De Bijbel zelf is ons eerste fundament om te geloven in de Schepper-God van de Bijbel. Maar zijn er ook buitenbijbelse aanwijzingen voor de Schepper-God van de Bijbel?

1. Natuurwet

Er is een universele tendens van alle materie- en energiesystemen om uit elkaar te vallen. 1 De beschikbare energie wordt verbruikt en de samenhang gaat verloren. Zonder een voorgeprogrammeerd mechanisme of een intelligente actie zullen zelfs open systemen 2 zich bewegen van orde naar wanorde, van informatie naar betekenisloosheid en naar achteruitgang in de beschikbaarheid van energie. Dit is de reden waarom warmte vloeit van warm naar koud en waarom zonne-energie een dode stok niet zal laten groeien. (Dit laatste in tegenstelling tot een groene plant, die specifieke, voorgeprogrammeerde onderdelen bevat om de energie te gebruiken voor het creëren van een speciaal type van orde, die bekend staat onder de term specifieke complexiteit.) Passen we dit toe op het ontstaan van het eerste leven, dan betekent het dat zo’n specifieke complexiteit onmogelijk zou kunnen ontstaan behalve door intelligent handelen van iets van buitenaf.

Betrekken we dit op het gehele heelal, waarvan als vaststaand gegeven wordt aangenomen dat dit aan het ‘aflopen’ is tot de hittedood (oftewel van kosmos tot chaos), dan houdt dit een fundamentele tegenstelling in met de essentie van de evolutiefilosofie. Immers, daarbij gaat men uit van chaos tot kosmos en dat helemaal vanzelf. 3 4 Met andere woorden: het heelal moet zijn ‘opgewonden’ bij het begin en kan niet eeuwig bestaan hebben. Dit vereist handelend optreden door een initiator buiten het heelal om het op te winden – net zoals een klok zichzelf niet kan opwinden!

2. Levende dingen

De veranderingen die worden waargenomen in levende wezens wijzen in de verkeerde richting en kunnen dus niet dienen om evolutie van protozoa tot mens, de zogenaamde macro-evolutie, te ondersteunen. De selectie van aanwezige genetische informatie in een populatie, de resistentie voor DDT in muggen bijvoorbeeld, veroorzaakt per saldo een nettoverlies van genetische informatie in die populatie. Een mug die resistent is voor DDT is aangepast aan een omgeving waar DDT aanwezig is, maar de populatie heeft de genen verloren die aanwezig waren in de muggen die niet resistent waren voor DDT. Deze muggen stierven namelijk en hebben hun genen niet doorgegeven. Dus natuurlijke selectie en aanpassing brengen verlies van genetische informatie met zich mee. Vanuit de informatietheorie en een omvangrijk aantal experimenten en observaties weten we dat mutaties (feitelijk kopieerfouten) niet leiden tot toename van informatie noch van functionele complexiteit. 5 In plaats daarvan veroorzaken zij ‘ruis’ tijdens het overdragen van genetische informatie en vernietigen zodoende informatie. Dit proces is in overeenstemming met gevestigde wetenschappelijke principes over het effect van willekeurige veranderingen in informatiestromen. 6 Het is niet verrassend dat nu al meer dan duizend menselijke ziekten in verband gebracht worden met mutaties. Deze achteruitgang in genetische informatie door mutaties, selectie, aanpassing, soortvorming en uitsterven, past in het concept waarbij de genenbronnen oorspronkelijk zijn geschapen. Op dat moment hadden ze een hoge graad van oorspronkelijke variatiemogelijkheden, maar die verminderen sindsdien steeds verder. 

Allerlei waargenomen kleine veranderingen (‘micro’), zoals resistentie voor antibiotica in bacteriën en resistentie voor verdelgingsmiddelen in insecten, wijzen op een neergang in informatie. Op zijn best zijn die veranderingen neutraal. Zelfs als ze bij elkaar worden opgeteld zullen ze elkaar nog niet versterken om zo de vereiste (opwaartse) veranderingen te veroorzaken die nodig zijn voor ‘macro’-evolutie, ongeacht de beschikbare tijdperiode. 7 Deze kleine veranderingen worden onterecht voorgesteld als ‘bewijs voor evolutie’ in het biologieonderwijs. Ze kunnen zeker niet geëxtrapoleerd worden om de evolutie van amoebe tot mens te verklaren. Zo’n extrapolatie is te vergelijken met de volgende redenering: stel een bedrijf maakt geen winst. Vervolgens wordt betoogd dat als het elk jaar slechts een klein beetje verlies lijdt en je het bedrijf maar voldoende tijd geeft, het na een groot aantal jaren vanzelf op winst zal uitkomen. De kleine veranderingen passen echter wel heel goed in het model van schepping en zondeval.

