Cellen van het ongeboren kind komen via de moederkoek (placenta) in het bloed van de moeder terecht. De meeste van deze cellen worden door het moederlichaam afgebroken, maar een aantal gaat in organen van de moeder ‘wonen’. Dit gebeurt zowel met cellen van mannelijke als vrouwelijke foetussen.

Hoe werkt microchimerisme?

Niet alleen geeft de foetus cellen aan de moeder door, het omgekeerde vindt ook plaats: cellen van de moeder die in het kindje terechtkomen. Daardoor kun je als kind ook bijvoorbeeld cellen hebben van je oma van moeders kant. Of als je oudere broers en zussen hebt, cellen van hen. Het gaat om kleine aantallen, in het ene orgaan meer dan in het andere. Dat varieert van 1 vreemde cel per 2.000 cellen tot 1 vreemde cel per 20.000 cellen – of nog minder. Een deel van deze niet-eigen cellen zijn tot tientallen jaren later nog aanwezig en helemaal in de organen ingebouwd. Dit verschijnsel heet microchimerisme. Dat woord is afgeleid van de figuur uit de Griekse mythologie die een samenstelling is van meerdere beesten: de chimera. ‘Micro’ geeft aan dat het om kleine hoeveelheden gaat. Zouden deze vreemde cellen een effect hebben? Er zijn sterke aanwijzingen dat dit het geval is!

Invloed op ziekten

Onderzoekers denken dat microchimerisme de foetus helpt zich goed te ontwikkelen, ook na de geboorte. De cellen van het kind helpen dan de moeder gezond te maken en te houden. Op die manier kan ze voor het kindje zorgen zolang dat nodig is. Zo helpen cellen van de foetus bij het genezen van wonden bij de moeder. Een voorbeeld: na een keizersnede zijn er in de buurt van het litteken meer cellen afkomstig van het kindje te vinden. Die cellen kunnen ook helpen om nieuwe bloedvaten te maken bij de moeder. Of ze gaan een rol spelen in het afweersysteem van de moeder. Een mindere mate van microchimerisme kan ook in negatieve zin een rol spelen, bijvoorbeeld in de hersenen bij het ontstaan van de ziekte van Alzheimer. De kans op kanker lijkt ook groter als er sprake is van microchimerisme in een orgaan. Een voorbeeld hiervan is de hogere aanwezigheid van foetale cellen in de borsten van moeders. Meestal zorgt dat ervoor dat de moeder meer melk aanmaakt. Maar het kan ook borstkanker veroorzaken in de eerste jaren na de geboorte van een kind. En juist dan is de hoeveelheid foetale cellen in de borsten het grootst. In sommige gevallen is het belangrijk of de immuuncellen bij moeder en kind van hetzelfde type zijn. Dat bepaalt of microchimerisme voor verbetering, of juist verergering van een ziekte zorgt. Dit is het geval bij verschillende auto-immuunziekten, zoals Systemische Lupus Erythematosus (SLE), reumatoïde artritis en het syndroom van Sjögren. Zijn de immuuncellen bij moeder en kind van hetzelfde type, dan is er vaak een verbetering te zien en neemt de ziekte af. Als de immuuncellen van een verschillend type zijn, dan leidt dat regelmatig tot een verergering van de ziekte.

Ernstig conflict

Het immuunsysteem van de moeder probeert de invasie van foetale cellen te verminderen door die cellen zo veel mogelijk op te ruimen. Dit zorgt voor een betere balans tussen de gezondheid van de moeder en de gezondheid van het groeiende kindje. Te weinig cellen van het kind in het moederlichaam is niet goed, maar te veel ook niet. Een teveel aan foetuscellen in de moeder kan namelijk leiden tot een conflict tussen deze foetuscellen en de lichaamseigen cellen van de moeder. De embryonale cellen die de placenta gaan vormen kunnen de afweercellen van de moeder uitschakelen. Ook kunnen de cellen van het kindje zich sneller gaan delen, waardoor het immuunsysteem van de moeder moeite heeft om ze op te ruimen. Daardoor kunnen zowel de moeder als het kindje ziek worden. Dit gebeurt bijvoorbeeld bij zwangerschapsvergiftiging of zwangerschapsdiabetes. Mogelijk speelt het conflict tussen cellen van moeder en kind ook een rol bij postnatale depressie.

