Sinds de Verlichting wordt de historische betrouwbaarheid van de evangeliën betwijfeld. De wonderen daarin beschreven zouden nooit echt gebeurd zijn. Op grond van kritische analyse wordt het een gereconstrueerd beeld van Jezus gegeven. Deze beelden blijken echter van onderzoeker tot onderzoeker te verschillen. Dat laat zien dat onderzoekers de claim dat zij door kritische analyse een objectief beeld van Jezus geven, niet kunnen waarmaken. Waarom zou het door kritische analyse beschreven beeld van Jezus betrouwbaarder zijn dan het beeld dat de evangeliën van Jezus geven? Wie stelt dat de evangelisten geen neutraal verslag hebben gegeven van Jezus’ leven heeft volkomen gelijk. Echter geen enkele vorm van geschiedschrijving is waardevrij. Als ergens de uitspraak van Groen van Prinsterer waar is dat alleen hij die bevooroordeeld is, objectief kan zijn is het wel hier.1

mondelinge_overlevering.pixabay

“Historische informatie blijkt ook mondeling te worden overgeleverd ook al heeft de gemeenschap die deze informatie overlevert er geen direct nut van.”

De vormkritiek

In de twintigste eeuw gaf vooral de zogenaamde vormkritiek argumenten voor de gedachte dat de evangeliën geen betrouwbaar beeld van Jezus geven. De vormen waarin de inhoud van het evangelie tot ons komt, zouden allen terug te voeren zijn tot situaties in het leven van de eerste christelijke gemeenten na Pasen. De inhoud van de evangeliën zou gevormd zijn door het gebruik ervan door de eerste christenen. De inhoud van het evangeliën zou zijn ontstaan binnen de gemeenschappen waarbinnen de tradities erachter werden overgeleverd. Het zou om anonieme tradities gaan.

Inmiddels is gebleken dat meerdere uitgangspunten van de vormkritiek ondeugdelijk zijn. Bijvoorbeeld dat er oorspronkelijke zuivere vormen zijn. Hieruit werd bijvoorbeeld geconcludeerd dat gelijkenissen met allegorische trekken niet door Jezus Zelf zo zouden zijn uitgesproken. Echter uit rabbijnse parallellen blijkt dat meerdere gelijkenissen van meet af aan allegorische trekken konden hebben. Ook is de gedachte dat één bepaalde vorm één bepaalde situatie vooronderstelt, onjuist. Dezelfde tradities kunnen verschillende functies hebben en binnen een en dezelfde context kunnen verschillende vormen functioneren. Historische informatie blijkt ook mondeling te worden overgeleverd ook al heeft de gemeenschap die deze informatie overlevert er geen direct nut van.

Uit sociologisch onderzoek blijkt dat samenleving waarin mondelinge overlevering een fundamentele rol speelt, onderscheid plegen te maken tussen verhalen en historische informatie. Met het overleveren van het eerste genre pleegt men vrijer om te gaan dan het tweede. Bij het tweede plegen we niet te zien dat informatie wordt toegevoegd, maar eventueel overbodige informatie verdwijnt. Zeker is dat de eerste christenen zeer goed het onderscheid aanvoelden tussen hun eigen situatie na Hemelvaart en die tijdens het verblijf van Jezus op aarde. Zo maakt Paulus nadrukkelijk onderscheid tussen wat Jezus bij Zijn verblijf op aarde over echtscheiding heeft geleerd en zijn eigen apostolische inzichten daarover met betrekking tot situaties waarin het onderwijs dat Jezus op aarde heeft gegeven, niet voorzag.

Markus_Petrus_Evangelie.wikipedia

“Dat betekent niet dat hij een schriftelijk verslag als zodanig lager aanslaat dan een mondelinge overlevering, maar dat hij aan ooggetuigenverslagen voorrang geeft boven verslagen uit de tweede hand. Papias kende niet alleen personen die ooggetuigen van Jezus’ optreden op aarde hadden gekend, maar ook een tweetal ooggetuigen zelf van wie één Johannes de ouderling was.” Afbeelding: Petrus helpt Markus bij het schrijven van zijn Evangelie.