3. Fossielen

Darwin verwachtte dat er miljoenen overgangsvormen in de fossielen gevonden zouden worden, maar er is er nog niet één gevonden. De fossielen die wel worden opgevoerd als overgangsvormen tussen verschillende soorten, zijn niet meer dan een handjevol, en bovendien betwist en aanvechtbaar. Dr. Colin Patterson van het British Museum of Natural History is de auteur van een boek over de evolutie. Op een schriftelijke vraag van een lezer waarom hij in het boek geen afbeeldingen had opgenomen van overgangsvormen in fossielen, antwoordde hij: ‘… Ik ben het helemaal eens met uw commentaar over het gebrek aan heldere illustraties van evolutionistische overgangsvormen in mijn boek. Als ik kennis zou hebben gehad van enig voorbeeld, of het nu gaat om een fossiel of levende exemplaren, zou ik deze zeker hebben toegevoegd. U vindt dat ik een artiest zou hebben moeten vragen om zulke overgangsvormen grafisch weer te geven, maar waar zou hij zijn informatie vandaan moeten halen? Ik zou die, als ik eerlijk wil blijven, niet kunnen leveren. En als ik het zou moeten overlaten aan de artistieke vrijheid [van de illustrator], zou dat dan de lezer niet misleiden?’ ‘Ik schreef de tekst van mijn boek vier jaar geleden. Als ik het nu zou schrijven, zou het, denk ik, nogal anders uitpakken. Gradualisme is een concept waarin ik geloof, niet alleen omwille van het gezag van Darwin, maar op grond van mijn kennis van de genetica. Toch is het moeilijk om Gould en de mensen van het American Museum tegen te spreken wanneer ze zeggen dat er geen overgangsvormen in de fossielen zijn. De filosofische problemen die samenhangen met het identificeren van voorouderlijke vormen in het fossielenarchief, houden mij als paleontoloog sterk bezig. U zegt dat ik op zijn minst “één foto zou moeten tonen van een fossiel waarvan elk type organisme afstamt”. Eerlijk gezegd is er niet één zo’n fossiel te vinden waarvoor men een waterdichte redenering kan opbouwen.’ 8 

Zelfs de Archaeopteryx, die zo dikwijls aangehaald wordt als de overgang tussen reptielen en vogels, vertoont geen tekenen van de cruciale overgang van schub tot veer of van poot tot vleugel. Het is natuurlijk altijd mogelijk te blijven geloven in evolutie door vast te houden aan mechanismen die niet waarneembaar zijn. 9 Maar het systematisch gebrek aan evolutionistische tussenvormen op wereldwijde schaal vormt een krachtige en positieve onderbouwing voor het bijbelse scheppingskader. Dat staat los van de theorievorming over hoe en wanneer fossielen werden gevormd.

Archaeopteryx

Een artistieke reconstructie van Archaeopteryx

4. De ouderdom van de dingen

De argumentatie voor een ‘jonge’ aarde en een ‘jong’ heelal is per definitie dezelfde argumentatie als voor het bijbelse scheppingsverhaal. Want een naturalistische evolutie heeft zeeën van tijd nodig, ervan uitgaand dat die überhaupt mogelijk is. Er zijn veel argumenten aan te voeren dat het heelal relatief jong is, 10 zoals het verval van het aardmagnetisch veld, inclusief de snelle ompolingen in het verleden, 11 kwetsbare organische moleculen in fossielen met een veronderstelde ouderdom van vele miljoenen jaren, 12 het ontbreken van genoeg helium in de atmosfeer, 13 onvoldoende zout in de zee, 14 koolstof-14 in steenkoolen aardolie waarvan gezegd wordt dat die miljoenen jaren oud zouden zijn (zie hoofdstuk 4), polystraatfossielen die door afzettingslagen heen steken en daarmee ‘miljoenen jaren’ doorkruisen, ‘ontbrekende’ geologische afzettingslagen (strata), 15 het geringe aantal overgebleven supernova restanten, 16 magnetische velden op ‘koude’ planeten, en nog veel meer (zie pag. 97-100). 

