Afgelopen maandag verscheen mijn artikel over ENCODE in het Reformatorisch Dagblad.1 In een Facebookgroep kwam kritiek. Hieronder mijn korte reactie.

Er zijn mensen, ook evolutionistische christenen, die de data van ENCODE bekritiseren. Hun argumentatie is meestal dat ENCODE toont dat de gevonden functionaliteit (93% van het genoom wordt in RNA omgezet en 80% van het genoom heeft functie) niet samengaat met het gebrek aan selectiedruk (op 95% van het DNA staat geen selectiedruk). Maar dit is natuurlijk een cirkelredenering. Immers, deze critici gaan ervan uit dat het genoom het resultaat is van Darwinistische selectie en dat moet dan ook in het genoom gevonden worden. Als dit vervolgens niet wordt gevonden, dan moeten de data van ENCODE fout zijn. Anders gezegd: Darwin heeft a priori gelijk en alles moet zich aan Darwin aanpassen.

Critici verwijzen veelal naar de zogenaamde „ui-test“. Volgens hen is het zo dat het genoom van een ui vele malen meer niet-coderend DNA dan het menselijk genoom bevat. Critici maken hier echter selectief gebruik van biologische data. Laten we hieronder eens in de wetenschappelijke literatuur kijken. Binnen de uien-familie (Allium) wordt inderdaad een enorme variatie gevonden m.b.t. genoomgrootte (https://www.researchgate.net/publication/7639920). In Tabel 1 van dit artikel zien we dat de genoomgrootte van de verschillende soorten Allium varieert tussen 6860 en 30870 Mbp, dus grofweg 2-10 maal de grootte van het genoom van de mens. Is dat opmerkelijk? Nee, want waarom zou het genoom van de mens groter moeten zijn dan dat van een plant? Wellicht denken evolutionisten dat er een verband is tussen complexiteit en genoomgrootte, maar dat verband bestaat net zo min als tussen schedelinhoud en intelligentie (eveneens een foutieve en weerlegde evolutionistische aanname). De biologie van de 21e eeuw leert ons dat genoomgrootte te maken heeft met variatie en speciatie. Hoe ontstaat variatie bij planten? Niet door willekeurige (punt)mutaties in genen, zoals de neodarwinisten steeds beweren, maar door variatie-inducerende genetische elementen (afgekort VIGEs), die buiten de coderende delen van de genen liggen.2 VIGEs worden door de evolutionisten van de hand gedaan als „junk DNA“, omdat ze geen functie zouden vervullen. Maar is het induceren van variatie, van adaptaties en speciatie niet juist een van de belangrijkste functies van het DNA? Inderdaad! Hier zien we dat dit zogenaamde „junk DNA“ een hele familie Allium soorten heeft voortgebracht. Voor deze evolutie is geen nieuwe informatie nodig, schreef ik al in 2009.3. Er is alleen de duplicatie en activiteit van repeterende sequenties (VIGEs) voor nodig. En inderdaad, de vermeerdering van reeds aanwezige VIGEs lijkt bij Allium de beangrijkste factor om nieuwe soorten voort te brengen. We zien dit steeds opnieuw en met name in planten heeft het een grote rol gespeeld in supersnelle speciatie („hyperspeciatie“). Vrijwel alle variatie binnen onze cultuurgewassen kunnen we anno 2020 terugvoeren op de activiateit van VIGEs (die men in de literatuur transposable en transposed elements noemt, afgekort TE). Het past uitstekend in het hyperspeciatiemodel van de creationistische wetenschappers.

In mijn boek schreef ik dus dat het niet-coderende DNA (voorheen als junk DNA bekend) kan worden opgevat als „variatie-inducerende genetische elementen“ (VIGEs). Het is dat deel van het DNA dat er voor zorgt dat er verschillende soorten uien zijn. En dat blijkt dan weer uit de harde wetenschappelijke feiten. Het 1000 Genomes Project toont dat de genomen van verschillende mensenpopulaties („rassen“) op dit nivo tot 12% verschillen. In het laboratorium gefokte muizenrassen kunnen hier zelfs 100% verschillen. Met alle fenotypische verschillen. Je mag dus verwachten dat op het niveau van deze VIGEs de grootste verschillen tussen organismen worden gevonden. Het genoom is van nature heel flexibel en daardoor adaptief. Dat is nu opnieuw bewaarheid. God heeft mechanismen in het genoom geplaatst, die variatie en adaptaties kunnen bewerken. Hierdoor konden en kunnen organismen alle uithoeken van de aarde koloniseren, zonder dat Hij specifiek voor elke ecologische niche organismen hoefde te creëren. Een enkel scheppingsdaad was genoeg voor de Almachtige.

Literatuur

  • Borger, P., 2009, Terug naar de Oorsprong (Urk: De Oude Wereld).
  • Borger, P., 2018, Darwin revisited. Or how to understand biology in the 21st century (SPS).
  • Borger, P., 2020, Project zet evolutie op losse schroeven, Reformatorisch Dagblad 50 (156): 20-21.
  • Ricroch, A., Yockteng, R., Brown, S.C., Nadot, S., 2005, Evolution of genome size across some cultivated Allium species, Genome 48 (3): 511-520.

Voetnoten

  1. Borger 2020. Het artikel verscheen gisteren ook op onze website: https://logos.nl/project-zet-evolutie-op-losse-schroeven/.
  2. Borger 2009, Borger 2018.
  3. Borger 2009.

LEUK ARTIKEL?
Bent u blij met dit artikel? Het onderhoud en de ontwikkeling van deze website vragen financiële offers. Zou u ons willen steunen met een maandelijkse bijdrage? Dat kan door ons donatieformulier in te vullen of een bijdrage over te schrijven naar NL53 INGB000 7655373 t.n.v. Logos Instituut. Logos Instituut is een ANBI-stichting en dat wil zeggen dat uw gift fiscaal aftrekbaar is.

Written by

Peter Borger is moleculair bioloog, specialist in signaaltransductienetwerken en genregulatie-systemen, tevens auteur van Terug naar de Oorsprong. Hij is één van de grensverleggende wetenschappers binnen de nieuwe biologie. Daarin staat onder meer centraal dat soortenvorming daadwerkelijk plaatsvindt, omdat het genoom daarvoor is geprogrammeerd, maar dat alle verschillende soorten niet allemaal dezelfde voorouder hebben. Ook wordt vanuit deze tak van de biologie duidelijk dat er geen genetische informatie-toename nodig is om nieuwe soorten voort te brengen. Alle informatie om nieuwe soorten te vormen was reeds aanwezig in het genoom vanaf de tijd dat de oervormen werden geschapen.