-picking. Want in mijn boek bespreek ik veel sterkere argumenten tegen gemeenschappelijke afstamming dan je in je brief aanhaalt.

Maar goed, je haalt Woese en zijn afstammingslijnen aan. Je schrijft: ‘Jij vult dit aan met ‘Anders gezegd: er zijn geen eenduidige evolutionaire afstammingslijnen te trekken’. Het klopt dat ik dit geschreven heb. Ik constateer dat ik hier een woord ben vergeten: er zijn geen eenduidige evolutionaire afstammingslijnen uit te trekken. Ik spits deze zin toe op Woeses afstamminglijnen. Vervolgens ga ik er verder in op de afstammingslijnen. Dan blijkt dat er grote problemen zijn bij maken van eenduidige afstamminglijnen, hoewel je dat in je brief probeert te ontkennen. Ik citeer maar even uit mijn boek wat Richard Buggs, evolutiebioloog aan de Queen Mary University in zijn inaugurele rede zei, namelijk dat ‘iemands conclusie ten aanzien van levensbomen sterk afhankelijk is van iemands persoonlijke overtuiging. Geen enkele levensboom laat zich onomstotelijk bewijzen’.

Voor de andere zaken die je noemt, bijvoorbeeld Lynn Margulis en haar symbiosetheorie, de voorouders van de soorten in het Cambrium en dat je Pakicetus ziet als een voorouder van de walvis, geldt stuk voor stuk dat je er alleen in kunt geloven wanneer je de gemeenschappelijke afstamming van de soorten als vooronderstelling hanteert. En dat doe ik niet.

Ik ga met onderbouwing uit de literatuur in op de onmogelijkheid van Lynn Margulis’ endosymbiosetheorie. Ik vroeg me af: Waarom laat je uit je brief weg dat evolutionair bioloog Eugene Koonin gefundeerde kritiek op haar theorie heeft, zoals ik in mijn boek schreef? Zet je dan in je brief de lezers niet op het verkeerde been?

Over het de relatie Precambrium en Cambrium kan ik je verwijzen naar The Comprehensive Guide to Science and Faith (2021), hoofdstuk 31: Does the Fossil Record Demonstrate Darwinian Evolution? van dr. Günter Bechly. Zijn conclusie is: nee.

Dat ten slotte Pakicetus een hoefdier is geweest, blijkt niet uit mijn literatuur. ‘It was a wolf-like animal’. Maar dat maakt verder voor mijn gedachtegang niet uit. Ik geloof op grond van Genesis 1 dat walvissen (vijfde dag) en landdieren (zesde dag) zijn geschapen naar hun aard.

Jammer vind ik dat je deze brief afsluit met een insinuatie die je verder niet onderbouwt: ‘Maar de manier waarop je deze voorbeelden gebruikt is, het spijt mij dit te moeten zeggen, veelal niet correct.’ Zo’n beschuldiging kun je beter achterwege laten of deze grondig onderbouwen.

Wat mij betreft had je hoofdstuk 23 eruit gelicht. Daarin beschrijf ik:

  1. Dat de genetica en de chemie falen om de oorsprong van de genetische code te verklaren;
  2. Dat de moleculaire biologie faalt om een evolutionair mechanisme te leveren voor universele gemeenschappelijke afstamming;
  3. Dat de evolutiebiologie faalt in het geven van gedetailleerde evolutionaire verklaringen voor de oorsprong van complexe biochemische kenmerken of de oorsprong van nieuwe functionele biologische informatie;
  4. Dat de ontwikkelingsbiologie faalt om de feiten in overeenstemming te brengen met de verwachtingen van universele gemeenschappelijke afstamming;
  5. Dat het fossielenarchief faalt in het ondersteunen van het darwinistische evolutiemodel.

Dan was onze briefwisseling vast nog wat spannender geweest.

Ik kom tot een afronding. Ik heb het gewaardeerd dat je met me van gedachten wilde wisselen over mijn boek. Ook dat je pogingen hebt gedaan om er gaten in te schieten. Die zetten mij ook weer aan het denken. ‘IJzer scherpt men met ijzer; alzo scherpt een man het aangezicht zijns naasten’, zei de Spreukendichter (Spr. 27:17).

Ik heb het jammer gevonden dat je mijn Bijbelse argumenten nauwelijks aan de orde stelt in je brieven, maar dat je vrijwel uitsluitend bent ingegaan op wetenschappelijke argumenten. Ik heb dat ervaren als een eenzijdigheid in onze briefwisseling.
Ik heb vooral gemerkt dat er in onze benadering van het onderwerp schepping-evolutie een fors verschil zit. Ik benader het vanuit de theologie met een aantal wetenschappelijke noten; jij vanuit de wetenschap met een enkele theologische noot.

Toch blijf ik zitten met een vraag, die je ik aan je meegeef ter overdenking: hoe kun je het scheppingswonder uit Genesis 1 terzijde schuiven en dat lezen vanuit een evolutionair gezichtspunt, terwijl je het wonder van Christus’ opstanding wel aanvaardt; hoewel de naturalistische wetenschap beide niet kan verifiëren of falsifiëren? Hoe maak je onderscheid om wel in het ene en niet in het andere wonder te geloven? Dat botst met mijn gevoel van logica.

Tenslotte. Ik waardeer het dat we op de stof kritisch konden ingaan, maar dat de toon van de brieven goed is gebleven. Dat we hier ten dele kennen, onderschrijf ik van harte. Ik heb veel van je geleerd, en hopelijk heb je de briefwisseling niet ervaren als een verkettering van jouw mening. Waar we elkaar de hand kunnen reiken, moeten we dat ook zeker doen.

Gode bevolen!
Bart

Bronvermelding
Dit artikel is met toestemming van Cvandaag en de auteur overgenomen van Cvandaag.

Abonneer je op onze maandelijkse nieuwsbrief!