Tijd die in het verleden verstreken is, kan niet direct gemeten worden. Alle argumenten voor zowel een lange als een korte leeftijd, zijn per definitie indirect. Ze zijn dus afhankelijk van het aanvaarden van de vooronderstellingen waarop ze onvermijdelijk gebaseerd zijn. Argumenten voor een jonge aarde zijn redelijk als je beseft dat vele fossielen gevonden worden met goed bewaarde zachte delen. Om zulke fossielen tot stand te brengen is een snelle afzetting nodig en een snelle verharding van het omliggende sediment. Als we oog hebben voor de vele geologische strata en canyons die in recente tijden gevormd zijn bij rampen als vulkaanuitbarstingen en overstromingen, zijn dat indicaties dat de diepgewortelde gedachtegang van langzame en kleine veranderingen over enorme tijdsperiodes, behoorlijk op een fout spoor zit. 17 18

5. Cultureel-antropologische aanwijzingen

De realiteit van de zondvloed wordt ondersteund door honderden traditionele verhalen onder inheemse volkeren van over de hele wereld. Zij verhalen allemaal over een wereldwijde vloed met kenmerken die overeenkomsten vertonen met het bijbelse verslag. Ook wijdverspreid, hoewel minder dan bij de zondvloed, zijn de verhalen van een tijd waarin de verschillende talen zorgden voor een uiteengaan van volkeren. Pas recent is door taalkundig en biologisch bewijsmateriaal iets duidelijk geworden dat tot nog toe niet beseft werd: er bestaat nauwe genetische verwantschap tussen alle ‘rassen’ (zie hoofdstuk 18) en dit is in overeenstemming met een recente gemeenschappelijke oorsprong van alle mensen, met aan het begin een kleine bevolkingsgroep. Dit gaat in tegen de voorheen wijdverbreide opvatting dat menselijke rassen hun karakteristieke kenmerken ontwikkelden gedurende lange periodes van isolatie. Moleculair onderzoek wijst in de richting dat één vrouw de bron was van het mitochondriaal DNA (het zogenaamde Eva-DNA), dat alle tegenwoordig levende mensen bezitten, en dat dit tamelijk kort geleden is geweest. 19 Zo’n bewijs kan in een evolutionistisch model gewurmd worden, maar was geen directe voorspelling vanuit dit evolutionistische model. Wel past het volledig in het model van de bijbelse schepping.

metamorfose vlinder

De strak georganiseerde metamorfose van een rups via een pop tot vlinder zet vraagtekens bij evolutie als verklaring voor zijn bestaan. Dit omdat bij evolutie (kleine) stapsgewijze veranderingen nodig zijn.

6. Ontwerp en complexiteit

Er zijn biologische systemen die ongelooflijk complex in elkaar grijpen. Het is niet mogelijk je hiervan een eenvoudiger versie voor te stellen, waarbij het systeem slechts gedeeltelijk zou werken, omdat die vereenvoudiging direct levensbedreigend zou zijn voor het voortbestaan ervan. 20 Voorbeelden hiervan zijn het bloedstollingssysteem, het bacteriële flagellum (gebruikt voor de voortbeweging), het mechanisme dat zorgt voor fotosynthese en de metamorfose van rupsen tot vlinders. Er zijn voorbeelden te over in levende wezens. De immense complexiteit van de menselijke hersenen is waarschijnlijk het meest voor de hand liggende bewijsmateriaal voor een intelligente schepping. Denk eens aan de creativiteit van de mens en de mogelijkheid tot abstract redeneren. Al deze vermogens van de menselijke hersenen overstijgen veruit het niveau dat nodig is voor simpelweg overleven. Op moleculair niveau is de wijze waarop levende dingen zijn georganiseerd, wezenlijk verschillend van bijvoorbeeld een kristalstructuur. Het functioneren van een bepaald eiwit is afhankelijk van de volgorde waarin de onderdelen zijn geplaatst. De gecodeerde informatie om de componenten in deze volgorde te plaatsen is niet, zoals bij de structuur van een kristal, een eigenschap van de chemie van deze componenten, maar opgelegd van buitenaf. 

buitenbijbelse aanwijzingen God

Tijdens de voortplanting wordt de informatie die nodig is voor het maken van een levend organisme ‘ingestempeld’ op substraten en zorgt zo voor een voorgeprogrammeerd patroon. Het ‘ouderlijk’ systeem dat dat instempelt, is in complexiteit gelijkwaardig (of groter) dan het voortgebrachte ‘kind’systeem. En als je terugkijkt, moet voor het totstandkomen van het ouderlijke systeem hetzelfde hebben gegolden. Er zijn geen spontane fysisch-chemische processen bekend die dergelijke opeenvolgende reeksen van informatiedragers kunnen voortbrengen. De enige mogelijkheid zijn voorgeprogrammeerde machines en daarvoor is intelligentie van buitenaf noodzakelijk. De meest voor de hand liggende conclusie uit deze waarnemingen is dat intelligentie van buitenaf verantwoordelijk moet zijn voor het enorme potentieel aan biologische informatie die is vastgelegd in de vorm van hele populaties volledig functionerende organismen. 21 Deze intelligentie overtreft de menselijke intelligentie, en dat is opnieuw in overeenstemming met het concept van God zoals in de Bijbel geopenbaard.22

Hoe bestaat het?