De voorrang van ooggetuigen boven verslagen uit de tweede hand

Wanneer gesteld wordt dat de inhoud van de evangeliën oorspronkelijk mondeling is overgeleverd, pleegt door vormcritici geen betekenis te worden toegekend dat nog bij de opschriftstelling ervan ooggetuigen van de overgeleverde gebeurtenissen en uitspraken leef¬den. In dit verband is het onderscheid tussen ‘oral tradition’ en ‘oral history’ van belang. ‘Oral tradition’ gaat over de grenzen van generaties heen. Bij ‘oral history’ gaat het om gebeurtenis¬sen die nog te verifiëren zijn bij hen die daarbij betrokken waren. In de antieke wereld werd met betrekking tot geschiedschrijving aan ooggetuigen een bijzondere waarde toegekend. Een antiek geschiedschrijver beschreef bij voorkeur gebeurtenissen waarbij hij óf zelf betrokken was óf waarover ooggetuigen hem rechtstreekse informatie konden geven. In dit licht moet de door Eusebius geciteerde uitspraak van Papias, een christen uit Klein-Azië die geboren is in de tweede helft van de eerste eeuw na Chr. en gestorven in de eerste helft van de tweede eeuw na Chr., worden gezien dat hij mondeling getuigenissen prefereert boven schriftelijke verslagen. Dat betekent niet dat hij een schriftelijk verslag als zodanig lager aanslaat dan een mondelinge overlevering, maar dat hij aan ooggetuigenverslagen voorrang geeft boven verslagen uit de tweede hand. Papias kende niet alleen personen die ooggetuigen van Jezus’ optreden op aarde hadden gekend, maar ook een tweetal ooggetuigen zelf van wie één Johannes de ouderling was.

De evangeliën als verslagen van ooggetuigen

In 2006 verscheen een uitgebreid gedocumenteerde studie van de hand van de Schotse nieuwtestamenticus Richard Bauckham waarin hij uitgaande van het citaat van Papias de betekenis van de ooggetuigen voor het verstaan van de evangeliën aanwijst. Van Papias weten we dat het evangelie naar Markus een neerslag is van herinneringen van Petrus. Bauckham toont ons dat het evangelie van Markus zelf de betekenis van Petrus als ooggetuige aangeeft. Hij is niet alleen de discipel die als eerste in het evangelie naar Markus wordt genoemd, maar ook als laatste. (Vgl. Markus 1:16; 16:7). Daarmee voldoet hij aan door Petrus zelf in Handelingen 1:20-21 geformuleerde eis dat degenen die ooggetuigen geweest zijn van het optreden van Jezus vanaf de doop van Johannes tot Zijn opstanding een bijzondere plaats hebben in de kerk.
Het evangelie naar Lukas volgt daarin dat van Markus. Ook bij Lukas is Petrus de discipel die zowel het eerst als het laatst wordt genoemd. (Vgl. Lukas 4:38; 24:34). Naast het getuigenis van Petrus en de andere discipelen als ooggetuigen heeft Lukas kennelijk toegang gehad tot het getuigenis van de vrouwen die Jezus volgden. Uit Lukas weten dat Maria Magdalena, Johanna en Susanna Jezus reeds volgden in Galilea. (Vgl. Lukas 8:3). Maria Magdalena en Johanna komen we na de opstanding tegen als ooggetuigen van het lege graf. Kennelijk wil Lukas onderstrepen dat deze vrouwen een niet onbelangrijk deel van het openbare optreden van Jezus van nabij hebben meegemaakt.

Bauckham_Jesus_eyewitnesses.amazon

“Bauckham stelt dat in de andere evangeliën hun namen ter bescherming niet zijn genoemd. Toen de synoptische evangeliën op schrift werden gesteld, kon deze informatie tegen de genoemde personen worden gebruikt. Dat speelde niet meer bij het schrijven van het evangelie naar Johannes. Al de genoemde personen waren in die tijd al overleden.”

