Aanhangers van de zogenaamde “derde weg” 1 maken vaak aanpassingen bij de verklaring van de Scheppingsdagen om ruimte te kunnen maken voor hun leer van Theïstische evolutie. Dit geldt met name voor voorstanders van de zogenaamde kadertheorie. Onder deze voorstanders horen o.a. prof. A. Noordtzij, drs. J.J.T. Doedens en prof. dr. J. Douma. In dit artikel wordt nader op deze theorie ingegaan.

tijd_clock.pixabay

“Hoe is dit mogelijk als deze zevende dag ook nu als dag zonder einde nog voortduurt?”

Dagen, zijn dagen, maar niet letterlijk?

Laten we eerst opnoemen de zaken die zouden pleiten voor de derde weg al dan niet met de kadertheorie:

1. Men heeft met name moeite om wetenschappelijk te kunnen verklaren dat op dag 1 het licht werd geschapen (Gen. 1:3), terwijl op dag 4 er pas lichtdragers (“lichten”) als zon, maan en sterren geschapen zijn (Gen. 1:14-18). Men stelt dat de afwezigheid van de zon op dag 1-3, maakt dat het geen zonnedagen van 24 uur konden zijn geweest. Ook dat pleit tegen gewone dagen. Dat zou een argument zijn voor een niet letterlijk opvatten van “dagen”

2. Ook wordt wel aangevoerd dat de rangtelwoorden in het Hebreeuws van dag 1 en dag 6 (waar staat dag 1 en dag 6) anders zijn dan van dag 2-5 (waar staat tweede dag, derde dag etc.). Daarom zou het niet gaan om een gewone rangschikking.

3. Ook wordt wel gesteld dat dag 7 een dag zonder einde zou zijn. Want in de woorden over dag 7 (Gen. 2: 1-3) staat niet dat het avond en morgen was geweest, zoals dat bij de andere dagen staat vermeld. Ook dat zou reden zijn om dan maar alle dagen niet letterlijk op te vatten.

Alles bij elkaar genomen is er voor aanhangers van de derde weg in hun ogen ook in de Schrift zelf voldoende bewijs om te concluderen dat de dagen van Genesis 1 wel vermeld staan als gewone dagen in een vertelling, maar niet als feitelijke historische, niet als letterlijke dagen, zoals wij die kennen.

Dagen en hun refrein

Ik wil daar graag het volgende op antwoorden:

1. Bij dag 1-3 keer klinkt al het refrein het is avond geweest en het is morgen geweest de 1e, 2e, 3e dag. De dag wordt dan al opgedeeld in licht en donker, in dag en nacht. Samengenomen gewoon “dag” genoemd, terwijl er dan nog geen zon is. Het licht wordt op dag 1 namelijk apart door God geschapen los van een bekende lichtdrager als de zon. Hij, God de Almachtige, schiep het licht zonder hulp van de zon! Daarmee geeft God ook aan dat alleen Hem alle verering toekomt en niet de zon die vaak als God vereerd werd in oosterse landen. Dag 4-6 hebben hetzelfde refrein toen was het avond geweest en het was morgen geweest de 4e 5e 6e dag. Vanaf de 4e dag is dat dus met de geschapen zon erbij. Die werd door God toegevoegd aan het bestaande licht, als lichtdrager om voortaan heerschappij te hebben over dag en nacht. Het onderscheid dat er al was maar nu wordt voortgezet met lichtdragers. Na elke dag dus hetzelfde refrein. Bij dag 1-3 zonder zon en bij dag 4-6 met zon. God laat zo de voortgang zien van zijn schepping over de 6 dagen. Van globaal naar specifiek, van minder naar meer. De conclusie is dan ook dat dag 1-3 van dezelfde soort waren als dag 4-6. Allen hadden een periode van licht en donker, van dag en nacht, en werden door avond en morgen aan elkaar verbonden.

2. Het verschillend gebruik van rangtelwoorden komt ook elders in Gods Woord voor. Het is geen argument om de rangschikking in de dagen van Genesis te miskennen.

