Fossielen, versteende overblijfselen van organismen, worden vaak aangehaald als ‘bewijs’ voor evolutie. Ze zouden: 1) lang geleden zijn gevormd, en 2) een volgorde laten zien van simpele in de onderste (oudste) aardlagen naar complexe levensvormen in de hogere (jongere) aardlagen.

Het is frappant dat in de laatste tien tot vijftien jaar regelmatig DNA, eiwitten en niet-gefossiliseerd weefsel in dinosaurusfossielen zijn aangetroffen. De wetenschap staat voor een raadsel, want men achtte het onmogelijk dat dergelijke moleculen en weefsels tientallen miljoenen jaren de tand des tijds kunnen doorstaan. Voor mijn onderzoek moet ik weefsels en eiwitten bij -80 °C opslaan om later nog wat zinvols over de eiwitten in spierweefsel te kunnen zeggen; zo snel vergaan deze structuren! De vraag rijst dus of die fossielen echt wel tientallen miljoenen jaren oud zijn.

Men veronderstelt dat aardlagen in het algemeen langzaam zijn afgezet. Gebaseerd op dit principe zijn de aardlagen gedateerd, lang voor de komst van radiometrische dateringsmethoden. Het wekt wellicht verbazing dat de radiometrische leeftijden zijn afgesteld aan de hand van de leeftijd die men al eerder had bepaald met gidsfossielen (fossielen die maar in één aardlaag voorkomen) en de veronderstelde afzettingssnelheid. Hier rijst een probleem, want fossielen die door meerdere aardlagen heen steken (polystraat) en recente rampen laten zien dat dikke aardlagen snel kunnen worden afgezet:
In dagen in plaats van miljoenen jaren! Fossilisatie moet plaatsvinden voordat het weefsel is weggerot en kan dus alleen optreden tijdens snelle sedimentatie. Een dergelijke snelle sedimentatie verklaart ook fossielen van bijvoorbeeld een vis die bezig is een andere vis te verorberen. Ook hier rijst de vraag of fossielen echt wel miljoenen jaren oud zijn.
Het komt regelmatig voor dat de volgorde van de fossielen in de aardlagen tegengesteld is aan de veronderstelde evolutie. Zo zijn er vogelfossielen gevonden in lagen die ouder zijn dan de lagen waarin de ‘oervogel’ Archaeopteryx is gevonden, en treft men fossielen van tetrapoden (vierpotige landdieren en amfibieën) in oudere aardlagen aan dan hun veronderstelde voorouders.

Ten slotte blijkt dat fossiele overgangsvormen systematisch ontbreken. Darwin lag er al wakker van, en ondanks meer dan 150 jaar fossielen verzamelen blijven de missing links precies dat: missing links!
Zijn dit, en de beperkte variatie die met telen en fokken bereikt kan worden, niet voldoende aanwijzingen voor een scheppingsmodel in plaats van een evolutiemodel?
Dit artikel is met toestemming overgenomen uit Weet Magazine. De volledige bronvermelding luidt: Degens, H., 2017, In weerwil van de fossielen, Weet 48: 39.

LEUK ARTIKEL?
Bent u blij met dit artikel? Het onderhoud en de ontwikkeling van deze website vragen financiële offers. Zou u ons willen steunen met een maandelijkse bijdrage? Dat kan door ons donatieformulier in te vullen of een bijdrage over te schrijven naar NL53 INGB000 7655373 t.n.v. Logos Instituut. Logos Instituut is een ANBI-stichting en dat wil zeggen dat uw gift fiscaal aftrekbaar is.

Written by en

Dr. ir. H. Degens is professor Spierfysiologie aan een Britse Universiteit en heeft meer dan 25 jaar spieronderzoek gedaan. Hij studeerde biologie aan de Universiteit Wageningen en promoveerde aan de Radboud Universiteit te Nijmegen op de effecten van leeftijd en training op de structuur en de functie van de skeletspier. Sinds die tijd heeft hij gewerkt aan diverse universiteiten in Nederland en het buitenland. Daarnaast was hij Consultant voor de German Aerospace Institue, Areospace medicine Keulen (D) om de effecten van microgravity op de spier te onderzoeken. Hij heeft meer dan 120 artikel op zijn naam staan en ook meegewerkt aan een aantal hoofdstukken in boeken.