Het moeilijke aan de discussie schepping versus evolutie, is de grote complexiteit van het onderwerp. Het raakt veel wetenschappen: theologie, biologie, natuurkunde, scheikunde, geologie en sterrenkunde. Het is voor geleerden haast onmogelijk om het onderwerp vanuit al die gebieden te overzien. Maar al te gauw wordt door theologen geaccepteerd wat de algemene opvatting is op de andere terreinen van wetenschap.

landschap_schepping-pixabay

De discussie over schepping en evolutie roept vaak emoties op. Veel ouderen hebben al lang een standpunt ingenomen en bij allerlei jongeren gaven de debatten van de afgelopen tijd meer verwarring dan duidelijkheid. Het geeft aan dat een deel van de mensen genoeg heeft van dit onderwerp en zich liever richt op ander zaken. In de afgelopen tijd ben ik ook betrokken geraakt bij deze discussies. Wat mij daarin opvalt, is de grote moeilijkheidsgraad van het onderwerp: het raakt veel wetenschappen, waaronder de uitleg van Oude en Nieuwe Testament, de biologie (het leven, de erfelijkheid en de variatie van de soorten), de natuurkunde, de scheikunde, de geologie (het ontstaan van de aardlagen) en de sterrenkunde (de oorsprong van het heelal en de lichtjaren). Gezien onze beperkingen is er bijna niemand die al die gebieden overziet en dat betekent ook dat veel christelijke geleerden die op hun eigen vakgebied deskundig zijn, al gauw accepteren wat de algemene opvatting is op de andere terreinen van wetenschap. Een dogmaticus kan dan de afstand van de sterren gebruiken om aan te geven dat de aarde nooit een zes- tot tienduizend jaar geleden geschapen kan zijn, een exegeet kan dan Genesis 1-3 opvatten als polemiek tegen het polytheïsme van de andere volken, want hij accepteert een geleidelijk ontstaan van de soorten. Een natuurkundige gaat uit van herhaalbare proeven in zijn eigen vakgebied en meent dat de geologen voldoende aanwijzingen hebben voor een geleidelijk ontstaan van de aardlagen. Vanwege de beperkingen van onze persoonlijke kennis en de hoge status van de wetenschap in onze maatschappij gaan we allemaal vrij snel uit van allerlei aannamen op gebieden waar we zelf geen verstand van hebben. Het probleem is gewoon te ingewikkeld om alles na te gaan.

Compromissen

Als oudtestamenticus ben ik ervan overtuigd dat de beschrijving in Genesis zich niet laat combineren met de evolutietheorie. Maar van diverse kanten draagt men andere wetenschappen aan om te laten zien dat ik mijn standpunt moet herzien. Is dit terecht? Tijdens mijn studie aan de universiteit in Leiden heb ik ‘van de andere kant’ mijn standpunt ook steeds vernomen: de hoogleraren Oude Testament en Hebreeuws gaven tal van argumenten om te laten zien dat het hier gaat over twee geheel tegengestelde gedachtewerelden. Zelf kozen ze voor de gangbare wetenschap en verwierpen ze de ‘scheppingsmythen’. De hoogleraar dogmatiek dr. H. Berkhof maakte onderscheid in soorten openbaring: sommige zaken staan in het centrum en andere meer aan de rand. De zaken aan de rand zijn niet essentieel voor het christelijk geloof en daar horen ook de scheppingsvoorstellingen bij. Waarmee ik duidelijk wil maken dat ‘orthodoxen’ en ‘vrijzinnigen’ één zijn in hun overtuiging dat er allerlei ongeloofwaardige compromissen gesloten worden met betrekking tot het lezen van de eerste hoofdstukken van Genesis.