De betekenis van de in de evangeliën genoemde personen

Het is ontegenzeggelijk dat de inhoud van de evangeliën aanvankelijk in mondelinge vorm werd overgeleverd. Daarbij moeten we echter niet vergeten dat ooggetuigen deze mondelinge overlevering op de betrouwbaarheid ervan konden toetsen. Daarbij hebben de twaalf apostelen een bijzondere plaats gehad. De mondelinge overlevering kon zich niet autonoom ontwikkelen, maar stond onder hun toezicht als ooggetuigen. De vele namen die in de evangeliën worden genoemd, zijn, zo betoogt Bauckham, voor een niet onbelangrijk deel namen van hen die bij het schrijven van de evangeliën nog in leven waren. Uitgaande van de gedachte dat het evangelie naar Markus het oudste evangelie is, kunnen we verklaren waarom daarin relatief de meeste namen voorkomen. We moeten aannemen dat Bartimeüs bij het schrijven van het evangelie naar Markus nog in leven was. Men kon eventueel zelf met Bartimeüs over zijn genezing contact opnemen. Toen de inhoud van het evangelie naar Mattheüs en Lukas op schrift werd gesteld, moet Bartimeüs reeds overleden zijn en was het daarom niet meer nodig was zijn naam te noemen. Hoe moeten we echter dan verklaren dat in het laatste evangelie, namelijk dat naar Johannes een aantal personen met name worden genoemd die in de andere evangeliën anoniem blijven. Dan denken we in het bijzonder aan Petrus als degene die Malchus het oor afsloeg en aan Maria van Bethanië als de vrouw die Jezus zalfde. Het antwoord dat Bauckham op deze vraag geeft, acht ik zeer overtuigend. Hij stelt dat in de andere evangeliën hun namen ter bescherming niet zijn genoemd. Toen de synoptische evangeliën op schrift werden gesteld, kon deze informatie tegen de genoemde personen worden gebruikt. Dat speelde niet meer bij het schrijven van het evangelie naar Johannes. Al de genoemde personen waren in die tijd al overleden.

De bijzondere plaats van het evangelie naar Johannes

bijbel_vergrootglas.pixabay

“Naar mijn overtuiging is de studie van Bauckham één van de belangrijkste publicaties op het terrein van het Nieuwe Testament sinds langere tijd. Duidelijk is dat deze studie van bijzonder belang is voor de vraag naar de historische betrouwbaarheid van de evangeliën.”

Onder de evangeliën neemt het evangelie naar Johannes een bijzondere plaats in. Volgens Papias misten de evangeliën van Markus en Mattheüs de orde die het evangelie van Johannes had. Papias heeft daarbij aan de chronologische volgorde waarin de gebeur¬tenis¬sen werden verteld gedacht. De bijzondere plaats van Johannes is bij Papias gerelateerd aan het feit dat hij de enige schrijver van een evangelie was, die ook zelf ooggetuige was. Uit het evangelie naar Johannes wordt de bijzondere betekenis van de schrijver ervan als ooggetuige duidelijk. Terwijl Petrus als bijzondere taak had de gemeente te leiden, was het de roeping van Johannes een getuige te zijn. Als ooggetuige komt het niet alleen aan het slot van het evangelie naar voren, maar ook aan het begin. Hij is de discipel die samen met Andreas als eerste Jezus volgt en daarmee voldoet aan de eis dat een getuige van het evangelie Jezus gevolgd moet hebben vanaf de doop van Johannes de Doper. Juist omdat Johannes ooggetuige was, kon hij meer dan de andere evangelisten op theologische wijze het optreden van Jezus op aarde beschrijven zonder aan de historische werkelijkheid geweld te doen.

