Het causale evolutieonderzoek heeft een onoverbrugbaar bewijsprobleem: Zij moet op basis van proefondervindelijke wetten (beschrijving van berekenbare en voorspelbare gebeurtenissen) een volgens haar eigen theorie toevallige ontwikkeling bewijzen. De beweerde lange tijdsperioden (waarin macro-evolutionaire ontwikkelingen zouden hebben plaatsgevonden) en inhoudsloze uitspraken (zoiets als, dat de evolutie “gericht”, maar niet “doelgericht” verloopt), beschermen de theorie voor tegenargumenten.

Voor- en tegenstanders van de evolutietheorie hebben exact dezelfde gegevens tot hun beschikking. De basisprincipes voor de betreffende interpretaties van de ter beschikking staande gegevens reiken bij beiden precies even ver – namelijk niet verder dan de huidige waarneming of het huidig experiment alsook het huidig bewijs door proefondervindelijke wetten (causaliteit, wetmatigheden). Het verleden laat zich daarentegen slechts zeer beperkt waarnemen of experimenteel bewijzen.

Historisch en causaal evolutieonderzoek

Het zogenaamde historisch evolutieonderzoek met de vakken vergelijkende biologie en fossielenonderzoek beschikken slechts over de gegevens van tegenwoordig bestaande en voorhanden zijnde overblijfselen van dode levende wezens, waaronder fossielen. Het causale evolutieonderzoek met de vakgebieden van soortenvorming door de zogenaamde evolutiefactoren (mutatie en selectie) alsook het moleculaire evolutieonderzoek probeert op basis van huidige gegevens actuele proefondervindelijke wetten of wetmatigheden voor de ontwikkeling te bewijzen. Zo zijn bij het historische evolutieonderzoek feiten van het heden in het verleden te interpreteren, terwijl bij het causale evolutieonderzoek in het heden gevonden proefondervindelijke wetten naar het verleden geëxtrapoleerd worden!

Bij de overdraging van de proefondervindelijke wetten naar het verleden alsook de naar het verleden gerichte interpretaties van fossielen speelt het wereldbeeld de beslissende rol. Waarneming en geloof vermengen zich onvermijdelijk. Omdat enkele gegevens (bijvoorbeeld het uiterlijk van een enkel fossiel) en enkele proefondervindelijke wetten nog geen beeld van het verleden geven, moeten vele gegevens en meerdere proefondervindelijke wetten tot één geheel (voor een theorie over het verleden) gecombineerd worden.

Omdat de gegevens actueel en talrijk, en de proefondervindelijke wetten actueel en zeer complex zijn, is de vereniging tot een ook maar bij benadering consistente (in zich zonder tegenspraken en sluitend) theorie zonder de richtlijnen van een zeker wereldbeeld helemaal niet mogelijk. Het beeld van het verleden ontstaat daarom onvermijdelijk uit de combinatie van waarneming en geloof, of uit de combinatie van de methoden der inductie en deductie (afleiding van het algemene vanuit het enkele en omgekeerd).

Het bewijsprobleem

Empirisch kunnen slechts actuele of niet veranderde feiten en proefondervindelijke wetten bewezen worden. Aangezien echter het actuele feitenbewijs voor de oorsprong en een in het verleden liggende ontwikkeling van materie en leven totaal wegvalt, blijft daarvoor slechts het indirecte bewijs middels actuele proefondervindelijke wetten met de aanname van gelijke omstandigheden in het verleden. Ervaringsregels doen zich kennen – zoals alle wetmatigheden – als berekenbare, voorspelbare, nauwkeurig gedefinieerde werkelijke gebeurtenissen.

De causale evolutieonderzoekers hebben daarom een onoverbrugbaar bewijsprobleem: Zij moeten met berekenbare en voorspelbare gebeurtenissen een volgens eigen theorie toevallige, dat wil zeggen niet berekenbare en onvoorspelbare ontwikkeling bewijzen. Dat is onmogelijk! De factor toeval maakt het empirische onderzoek van de macro-evolutie, dat wil zeggen de gemeenschappelijke afstamming en ontwikkeling vanaf het begin, onmogelijk!

Conclusie

Aangezien middels de, door het causale evolutieonderzoek gezochte proefondervindelijke wetten, toevallige ontwikkelingen niet bewezen kunnen worden, deugt voor de bewijsvoering van de veronderstelde macro-evolutie op zich, uitsluitend het historisch evolutieonderzoek van de paleontologie, waarbij haar de geologie en in beperkte mate de archeologie te hulp komt, voor het verband van de factor tijd in de datering van gesteenten, waarin de fossielen gevonden worden; met gevaar van wederzijdse beïnvloeding bij de interpretatie van de feiten. Historisch evolutieonderzoek is geen empirische wetenschap.1

Voetnoten

  1. Literatuur: Dieter Aebi, Prozessakte Evolution, Evolution contra Kreation aus juristischer Sicht, Dillenburg 2006, S. 9.

LEUK ARTIKEL?
Bent u blij met dit artikel? Het onderhoud en de ontwikkeling van deze website vragen financiële offers. Zou u ons willen steunen met een maandelijkse bijdrage? Dat kan door ons donatieformulier in te vullen of een bijdrage over te schrijven naar NL53 INGB000 7655373 t.n.v. Logos Instituut. Logos Instituut is een ANBI-stichting en dat wil zeggen dat uw gift fiscaal aftrekbaar is.

95 Stellingen

Written by

Weliswaar zijn sinds de eerste uitgave van Charles Darwins boek "Het ontstaan van soorten" op 24 november 1859 ontelbare feiten bekend geworden, die heel duidelijk tegen de evolutietheorie spreken, maar het geloof in evolutie, oerknal en een vele miljoenen jaren oude aarde heeft zich diep in het bewustzijn van de moderne maatschappij ingenesteld. Hierbij heeft deze wereldbeschouwing langzamerhand een fundamentalistisch karakter aangenomen. In geen ander gebied van de wetenschap worden kritische stemmen zo onzakelijk en heftig aangevallen als op dit gebied van onderzoek. Wie twijfelt, wordt uit het debat over de oorsprongsvragen uitgesloten en niet zelden bestreden. De eigenwijsheid van de leidende disciplines in wetenschap, onderwijs en media doet denken aan de koppigheid, waarmee de Rooms Katholieke kerk in de Middeleeuwen haar toenmalige wereldbeeld verdedigd heeft. Op 31 oktober 1517 heeft de hervormer Maarten Luther 95 stellingen gepubliceerd, waarmee hij de toenmaals wijdverbreide aflaatpraktijk ter discussie stelde. Deze bemoeienis heeft een kettingreactie veroorzaakt, die uiteindelijk tot de Reformatie leidde. Op gelijke wijze moeten de hier aanwezige 95 stellingen tot een verandering van denken in het oorsprongsdebat bijdragen. Met deze publicatie willen wij ons ervoor inzetten, dat in de discussie over de oorsprong van de mensheid, het aardse leven en de kosmos een open omgang met wetenschappelijke gegevens, interpretaties en wereldbeschouwelijke stellingnamen* mogelijk wordt.