Dit artikel is met toestemming overgenomen uit het boek: Batten, D., & Mediagroep In Genesis. (2009). Hoe bestaat het! 60 vragen over schepping, evolutie en de Bijbel (3de editie). Bladzijde 27-34. De Banier.

Dit boek is tevens te koop in onze webshop: https://webshop.logos.nl/winkel/doelgroep/bovenbouw-middelbare-school/hoe-bestaat-het/

Tags: buitenbijbelse aanwijzingen God. buitenbijbelse aanwijzingen God. 

Voetnoten

  1. Dit is een aspect van de tweede wet van de thermodynamica, zie ook pag. 24-25.
  2. Zijn in staat tot het uitwisselen van energie/materie met hun omgeving.
  3. C.B. Thaxton, W.L. Bradley en R.L. Olsen, The Mystery of Life’s Origin, Lewis and Stanley, Dallas, Texas, 1984. Deze specialisten in de thermodynamica tonen aan dat de thermodynamica een groot probleem vormt voor het naturalistische ontstaan van leven.
  4. A.E. Wilder-Smith, The Natural Sciences Know Nothing of Evolution, Master Books, San Diego, CA, 1981.
  5. L. Spetner, Not by Chance! Shattering the Modern Theory of Evolution, The Judaica Press, Inc., Brooklyn, NY, 1979.
  6. Dit is vergelijkbaar met de ruis toegevoegd tijdens het kopiëren van een cassettebandje. De kopie is nooit beter dan het origineel. Zie ook www.creation.com/infotheory.
  7. L.P. Lester en R.G. Bohlin, The Natural Limits of Biological Change, Probe Books, Dallas, Texas, 1989.
  8. Brief (geschreven op 10 april 1979) door dr. Colin Patterson, toentertijd Senior Palaeontologist bij het British Museum of Natural History in Londen, aan Luther D. Sunderland, zoals geciteerd in L.D. Sunderland, Darwin’s Enigma, Master Books, San Diego, USA, 1984, p. 89. Patterson probeerde daarna de betekenis van deze zeer duidelijke stelling te relativeren.
  9. Zoals punctuated equilibrium of andere secundaire veronderstellingen. Meer over het idee van punctuated equilibrium op de laatste pagina van hoofdstuk 7.
  10. Bron: J.D. Morris, The Young Earth, Master Books, USA, 1984. Aanbevolen artikel: De kosmos. Bewijs voor miljarden jaren?
  11. J. Sarfati, The Earth’s magnetic field: evidence that the Earth is young, Creation 20(2):15–17, 1998; www.creation.com/magfield
  12. Bijvoorbeeld Vloeibaar bloed in oeroude mammoet en DNA en botcellen gevonden in dinosaurusbot en Zacht weefsel in dinosaurusbotten: onmogelijk miljoenen jaren oud!.
  13. J.Sarfati, Blowing old-Earth beliefs away, Creation 20(3):19–21, 1998.
  14. J.Sarfati, Salty seas, Creation 21(1):16–17, 1998; www.creation.com/salty.
  15. Dat is waar er ‘ontbrekende’ lagen zijn volgens de standaard geologische kolom en de miljoenen-jaren-tijdsschaal, wat suggereert dat de ontbrekende lagen niet de beweerde miljoenen jaren vertegenwoordigen. Zie A. Snelling, The case of the missing geologic time, Creation 14(3):31–35, 1992.
  16. J. Sarfati, Exploding stars point to a young universe. Creation 19(3):46–48, 1997.
  17. Mount St Helens: Explosive Evidence for Catastrophe in Earth’s History, video met dr. Steve Austin, Creation Videos.
  18. Zie hoofdstuk 3, ‘Zijn koolstofdateringen betrouwbaar?’
  19. C. Wieland, A shrinking date for ‘Eve’, Journal of Creation 12(1):1–3, 1998.
  20. M.J. Behe, Darwin’s Black Box, The Free Press, New York, 1996.
  21. W. Gitt, In the Beginning Was Information, Christliche Literatur-Verbreitung, Bielefeld,Germany, 1997 (de Duitse uitgave verscheen in 1994).
  22. Sinds dit boek is gepubliceerd is er nog weer meer bekend geworden over de complexiteit van het leven en de hoeveelheid informatie in de cel/het DNA. Meer hierover lees je bijvoorbeeld van Peter Borger en in dit en dit boek