grand_canyon_zonsopkomst-pixabay

Grand Canyon

Vanwege de verbindingen tussen allerlei wetenschappen heb ik mij de afgelopen tijd opnieuw verdiept in de biologie en voor het eerst in de geologie. In die kennisname valt mij op hoezeer beide wetenschappen bepaald worden door onbewezen aannamen als het gaat over het verleden. Ik beperk me nu tot de geologie. Na diverse boeken hierover gelezen te hebben met uiteenlopende standpunten, om thuis te raken in de problematiek, had ik in juli het voorrecht met een groep christelijke wetenschappers een week door de Grand Canyon in Amerika te trekken en daar de aardlagen te bestuderen. De gangbare opvatting is dat de Caloradorivier deze grote canyon (‘rotskloof’) uitgesleten heeft, maar er zijn talrijke tegenargumen¬ten. Zo ligt de oorsprong van de rivier lager dan het plateau waardoor de rivier gaat, zijn diverse canyons in een verkeerde richting uitgesleten en is de canyon op bepaalde plaatsen 27 kilometer breed. Een verklaring door een zeer grote catastrofe zoals de zondvloed is veel aannemelijker. De onderste rotslagen komen schuin uit de aarde, maar zijn horizontaal gelijk gemaakt en daarop liggen honderden meters sedimentrotsen (rotsen die gevormd zijn door bezinksel). In de onderste rotsen zijn geen fossielen te vinden, maar wel in de sedimentlagen. De geoloog Andrew Snelling acht het waarschijnlijk dat de onderste rotsen gevormd zijn bij de schepping en later opgestuwd. Volgens de gangbare verklaring is de vorming van de sedimentrotsen een proces geweest van miljoenen jaren en ontbreekt een periode van ongeveer een miljoen jaar tussen de onderste rotsen en het sediment. Het is echter merkwaardig dat de aansluiting van de rotslagen perfect is en geen enkel spoor van erosie vertoont. Op grond van een recente vulkaanuitbarsting in St. Louis (in 1980)is duidelijk dat de honderden meters sediment gemakkelijk in een jaar afgezet kunnen worden en dat in korte tijd in het zachte gesteente een grote canyon gesleten kan worden. De gebruikelijke dateringmethoden op grond van radioactief verval geven hier verkeerde uitkomsten: gesteente van nog geen dertig jaar zou meer dan een miljoen jaar oud zijn! Uit diverse gebogen steenlagen en verzamelingen fossielen is duidelijk dat het water met veel geweld in de Grand Canyon gestroomd heeft.

Het vakgebied van de geologie is aan het veranderen. Een Engelse geoloog geeft zelfs aan dat de geologie anderhalve eeuw ‘gehersenspoeld’ is door het uniformitarisme (Derek Ager). Het is opmerkelijk dat de laatste jaren enige Amerikaanse geleerden veronderstellen dat een enorm meer een groot deel van Amerika bedekte en dat door een dambreuk de Grand Canyon vrij snel is uitgesleten. Dit is uiteraard niet hetzelfde als een verklaring door de zondvloed, maar komt hier wel dichter bij. Op grond hiervan wil ik een pleidooi voeren niet te snel allerlei ‘vaststaande’ wetenschappelijke visies te accepteren om het boek Genesis op een nieuwe wijze te lezen.

lezen_tablet

Verschillende manieren van lezen van Genesis 1-3

Omdat echter velen uitgaan van de gangbare wetenschap, zijn er allerlei pogingen gedaan om het begin van Genesis anders te lezen dan in de kerkgeschiedenis gebruikelijk was. Dr. Willem Ouweneel onderscheidt in zijn boek De schepping van God heel wat manieren van lezen en daarvan noem ik de meest bekende:

