Waar komt godsdienst vandaan? Als je dat aan een gemiddelde wetenschapper vraagt, zul je waarschijnlijk te horen krijgen dat godsdienst langzaam is ontstaan uit de aanbidding van natuurfenomenen. Godsdienst is daarmee volgens veel wetenschappers simpelweg een uiting van onwetendheid. Maar hoe ging deze veronderstelde evolutie van godsdienst dan in z’n werk? Zijn er aanwijzingen die laten zien hoe godsdienst zich vanaf de vroegste tijden ontwikkelde?

Volgens de evolutiehypothese was de mens in vroeger tijden primitief. Om de ‘onverklaarbare’ fenomenen die men toentertijd zag te kunnen verklaren, begonnen primitieve mensen te geloven in goddelijke krachten, die achter de zichtbare werkelijkheid schuilgingen. Volgens de evolutiehypothese begon de mens daarom met de aanbidding van bovennatuurlijke krachten en geesten, maar ook van natuurfenomenen zoals regen, onweer en wind; en hemellichamen, met name de zon en maan. Deze vorm van geloof wordt ‘animisme’ of ‘natuurgodsdienst’ genoemd. Sommige volken begonnen deze bovennatuurlijke krachten en natuurfenomenen te personifiëren. Dat houdt in dat ze aan die fenomenen eigenschappen toeschreven van een goddelijk ‘persoon’. Zo kreeg je bijvoorbeeld een god van de wind, een god van de regen, een god van de oogst, een maangod, een zonnegod, enzovoorts. Dit resulteerde uiteindelijk in de aanbidding van heel veel goden – het polytheïsme. Na vele eeuwen van polytheïsme ontstond bij de zich steeds verder ontwikkelende mens de gedachte dat er maar één God was. Zo werd het monotheïsme geboren, waartoe ook het christendom wordt gerekend.

Menselijk verzinsel

Tot zover de evolutiehypothese. Uitgaande van deze visie is het geloof in God dus niets meer dan een verzinsel van de mens. Maar dat staat haaks op de Bijbelse visie. Want als het waar is wat het Bijbelboek Genesis zegt, namelijk dat alle mensen van Adam afstammen, dan zou het geloof in één God het oudste op aarde moeten zijn. Hoe verder je teruggaat in de tijd, hoe zuiverder het monotheïsme zou moeten worden. De aanbidding van vele goden is dan pas later ontstaan. De volgende vragen zijn daarom interessant: wat zijn de vroegste en ‘primitiefste’ vormen van godsdienst die gedocumenteerd zijn? En ondersteunen die religieuze concepten van de vroege volken de evolutionistische visie of de Bijbelse?

Babyloniërs en Soemeriërs

De godsdienst van de oude rijken Babylon en Soemer staat bekend als een duidelijke vorm van polytheïsme. Het is echter interessant om te zien dat meerdere onderzoekers van de Babylonische en Soemerische cultuur de godsdienst van deze volken herleiden tot een oorspronkelijk monotheïsme. Stephen Herbert Langdon (1876-1937), een Mesopotamië-expert en onderzoeker van kleitabletten, beweerde op basis van inscripties dat het vroegste Soemerische religieuze concept niet polytheïstisch was, maar onmiskenbaar naar een oorspronkelijk monotheïsme wees. De geschiedenis van de oudste beschaving op aarde was volgens Langdon ‘…een snelle val van monotheïsme tot extreem polytheïsme, en een wijdverbreid geloof in kwade geesten.’ De Nederlandse archeoloog Henri Frankfort (1897-1954), die de opgravingen in de Soemerische stad Tell Asmar leidde, trok een soortgelijke conclusie. Frankforts team onderzocht zowel een eeuwenoude tempel als de huizen van mensen die in de tempel hun goden aanbaden. Hij ontdekte dat afbeeldingen op cilinderzegels (‘stempels’ die in zachte klei werden uitgerold en zo een zich herhalend patroon achterlieten) allemaal naar één god verwezen. Normaal gesproken verwijzen cilinderzegels juist naar vele goden. Frankfort meende dat de verschillende kenmerken van deze ene, vroege godheid later aan aparte godheden werden toegeschreven.