Slot

Naar mijn overtuiging is de studie van Bauckham één van de belangrijkste publicaties op het terrein van het Nieuwe Testament sinds langere tijd. Duidelijk is dat deze studie van bijzonder belang is voor de vraag naar de historische betrouwbaarheid van de evangeliën. Het enige waarin ik echt van mening verschil met de auteur is de identiteit van de schrijver van het vierde evangelie. Hij meent dat Johannes de ouderling over wie Papias spreekt, een andere is dan Johannes de apostel. Bauckham schenkt ten onrechte geen betekenis aan het feit dat de nauwe band die volgens de synoptische evangeliën en Handelingen tussen Petrus en Johannes de zoon van Zebedeüs bestaat, echter overeenkomt met de nauwe band tussen Petrus en de door Jezus geliefde discipel in het evangelie naar Johannes. Graag had ik ook gezien dat hij de betekenis van het feit dat Johannes ooggetuige is breder had uitgewerkt met betrekking tot de betrouwbaarheid van dit evangelie in historisch opzicht. Kennis van de geschiedenis is gebaseerd op getuigenissen. Wie deze vorm van kennis verwerpt, maakt geschiedwetenschap onmogelijk. Kennis van Jezus is gebaseerd op de verslagen van ooggetuigen. De kerk der eeuwen weet van deze verslagen van ooggetuigenissen in de vorm van de vier evangeliën. Zo ontmoeten wij Jezus zoals Hij was en is. De diepste zekerheid daarvan schenkt de Heilige Geest. De studie van Bauckham laat zien dat er tal van argumenten voor de betrouwbaarheid en betekenis van deze verslagen van ooggetuigen zijn te noemen.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen. Het originele artikel is hier te vinden.

Voetnoten

  1. N.a.v. Richard Bauckham, Jesus and the Eyewitnesses: The Gospels as Eyewitness Testimony, Eerdmans Publishing Co., Grand Rapids, Michigan/Cambridge 2006; ISBN 978-0-8028-3162-0; hb. 538 pag. Prijs $32,–.

LEUK ARTIKEL?
Bent u blij met dit artikel? Het onderhoud en de ontwikkeling van deze website vragen financiële offers. Zou u ons willen steunen met een maandelijkse bijdrage? Dat kan door ons donatieformulier in te vullen of een bijdrage over te schrijven naar NL53 INGB000 7655373 t.n.v. Logos Instituut. Logos Instituut is een ANBI-stichting en dat wil zeggen dat uw gift fiscaal aftrekbaar is.

Pieter de Vries

Written by

Dr. P. de Vries werd op 23 april 1956 geboren te Kinderdijk (gemeente Nieuw-Lekkerland) in de Alblas­serwaard. Van 1974 tot 1981 studeerde hij the­ologie en Semitische talen aan de Rijks­universi­teit van Utrecht. Het kerkelijk exa­men werd in 1980 afgelegd en het doctoraal examen (oude stijl) in 1981 met als hoofdvak gereformeerde theolo­gie en als bijvakken Oude Testament en Nieuwe Testament. In 1999 promoveerde hij aan de Theologische Universiteit van de Christelijke Gereformeerde Kerken te Apeldoorn. De titel van zijn dissertatie luidde Die mij heeft liefgehad. De gemeenschap met Christus in de theologie van John Owen (1616-1683). In 2010 promoveerde hij voor de tweede maal aan de Universiteit van Amsterdam op een dissertatie met als titel De heerlijkheid van JHWH in het Oude Testament en wel in het bijzonder in het boek Ezechiël. Daarnaast verschenen van zijn hand meerdere boeken. Twee daarvan gaan over de apologetische betekenis van Cornelius van Til en Alvin Plantinga. Sinds september 2005 is hij docent bijbelse theologie en hermeneutiek aan het Hersteld Hervormd Seminarium verbonden aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. Van 2005 tot 2009 gaf hij daar ook apologetiek. Vanaf november 2011 is hij daarnaast parttime predikant van de Hersteld Hervormde Gemeente te Boven-Hardinxveld.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

 tekens over