3. Op dag 7 is er geen schepping meer, maar rust. Gods werkdagen zijn ten einde. Er klinkt dan ook geen refrein meer. Dat wil niet zeggen dat dag 7 daarom geen einde kent. Want dag 7 wordt juist als dag apart gezet door God: geheiligd! Op basis daarvan vormde God een week van zeven dagen, van zes plus één. Als scheppingseenheid die heel de tijd van de wereld moet dienen om de sabbatdag teken te laten zijn van de eeuwige sabbatsrust die komt (Hebr. 4).

Hoe is dit mogelijk als deze zevende dag ook nu als dag zonder einde nog voortduurt?

staalwerk_kader.pixabay

“Er zijn enkele specifieke kenmerken die alléén de kadertheorie gelden. Deze theorie gaat ervan uit dat elke dag van Gen. 1 een soort fotolijst is waarin iets van het grote verhaal van de schepping wordt weergegeven.”

Kadertheorie

Er zijn enkele specifieke kenmerken die alléén de kadertheorie gelden. Deze theorie gaat ervan uit dat elke dag van Gen. 1 een soort fotolijst is waarin iets van het grote verhaal van de schepping wordt weergegeven.

Door de meeste aanhangers van de kadertheorie wordt verdedigd dat de “beelden” van dag 1-3 corresponderen met de “beelden” van dag 4-6. En wel zo, dat wat op dag 1 geschapen wordt als ruimte, vervolgens gevuld wordt met de schepselen of vormsels van dag 4. Dag 1 en 4 gaan dan over hetzelfde gebeuren, wat zich in heel lange tijd heeft voltrokken. Dat geldt ook voor het koppel dag 2 en 5, en het koppel dag 3 en 6.

De dagen in deze theorie zijn wel “gewone dagen”, maar dan niet letterlijk historisch en zelfs niet in chronologische volgorde, in tijdsvolgorde. Het zijn plaatjes in een lijst, die iets vertellen. Daarbij is de volgorde minder belangrijk.

Op deze manier creëert men ruimte voor een theïstische evolutie en een oude wereld van miljarden jaren. Ruimte: Ik zeg niet dat alle voorstanders daar persé in geloven. Maar ze claimen dat Genesis daarvoor de ruimte biedt. Daarvoor wordt vrijheid in exegese gevraagd.

Antwoord op de kadertheorie

Tegenover de symbolische uitleg met ruimte voor evolutie, dient Genesis zich juist aan als een voluit historisch boek. Gen 1: 1 – 2:3 vormt een inleiding en nadere invulling op wat er in de rest van Genesis op volgt nl. de toledothen, letterlijk de geschiedenissen. Vanaf Gen. 2:4 wordt beschreven de geschiedenis van de hemel en de aarde. Gevolgd door de geschiedenis de mens Adam, enz. tot aan die van Abraham, Isaak en Jacob (Gen. 37-einde). Niet alleen Gen. 2:4v grijpt terug naar Gen.1, dat geldt ook voor Gen. 5. Daar wordt opnieuw een stap terug in de tijd gezet. bij het begin van een geschiedenis. Niets in Gen. 1-2:3 zelf wijst erop dat het hier iets anders dan een letterlijke geschiedenis betreft. Ook de literaire vorm die God in Gen. 1 en 2 laat gebruiken, doet daar niets van af. Dit is even klaarblijkelijk als in 1926 door de kerken m.b.t. het spreken van de slang in Gen. 3 werd vastgesteld. Wel gaat het hier om bovennatuurlijke wonderen van God, die geloof vragen. Maar ze spelen zich in de tijd af, die begon in Gen. 1:1.

De kadertheorie wil de dagen van Genesis verklaren als literaire aanpassing (accommodatie) van God aan de mens. Maar daartegenover staat dat God van ons vraagt dat wij ons nu juist aan Hem en zijn letterlijke dagen aanpassen. Het vierde gebod in Ex. 20 zegt dit heel stellig (Let op “want”): Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen maar de zevende dag is de sabbat van de Heere uw God dan zult gij geen werk doen, …. Want in zes dagen heeft de Heer de hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daar in is. En Hij rustte op de zevende dag.

De gevolgen van de kadertheorie

De kadertheorie stelt dat het doel van Gen. 1 en 2 is het eren van God in het verbond door Israël. Daar zou de vertelvorm op gericht zijn. Mozes zou zo aan Israël een schets van God als de trouwe Verbondsgod hebben gegeven. Ook speciaal met het doel om te komen tot het vieren van de sabbat als een aan God gewijde dag.