1. Jonge-aardelitteralisme: De ‘letterlijke’ opvatting van Genenis 1, dat de wereld tot ons kwam in zes dagen van 24 uur, is lange tijd, vanaf de latere kerkvaders tot in de 18e eeuw, de gangbare opvatting van christenen geweest. Daarbij wordt aangenomen dat de aarde ongeveer 6000 jaar oud is. Opvallend is dat Ouweneel kiest voor de aanduiding ‘litteralisme’. Volgens hem is de klassieke opvatting geen ‘letterlijk lezen’, maar een te ver doorgevoerd letterlijk lezen, letterlijker dan de auteur bedoeld heeft. Hoe komt hij bij dit standpunt?
2. Oude-aardlitteralisme: dezelfde opvatting als de vorige, maar met dit verschil dat Genesis 1: 1 veel verder terug ligt, en kan wijzen op gebeurtenissen van miljarden jaren geleden. Bij vers 2 of 3 zijn we echter op strikt historische bodem en gaat het over gebeurtenissen van 6000 of 10.000 jaar geleden.
3. Verwant met de vorige opvatting is het reconstructionisme, ook wel ‘restitutietheorie’ of ‘gaptheorie’ genoemd: de aarde werd (i.p.v. ‘was’) woest en ledig, namelijk door een gevallen engel, de satan. Na een bestaan van miljoenen jaren was er een zesdaagse scheppingsweek en schiep God de mens zoals wij die nu kennen. In de voorafgaande ‘leemte’ kunnen de astronomische, geologische en paleontologische vondsten geplaatst worden.
4. Dag-tijdperktheorie: dagen worden gezien als aanduidingen van tijdperken.
5. Kadertheorie: er zijn acht scheppingsdaden van God en de auteur van Genesis heeft deze een literaire vorm (kader) gegeven door ze te verdelen over zes dagen, waaraan de zevende dag als rustdag is toegevoegd. Dit suggereert dat Genesis 1 een bewuste literaire compositie is en niet letterlijk historisch gelezen moet worden. Ook zijn er verschillen in chronologie tussen Genesis 1 en 2 die een strikt letterlijk verstaan in de weg staan.

Vanwege de genoemde opvattingen wordt de laatste tijd veel aandacht gegeven aan het literaire, kunstzinnige karakter van deze Genesishoofdstukken. De vraag kan gesteld worden wat het literaire genre is. In 2008 is een bundel opstellen over Genesis gepubliceerd, waarin creationistische auteurs ingaan op dergelijke vragen: Coming to Grips with Genesis, onder redactie van Terry Mortenson en Thane H. Ury. Daarin bespreekt Steven Boyd drie karakteristieken van deze tekst: 1) een magistrale literaire compositie, 2) een fundamentele theologische verhandeling en 3) een historisch verslag. Over de eerste twee typeringen zijn de meeste exegeten het wel eens, over de derde bestaat veel minder overeenstemming. Herhaaldelijk is in recente beschouwingen de waarschuwing te lezen dat we Genesis niet natuurkundig mogen lezen, of rationalistiseh, of als een wetenschappelijk verslag. Dit is terecht, maar de vraag wordt dan steeds belangrijker hoe we deze hoofdstukken wél moeten opvatten. Het lijkt mij dat er twee belangrijke sleutels zijn: de eerste is hoe de eerste hoofdstukken passen in het geheel van het boek Genesis, en de tweede hoe vroegere, niet-westerse auteurs ze gelezen hebben.

De goede boodschap van Genesis

Het boek Genesis kan omschreven worden als: de vroege geschiedenis van de mensheid, van de schepping tot het ontstaan van het volk Israël. De Schepper van hemel en aarde blijkt dezelfde te zijn als die het volk Israël tot aanzijn roept. Laat de goden van de andere volken plaatselijke heersers zijn, het is de God van hemel en aarde die naar Israël omziet! Deze beschrijving is bedoeld om God te loven en te prijzen. In Genesis staat geen objectieve, wetenschappelijke en afstandelijk beschouwde geschiedenis. De beschreven gebeurtenissen zijn tot onderwijs, vermaning en bemoediging. Het is op zich mogelijk dat er in de weergave van de schepping enige polemische elementen zitten (monotheïsme, tegen verering van zon en maan), maar die vormen niet het hoofddoel, net zo min als dat het hoofddoel van het gehele boek is. Daarom zal de geopenbaarde inhoud toch in zijn geheel een boodschap vormen en is het riskant ons te beperken tot enige hoofdgedachten.