De oude Chinezen

China wordt traditioneel gezien als het land van het taoïsme, confucianisme en boeddhisme. Interessant genoeg kenden de Chinezen ooit een zeer helder monotheïsme. Ze aanbaden namelijk Shang Di (letterlijk: hemelse heer). Hij werd gezien als een genadige god die gebeden verhoorde. Confucius schreef in zijn geschrift Shujing (‘Boek der Documenten’) dat de heerser tijdens China’s eerste dynastie (van 2256 tot 2205 v.Chr.) offers aan deze godheid bracht. Toen de Zhou-dynastie de controle over China kreeg (in 1066-770 v.Chr.) werd de aanbidding van Shang Di vervangen door de aanbidding van de hemel zelf. Uiteindelijk deden andere religies hun intrede in China. Toen Mao Zedong aan de macht kwam, in het midden van de twintigste eeuw, vernietigde hij veel van de oude geschriften over Shang Di, omdat hij een antireligieus en communistisch China nastreefde. Hierdoor is veel van de historische rijkdom van het oude China verloren gegaan en zijn veel Chinezen zich nauwelijks bewust van hun monotheïstische verleden.

India

India is het land van het hindoeïsme – de religie die doorgaans wordt gezien als hét schoolvoorbeeld van extreem polytheïsme en pantheïsme (‘alles is goddelijk’). Toch geldt ook voor de oude Indiërs dat dit niet hun oorspronkelijke godsdienst was. De negentiende-eeuwse onderzoeker Joseph Edkins, die in China woonde en zijn leven wijdde aan het onderzoeken van Aziatische religies, schreef: ‘Het is noemenswaardig dat we niet alleen in China een zuiver geloof vinden dat dateert van voor de intrede van het polytheïsme; hetzelfde geldt voor India.’ Winfried Corduan, een professor in de filosofie en religie, zegt over het godenstelsel van India: ‘Achter dit pantheon vinden we de restanten van een oorspronkelijk monotheïsme, alhoewel het verscheidene veranderingen heeft ondergaan.’ Hij vermeldt hoe in het hindoeïsme alle goden en bovennatuurlijke wezens deva’s worden genoemd, terwijl dit woord oorspronkelijk terugvoert naar de benaming van slechts één godheid, Dyaus Pitar (wat letterlijk ‘hemelvader’ betekent). Volgens Corduan werd de godheid in latere tijden echter vereenzelvigd met de hemel. Het monotheisme verviel in India langzaam maar zeker tot het gecompliceerde meergodendom dat het vandaag de dag is.

Inheemse Amerikanen

Er is geen betere manier om dicht bij de meest oorspronkelijke religieuze concepten te komen, dan door de gebruiken van de meest ‘primitieve’ volken op aarde te bestuderen. Om te beginnen kun je dan kijken naar de oorspronkelijke inwoners van het Amerikaanse continent, wiens religie doorgaans beschreven wordt als een vorm van natuurgodsdienst met polytheïstische invloeden. Ook hier lijkt een oorspronkelijk monotheïsme aan ten grondslag te liggen. Zo vermeldt de Popul Vuh, een van de heilige geschriften van de Mayacultuur, dat de Maya’s oorspronkelijk maar één god aanbaden, en pas later in afgoderij en meergodendom vervielen. Ook voor veel andere indianenstammen geldt dat hun geloof het best omschreven kan worden als ‘verwaterd monotheïsme’. Over het algemeen erkennen de indianenvolken namelijk één oppergod. Die staat onder verschillende namen bekend, zoals Grote Manitou, Grote Geest of Groot Mysterie. Daarnaast zijn de indianen natuurgeesten en voorouders gaan aanbidden. Het is echter opmerkelijk dat je onder de primitiefste stammen van het Amerikaanse continent het meest zuivere monotheïsme terugvindt. Stammen zoals de Maidu, Yuki en Wintun in Californië – culturen die je zou indelen bij de eenvoudigste vorm van jager-verzamelaars – kennen een zuiver geloof in één schepper-god. Dat suggereert dat de oorspronkelijke godsdienst ook monotheïstisch was.

Afrikaanse stammen

In Afrika, waar eveneens veel ‘primitieve’ stammen wonen, zie je iets soortgelijks als in Amerika. Veruit de meeste Afrikaanse culturen geloven in één allerhoogste schepper-god. De naam van deze godheid verschilt per cultuur: Chukwu, Nyame, Olodumare, Ngai, Brekyirihunuade, Nhialic, Abassi, Roog, en tal van andere namen. Deze schepper-god wordt geassocieerd met de hemel, wordt gezien als almachtig, alwetend, eeuwig, geestelijk en als degene die in alles voorziet. Tegelijk is bekend dat veel Afrikaanse volken geloven in geesten die aan de schepper-god ondergeschikt zijn, en waarmee men contact kan leggen. Daarnaast zijn veel Afrikaanse volken voorouders gaan vereren en kennen zij vormen van waarzeggerij. De religieuze concepten van Afrika passen zeer goed in de hypothese van een oorspronkelijk monotheïsme: men gelooft bijna zonder uitzondering altijd in één almachtige godheid, maar de verering van die godheid is door de eeuwen heen vertroebeld geraakt door voorouderverering en de aanbidding van geesten. Net als bij de inheemse Amerikanen zie je de meest intacte vormen van monotheïsme bij de meest ‘primitieve’ stammen, zoals de Masaï uit Oost-Afrika en de Kikuyu en Kamba uit Kenia. Zij geloven in een onzichtbare, almachtige schepper-god genaamd Ngaï of Engaï, maar ze noemen hem meestal ‘Asa’, wat ‘Vader’ betekent.