Maar er is toch veel meer over Gen. 1 en 2 te zeggen? Moeten we niet beginnen met het feit dat God Zich Zelf verlustigt over Zijn werken? Vergelijk Ps. 104:24 met Gen.1:31-2:3. Ook Christus en zijn apostelen wijzen terug op dit begin m.b.t. de sabbat (Ex.20:8-11; Marc.2:27; Hebr.4:4), het beeld van God zijn (Gen.1:26; 1 Kor.11:7; Jak.3:9), het huwelijk en de man-vrouw verhouding (Gen. 2:18-25, Matt.19:4-6; 1 Kor.11:8; 1 Tim.2:13), heterofilie en homofilie (Rom.1:26-27), naaktheid en schaamte (Gen.2:25), het proefgebod (Gen.2:16-17), de vloek over de zonde (Gen. 2:17), de situatie van de zondeval (Gen. 3), en de daaraan door God verbonden moederbelofte.

Wanneer de dagen van Gen. 1 en 2 worden tot een “vertelvorm”, is heel Gods Schepping slechts een “verhaal”, geen feitelijke geschiedenis, en valt de vaste grond onder dit alles weg.

Dit artikel is met toestemming overgenomen van www.eeninwaarheid.info.

Voetnoten

  1. Zie vorig artikel: http://logos.nl/genesis-tegenover-evolutieleer/

LEUK ARTIKEL?
Bent u blij met dit artikel? Het onderhoud en de ontwikkeling van deze website vragen financiële offers. Zou u ons willen steunen met een maandelijkse bijdrage? Dat kan door ons donatieformulier in te vullen of een bijdrage over te schrijven naar NL53 INGB000 7655373 t.n.v. Logos Instituut. Logos Instituut is een ANBI-stichting en dat wil zeggen dat uw gift fiscaal aftrekbaar is.

Written by

Dr. S. de Marie is predikant van de Gereformeerde Kerk (hersteld) te Zwolle e.o.

2 Comments

Rafael Benjamin

Geachte heer De Marie,

U schrijft: ‘Dit is even klaarblijkelijk als in 1926 door de kerken m.b.t. het spreken van de slang in Gen. 3 werd vastgesteld. Wel gaat het hier om bovennatuurlijke wonderen van God, die geloof vragen. Maar ze spelen zich in de tijd af, die begon in Gen. 1:1’.

Dit deed me denken aan die keer – het moet in 1983 geweest zijn – dat ik mondeling tentamen zo-ologie deed bij ene prof. Van Die aan de R.U. te Utrecht. Hij zei me dat hij ooit gereformeerd was maar op een gegeven moment niet meer kon geloven vanwege het spreken van de ezel in de geschiedenis van Bileam. Op dat moment bedacht ik helaas niet het volgende om hem te antwoorden:

Wel beschouwd is dat spreken van een slang of ezel net zo wonderlijk als dat van een papegaai of beo, toch? Als een westerse middeleeuwer, die nog nooit zulke vogels heeft gezien, laat staan heeft horen praten (nadat deze vogels dat van een mens aangeleerd hebben), zou zijn verteld dat er in Zuid-Amerika, of India, vogels zijn die kunnen praten, dan zou hij daar ook zeer verwonderd over zijn geweest. Wij vinden dat heel gewoon, nadat we zoiets als kind voor het eerst meegemaakt hebben. Dat een papegaai of beo slechts een naprater is i.p.v. zelf iets bedenkt om te zeggen lijkt mij van minder belang, want God kan zo’n vogel ook iets ingeven om te zeggen, zoals Hij ook deed bij de profeten, bij de slang in het paradijs en bij de ezel in de Bileam-geschiedenis. Het gaat me vooral om het anatomisch mogelijk zijn om te praten. Zou de anatomie van een papegaai of beo wel tot praten in staat kunnen stellen en die van een slang of ezel niet? Ik ben geen zo-oloog, maar ik weet wel, dat papegaaien zaadeters zijn maar ook anatomisch in staat zijn om vlees te eten – ze doen het alleen niet.

Reply

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

 tekens over