mont_st-_michel-kerk-pixabay-com

Het gebeurt nogal eens dat lezers onderscheid maken tussen de ‘oergeschiedenis’ in Genesis 1-11 en de meer gewone geschiedenis in Genesis 12-50, of tussen Genesis 1: 1-2:4a en de rest van het boek. Toch is dat vanuit de compositie van Genesis moeilijk te verdedigen. Voor de auteur van Genesis was er vermoedelijk geen onderscheid in historiciteit en genre tussen de eerste en de laatste hoofdstukken. Het is overal God die werkt in schepping en geschiedenis.

In Genesis 1 beziet God zes maal wat Hij gemaakt heeft en noemt het ‘goed’, om te eindigen met ‘en zie, het was zeer goed’ (1:31). De oorspronkelijke goedheid van de schepping kunnen we ook opmaken uit de contrasten in de volgende hoofdstukken. Daar verschijnen woorden als: ‘dood’, ‘vijandschap’, ‘smart’, ‘vervloeking’, ‘dorens’ en ‘distels’. Volgens de evolutietheorie is het kwade en gebrekkige steeds in de schepping aanwezig geweest. Dan is er veel minder duidelijk een breekpunt geweest tussen ‘goed’ en ‘niet meer goed’. Maar wat houdt dan de vervloeking in die door God is uitgesproken over de aarde, zodat die dorens en distels zou voortbrengen? Die waren er volgens de evolutietheorie toch al miljoenen jaren eerder? Ook Romeinen 8:20 is een struikelblok in deze benadering. Het lijden van de schepping wordt daar niet vanaf de begintijd genoemd, maar als iets dat later gekomen is. De schepping is op den duur aan de zinloosheid onderworpen en ziet uit naar het openbaar worden van de kinderen Gods, naar de tijd dat zij bevrijd zal worden van de vergankelijkheid.
Stamt de mens van dieren af?

Steeds vaker wordt door christenen geaccepteerd dat mensen van dieren afstammen. Er zouden op allerlei plaatsen vormen van mensen of ‘mensachtigen’ ontstaan zijn. René Fransen schrijft: ‘Het zou kunnen zijn dat ook Adam en Eva apart zijn gezet uit de vroege steentijdcultuur, om een ontmoeting te hebben met God. Op die manier zou de homo sapiens, de denkende mens, veranderen in de homo divinus, de goddelijke mens.’ De tuin waarin zij leefden, de hof van Eden, zou volgens hem een bijzondere plaats zijn waar regelmatig een ontmoeting met God plaatsvond. Adam en Eva zijn in deze benadering de eersten geweest van een nieuwe klasse mensen. Hun zondeval betreft niet slechts hun lichamelijke nakomelingen, maar betreft de gehele mensheid. De fout van een koning of gezinshoofd kan immers gevolgen hebben voor het hele volk of het hele gezin (Sterrenstof, h. 1). In deze beschouwing wordt Genesis 1-3 erg vrij geïnterpreteerd. Met name de afstamming van de mens van een dier lijkt mij in onoverkomelijke tegenspraak met Genesis 2:7. God formeerde de mens uit de aardbodem en blies een afzonderlijke levensadem in de neus. Zo werd de mens tot een levend wezen. Ook al heeft God zich aangepast aan ons taalgebruik en beeldend gesproken in deze hoofdstukken, er staat niet: God nam een rib van een dier (bijv. een soort aap) en bouwde daaruit de mens. Het is duidelijk dat God de mens in een afzonderlijke scheppingshandeling maakte en daarbij ‘stof’ gebruikte. Op deze punten komt de evolutietheorie in strijd met de weergave in Genesis. En als we een afzonderlijke scheppingsdaad aannemen bij de mens, waarom kan dat dan ook niet bij planten en dieren het geval zijn?