Australië en Nieuw-Zeeland

Op het Australische continent leven de Aboriginals, die een religie kennen waarbij de verering van voorouders en het identificeren van goden met dieren een centrale plaats inneemt. Vanwege deze reden wordt hun geloof doorgaans gezien als een vorm van animisme. Toch aanbidden ook zij één schepper-god, die afhankelijk van stam en gebied andere namen heeft; zoals Pund-jel of Bunjil, of Baiame. Die laatste naam betekent ‘Vader-God’ of ‘Grote Geest’. Voor de Maori uit Nieuw-Zeeland geldt dat de waarheid geweld aangedaan zou worden als je hun geloof het label ‘natuurgodsdienst’ zou geven. Zij aanbidden de almachtige godheid Io, en kennen hem vele titels toe: ‘de Allerhoogste’, ‘de Eeuwige’, ‘de Ouder’ (in de zin van: vader of moeder), ‘de Ouderloze’ (want hij heeft geen begin of einde), ‘de Oorspronkelijke’, ‘de Verborgene die niet gezien kan worden’, de ‘Veelogige’, de ‘Bron van alle wijsheid’, ‘de Vreugdevolle’, ‘de Alvoorziener’, enzovoorts. Maar ook hier geldt dat de Maori in latere tijden andere goden en krachten tot hun godsdienst hebben toegelaten, waardoor het oorspronkelijke monotheïsme vertroebeld raakte.

Oorspronkelijk monotheïsme

Bij tal van volken zie je dus dat het vroegste geloof een geloof in één god was – een concept dat vervolgens in de loop van eeuwen verviel tot polytheïsme en animisme. Dit is iets wat ook geleerden door de eeuwen heen is opgevallen. Een van de bekendste geleerden die zich met de religieuze concepten van oude volken bezighield, was de Oostenrijkse linguïst, antropoloog en etnoloog Wilhelm Schmidt (1868-1954). Hij onderzocht talloze vroege culturen en concludeerde dat alle religies op aarde terug te voeren zijn naar een oorspronkelijk monotheïsme. Schmidt deed daarnaast onderzoek onder de meest eenvoudige stammen van jager-verzamelaars die in zijn tijd op aarde leefden, en toonde aan dat de meest primitieve culturen in de regel het meest zuivere monotheïsme kennen. Ook Isaac Newton deed een interessante observatie. Hij zag hoe de oude volken telkens volgens eenzelfde patroon vervielen tot polytheïsme en afgoderij, terwijl hun originele godsdienst een rationeel monotheïsme was. Volgens Newton was de opkomst van het polytheïsme te wijten aan het feit dat volken hun voorouders – veelal hun overleden leiders en helden – begonnen te aanbidden. Hoewel het onmogelijk is om exact te reconstrueren wat de vroegste volken geloofden, lijkt de studie van de primitiefste godsdienstige concepten dus echt te wijzen naar een ontwikkeling vanuit monotheisme – iets wat zeer goed in lijn is met de Bijbelse visie.

Dit artikel is met toestemming overgenomen uit Weet Magazine. De volledige bronvermelding luidt: Evenboer, T., 2017, De evolutie van godsdienst. Geloofden alle volken ooit in één God?, Weet 47: 22-25 (pdf).

LEUK ARTIKEL?
Bent u blij met dit artikel? Het onderhoud en de ontwikkeling van deze website vragen financiële offers. Zou u ons willen steunen met een maandelijkse bijdrage? Dat kan door ons donatieformulier in te vullen of een bijdrage over te schrijven naar NL53 INGB000 7655373 t.n.v. Logos Instituut. Logos Instituut is een ANBI-stichting en dat wil zeggen dat uw gift fiscaal aftrekbaar is.

Written by

Dit artikel is met toestemming overgenomen van Weet-Magazine. Regelmatig wisselen we artikelen uit met het tijdschrift Weet Magazine. Abonnee worden? Klik dan hier.