Behandeling

Dat je immuunsysteem kan leren om niet op lichaamsvreemde cellen te reageren zodat die ingebouwd kunnen worden in je organen, opent een hele nieuwe wereld. Zo kunnen bijvoorbeeld mensen die een genetische afwijking hebben behandeld worden. Laatst was in het nieuws dat onderzoekers in Leiden een grote subsidie hebben gekregen voor de behandeling van broze bottenziekte (osteogenesis imperfecta) met behulp van stamcellen. Deze mensen hebben een tekort aan collageen, een eiwit dat onder meer belangrijk is voor sterke botten. De onderzoekers willen stamcellen uit de levers van geaborteerde foetussen al voor de geboorte toedienen aan foetussen met broze bottenziekte. Het is bekend dat deze foetale leverstamcellen bijna geen afweerreactie veroorzaken. Bovendien is het immuunsysteem van het ongeboren kind nog niet volgroeid, waardoor het minder op de cellen zal reageren. Door de cellen al voor de geboorte te geven hopen de onderzoekers dat er genoeg stamcellen ingebouwd worden die wel collageen aanmaken. Hierdoor, zo is het idee, zullen bij deze kinderen minder botbreuken optreden. Ze groeien beter en zullen minder last hebben van vergroeiingen. Ook na de geboorte zullen de onderzoekers deze foetale leverstamcellen blijven toedienen. Dit is nodig omdat het lichaam van het kindje de lichaamsvreemde cellen alsnog deels zal proberen op te ruimen. Dan zijn extra stamcellen nodig zodat er toch genoeg collageen wordt aangemaakt om echt een verschil bij deze ziekte te maken. Als de behandeling werkt, zal ze ook bij andere aangeboren ziekten toegepast gaan worden.

Het gebruik van foetale stamcellen ligt bij veel mensen gevoelig. En terecht! Gelukkig wordt er momenteel ook onderzoek gedaan naar het gebruik van stamcellen uit de navelstreng van pasgeboren baby’s. Het onderzoek met die stamcellen is helaas nog niet zo ver als het onderzoek met de foetale leverstamcellen. Maar als blijkt dat de stamcellen uit de navelstreng ook geschikt zijn voor de behandeling van ziekten als broze bottenziekte, dan zal het gebruik van foetale leverstamcellen waarschijnlijk verminderen.

MICROCHIMERISME BIJ ORGAANDONATIE
Al in 1969 werd chimerisme ontdekt. Dat gebeurde na een transplantatie bij een vrouw die een lever had gekregen van een mannelijke donor.

Honderd dagen na de transplantatie bleek dat de levercellen en de bloedvaten in de lever nog steeds mannelijk waren, maar dat alle afweercellen in die lever van de vrouw zelf waren.

Soms worden organen na transplantatie afgestoten; er komt dan een afweerreactie op gang tegen het lichaamsvreemde orgaan. Onderzoekers vroegen zich af waarom dat niet altijd gebeurt. Het antwoord is dat bij de ontvangers die het orgaan niet afstoten witte bloedcellen uitgewisseld worden tussen het donororgaan en de ontvanger. Hierdoor leert het immuunsysteem dat de cellen bij het lichaam horen. Dan valt het lichaam die cellen dus niet meer aan. Dat is wat er bij die vrouw met de getransplanteerde lever gebeurde. Hetzelfde gebeurt dus ook bij de cellen van een kindje die tijdens de zwangerschap in de moeder zijn gekomen en bij haar tientallen jaren overleven: hierop reageert het immuunsysteem van de moeder ook niet meer.

Dit artikel is met toestemming overgenomen uit Weet Magazine. De volledige bronvermelding luidt: Zoer, B., 2016, Cellen van een ander in je lijf. Je draagt zo’n beetje je hele familie met je mee!, Weet 41: 28-30.

LEUK ARTIKEL?
Bent u blij met dit artikel? Het onderhoud en de ontwikkeling van deze website vragen financiële offers. Zou u ons willen steunen met een maandelijkse bijdrage? Dat kan door ons donatieformulier in te vullen of een bijdrage over te schrijven naar NL53 INGB000 7655373 t.n.v. Logos Instituut. Logos Instituut is een ANBI-stichting en dat wil zeggen dat uw gift fiscaal aftrekbaar is.

Written by en

Cellen van het ongeboren kind komen via de moederkoek (placenta) in het bloed van de moeder terecht. De meeste van deze cellen worden door het moederlichaam afgebroken, maar een aantal gaat in organen van de moeder ‘wonen’. Dit gebeurt zowel met cellen van mannelijke als vrouwelijke foetussen.

Niet alleen geeft de foetus cellen aan de moeder door,

...
Read more