Bij velen die schepping en evolutie willen combineren, is een oprechte behoefte om zo min mogelijk struikelblokken voor christelijke wetenschappers op te werpen. Heeft de kerk niet eerder Galileï afgewezen? Voordat we die weg gaan, is het echter wel nodig onderscheid te maken tussen waarnemingen en projecties. Charles Darwin is niet op de evolutietheorie gekomen door waarneming, maar vooral door de publicaties van zijn grootvader Erasmus Darwin, geschriften die mede ingegeven waren door een sterk anti-christelijke houding. De waarnemingen door de kleinzoon over de variaties binnen de soorten zijn terecht breed geaccepteerd, maar er zitten ook veel andere kanten aan zijn werk. Hij schreef aan T.H. Huxley ‘mijn goede en bewonderenswaardige medestrijder in de verkondiging van verdoemelijke ketterijen’ (dec. 1859) en ‘Mijn goede en hulpvaardige agent voor de verspreiding van het evangelie – dat wil zeggen het evangelie van de duivel’ (aug. 1860). Dit zijn geen woorden die we als een soort humor af kunnen doen, maar geven goed aan wat er in de publieke opinie gebeurde.

Consequenties

Waar komt Genesis 1-3 vandaan? Heeft God Zich zo geopenbaard aan mensen? Dan moeten we het accepteren zoals het bericht tot ons komt, al roept het bij ons veel vragen op. Vanuit die vele vragen mogen we ons verdiepen in de wetenschappen. Hopelijk zijn er velen die de alternatieven die door het creationisme aangedragen worden, serieus willen onderzoeken. Zelf vind ik deze vorm van wetenschap een stuk geloofwaardiger geworden dan in de jaren ’70 het geval was. Diverse theorieën zijn inmiddels vervangen door meer plausibele en beter gefundeerde. Van belang is ook om de beperkte mogelijkheden van de wetenschappen te beseffen. Voor een christen is het belangrijk om uit te gaan van Gods openbaring en daarbij de overtuiging van de kerk der eeuwen te betrekken. Als we kiezen voor een menselijke beschrijving of een kaderopvatting, heeft dat duidelijk gevolgen voor de inspiratieleer. Dat is ook het geval met de Godsleer: dan is God niet meer degene die alles goed geschapen heeft, maar degene die door dood en verderf in een lange reeks van talrijke mislukkingen op den duur nieuwe soorten heeft gemaakt. De opvattingen over de schepping die in Genesis 1-3 beschreven staan, vormen een fundament. Wie het fundament verandert, zal moeten beseffen dat het hierop gebouwde huis nooit hetzelfde kan blijven.

Dit artikel is met toestemming overgenomen uit Profetisch Perspectief. De volledige bronvermelding luidt: Paul, M.J., 2009, De eindeloze discussie over Genesis 1-3, Profetisch Perspectief 15 (64): 9-13.

LEUK ARTIKEL?
Bent u blij met dit artikel? Het onderhoud en de ontwikkeling van deze website vragen financiële offers. Zou u ons willen steunen met een maandelijkse bijdrage? Dat kan door ons donatieformulier in te vullen of een bijdrage over te schrijven naar NL53 INGB000 7655373 t.n.v. Logos Instituut. Logos Instituut is een ANBI-stichting en dat wil zeggen dat uw gift fiscaal aftrekbaar is.

Mart-Jan Paul

Written by

Dr. M.J. Paul is docent aan de Academie Theologie van de CHE te Ede en hoogleraar Oude Testament aan de Evangelische Theologische Faculteit te Leuven. Verder is hij auteur van een groot aantal publicaties op theologisch gebied en redactielid van de twaalfdelige Studiebijbel Oude Testament, die wordt uitgegeven door het Centrum voor Bijbelonderzoek.

8 Comments

Peter

Er zit [vaak] erg veel wensdenken in de aanhalingen naar wat deze en gene beweerd heeft. Voor Grand Canyon zie: https://ageofrocks.org/2016/06/06/can-noahs-flood-explain-the-grand-canyon/, door een christelijke wetenschapper. Dat gaat over het boek “Grand Canyon: Monument to an Ancient Earth”, door Carol Hill, Gregg Davidson, Tim Helble, and Wayne Ranney (editors), geschreven door christelijke wetenschappers.

“Charles Darwin is niet op de evolutietheorie gekomen door waarneming, maar vooral door de publicaties van zijn grootvader Erasmus Darwin, geschriften die mede ingegeven waren door een sterk anti-christelijke houding”

(…) [Als je de] ‘The Origin of Species’ [leest], dan blijkt duidelijk dat het over feiten gaat.

Reply
peter b

Peter, welke feiten [in] het fossielenverslag dat hij volledig heeft verdraaid? De rol van natuurlijke selectie die hij niet [goed] begreep? Darwins The Origin is grotendeels een verhaal [met] een zeer groot “what if…” gehalte. Als [we] the Origin lezen, dan zien [we] dat Darwin geloofde dat de biologen van zijn dagen geloofden in the “fixity of species”, maar dat was een stroman en die heeft hij in zijn boek weerlegd. Het feit wil dat vrijwel geen van de Biologen van zijn dagen geloofde in de onveranderlijkheid van soorten, alle hadden de werken van Linnaues gelezen en die had zonder twijfel aangetoond, 100 jaar voor Darwin Origin werd gepubliceerd, dat soorten veranderen. Darwin kende het werk van Linnaeus niet. Het is werkelijk ongelooflijk dat zijn theorie de biologie ging beheersen. Dit is de grootste wetenschappelijke misser aller tijden.

Peter

Peter B, in Darwins tijd was het fossielenverslag wat kleiner dan nu.

Linnaeus schreef:
“We reckon as many species as there were diverse forms created in the beginning. [Species tot numeramus, quot diversae formae in principio sunt creatae, Philosophia Botanica, 1751 (loc. cit.)] Species are as many as there were diverse [and constant*] forms produced by the Infinite Being; which forms according to the appointed laws of generation, produced more individuals but always like themselves. Therefore there are as many species as there are different forms or structures occurring today. [Species tot sunt, quot diversas [& constantes*] formas ab initio producit Infinitum Ens; quae formae, secundum generationis inditas leges, produxere plures, at sibi semper similes. Ergo species tot sunt, quot diversae formae s. structurea hodienum occurrant. Classes Plantarum, 1738 (loc.cit.). *Added in 1764, see Genera Plantarum I: �5]”

Aangezien het gezamenlijke werk van Darwin en Wallace in 1858 op de Linnean Society voorgelezen werd, lijkt een bewering dat Darwin niets van Linnaeus wist niet al te voor de hand liggend. De Linnean Society werd opgericht om het werk van Linnaeus te bestuderen.

peter b

Peter, Darwin was zeer goed op de hoogte met de geologie en wist wel degelijk van het plotseling verschijnen van alle fyla in het Cambrium. Zijn Idee was dus ook in zijn tijd niet eens in overeenstemming met de waarnemingen, vandaar dat ik zijn boek een aanfluiting vind. M.b.t. Linnaeus: Er is een brief van Darwin bewaard gebleven waarin hij schrijft dat hij niet wist dat Linnaeus niet in de onveranderlijkheid van soorten geloofde. Let wel, Darwin had vrijwel geen biologische kennis. De mensen die hij citeert, zoals bijvoorbeeld kolonel Smith-Hamilton als een van de mensen die in “specifies fixity” geloofde, waren geen biologen. Alle biologen van zijn tijd kenden Linnaues en wisten van hybridisaties. Darwin was opgeleid tot dorpsdominee en zijn interesse lag bij de Geologie (van Lyell), niet bij de biologie.

Het klopt overigens dat Linnaeus in de Loop van de tijd, naarmate hij meer waarnemingen deed, zijn visie aanpaste aan de waarnemingen. In 1762 schreef Linnaeus: ‘God created as many individuals as there were orders, and later mixed these to form genera. Nature in turn, mixed these genera to form species and fate mixed these species to beget varieties.” In: Fundamentum Fructificationis, Upsala 1762. Vanaf 1762 zoekt hij de geschapen soort dus op het niveau van de “orde”, die daarna de genera voortbrengen. Linnaues was zo ongeveer de eerste creation scientist, en hij had het goed gezien, want we weten nu dat de orde ongeveer het niveau is waarna er geen nieuwe informatie meer nodig is om nieuwe genera en soorten te vormen.

Peter

Dan is Linnaeus in 1764 weer van mening veranderd.

“Darwin was opgeleid tot dorpsdominee en zijn interesse lag bij de Geologie (van Lyell), niet bij de biologie”

Daarom deed hij zeker zoveel biologie op de Beagle, en schreef hij een zoveel delig overzicht over zeepokken en hun systematische indeling?

“orde ongeveer het niveau is waarna er geen nieuwe informatie meer nodig”

Zonder argumentatie waarom dat zo zou zijn. [Ik vind dit] mooi trouwens, opgeschoven van families als basistype (als bij AiG, Junker en Scherer) naar ordes. Ga zo voort! Je komt nog wel bij de klasse zoogdieren etc. uit, en ook verder. Peter B. erkent de geneste hiërarchie van alle leven in zijn boek, dus er is geen criterium om te stoppen met verwantschap erkennen.

Darwin woog de voor en tegens van zijn theorie – er is een hoofdstuk ‘Difficulties of the theory’. Voor en tegen van eigen ideeën afwegen onntbreekt in Peter B’s boek.

Darwin, Origin 1872 versie:
“Consequently, if the theory be true, it is indisputable that before the lowest Cambrian stratum was deposited, long periods elapsed, as long as, or probably far longer than, the whole interval from the Cambrian age to the present day; and that during these vast periods the world swarmed with living creatures.”

Twee voorspellingen die uitgekomen zijn. Er zijn weinig plekken beschikbaar, maar er zijn goede fossielen. Heet van de naald: https://www.researchgate.net/publication/308663012_The_Latest_Ediacaran_Wormworld_Fauna_Setting_the_Ecological_Stage_for_the_Cambrian_Explosion

Leon van den Berg

Beste Mart-Jan Paul,

U schrijft dat het u op valt hoezeer de geologie bepaald wordt door onbewezen aannamen en noemt als eerste punt dat “de oorsprong van de rivier (ligt) lager dan het plateau waardoor de rivier gaat, zijn diverse canyons in een verkeerde richting uitgesleten en is de canyon op bepaalde plaatsen 27 kilometer breed.”

Ik schreef onlangs op “Sterrenstof”, onder de titel “Het zondvloed model. Hoezo, zondvloedmodel?”: “[Dat wat] wetenschappelijke creationisten doen is losse argumenten, losse verschijnselen bespreken, een paar vraagtekens bij plaatsen bij de één of andere reguliere wetenschappelijke verklaring en zo twijfel zaaien”. Welnu dat laatst is bij u kennelijk goed gelukt, ik zal dat u hier laten zien.

Het feit dat “de oorsprong van de rivier (ligt) lager dan het plateau waardoor de rivier gaat” heeft een eenvoudige verklaring: het plateau is geplooid na of tijdens het inslijten van de rivier. Syn-orogene erosie heet dat. Gaat de erosie even snel of sneller dan de plooing dan blijft de rivier netjes op zijn plaats, gaat de plooing sneller dan de erosie dan wijzigt de rivier zijn loop en keert de stroomrichting eventueel om, hij “slijt in de verkeerde richting”. Het feit dat de Grand Canyon op sommige plaatsen 27 km breed is en ongeveer 800 meter breed is betekent dat hij 35 keer breeder is dan dat hij diep is, wat is daar mis mee? En hoe verklaart een Zondvloed dat beter? Kennelijk komt al het eroderend gesteente in de rivier terecht. Het Maasdal is een tiental meter diep en tientallen kilometers breed.

Reply
Leon van den Berg

Beste Mart-Jan Paul,

U schrijft: “De geoloog (…) later opgestuwd”.

Laat ons een blik werpen op de “onderste rotsen”: http://dept.astro.lsa.umich.edu/~cowley/grand33.jpg

Dan zien we dat we die “onderste rotsen” onder de Great Unconformity kunnen onderverdelen in drie groepen: de lagen van de “Grand Canyon Supergroup” wat ook sedimentlagen zijn (plus een basaltlaag), de Vishnu Schist en de Zoroaster graniet. Sedimenten zoals “shales” “quartzites” en “sandstones” zijn erosieproducten. Deze lagen liggen op de Vishnu schist én Zoroaster graniet die kennelijk vóór de sedimentatie van van de Grand Canyon Supergroup ook “gelijk gemaakt” zijn (de Greatest Angular Unconformity). Voor de vorming van schisten moet het gesteente op minimaal een tiental kilometers diepte liggen, toen de sedimenten van de Grand Canyon Supergroup er op gesedimenteerd werd lag het aan de oppervlakte (zeebodem) dus was er intussen minimaal een tiental kilometers geërodeerd. De Vishnu schist is een “metasediment”, een gemetamorphoseerd sediment. Verder zit in de Vishnu schist de Zoroaster graniet, “geïntrudeerd”. Granieten vormen zich op ook ongeveer tien kilometer diepte, thans ligt het aan de oppervlakte.

De historie is als volgt 1) erosie en vorming van de Vishnu sedimenten 2) begraving, metamorphose én plooing van de Vishnu sedimenten tot minimaal kilometers 3) intrusie van de Zoroaster graniet 4) erosie van het gesteentepakket van een tiental kilometers 5) sedimentatie van de Grand Canyon Supergroup. En dat allemaal tijdens de schepping? Heeft Snelling u dat verteld? (…)

U schrijft: ”Volgens de (…) erosie vertoont”.

Dan haal ik dit schematisch profiel erbij: http://biologos.org/files/resources/large_fig_4-1_-_grand_canyon_stratigraphic_section.jpg en dan zien we dat de aansluiting tussen de Tapeats (sandstone) en de “onderste rotsen” (onder de “Great Unconformity”) helemaal niet perfect is: er was wel degelijk relief overgebleven. Op deze foto kunt dat ook goed zien (het met rood omlijnd gesteente is de Tapeats Sandstone: http://3.bp.blogspot.com/_ZsFQdVqdfQo/TKIg_GoSw-I/AAAAAAAACrM/bA5hWXiuymc/s1600/Picture+1.jpg

Overigens zijn er wel degelijk hoekdiscordanties die vrijwel perfect vlak zijn. In geen enkel opzicht is dit een probleem voor de reguliere geologie: als er maar tijd genoeg is verdwijnt relief en ontstaat er een schiervlakte, hier één in Zweden: https://cice.blog.gustavus.edu/files/2013/05/J%C3%B6nk%C3%B6ping-129.jpg (…)

Reply
Maarten

Ik kan niets vinden over “een recente vulkaanuitbarsting in St. Louis (in 1980)”. Volgens mij bedoelt de schrijver de vulkaan Mount St Helens in de staat Washington die in 1980 barstte.

Reply

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

 tekens over