Het begin van de indeling van het dierenrijk staat in het begin van Genesis. De Thora onderscheidt daar de drie leefgebieden: water, lucht en land. Deze indeling is vanuit menselijk oogpunt direct waarneembaar.

Het tweede onderscheid bij de indeling van het dierenrijk is de voedingsleer en daarmee de volksgezondheid. Is het di(n)er al of niet geschikt voor menselijke consumptie. Kun je er bijvoorbeeld ziek van worden? De dieren die geschikt zijn voor menselijke consumptie noemt de Thora rein. Dit houdt niet alleen verband met voorkomen van ziekte, maar ook met het natuurlijk evenwicht, want het zijn mede de voedingsgewoonten van de dieren en hun plaats in de voedselketen die bepalen of een dier rein is of niet.

In het water worden dieren in twee klassen ingedeeld en daarbij wordt een derde onderscheid gemaakt op basis van de vorm en afmetingen van het lichaam en bijzondere lichaamskenmerken: de grote zeedieren enerzijds en overige dieren anderzijds. De grote zeedieren zijn nader in te delen in groepen zoals soorten walvissen, haaien en inktvissen. De overige dieren worden ingedeeld in dieren met schubben en vinnen én de dieren die dat niet hebben. Al dat schubben en vinnen heeft (de vissen) behoort tot de reine dieren. Bekende vissoorten zijn haring, zalm en kabeljauw.

De lucht is het leefgebied van de vogels waarbij ook de struisvogel en de vleermuis zijn ingedeeld. In de grondtekst staat eigenlijk gevleugeld/gevogelte en hij geeft daarmee een omschrijving die ruimer is dan slechts kunnen vliegen of slechts veren hebben. In de lucht behoren de roofvogels (carnivoren) en alleseters (omnivoren) tot de onreine dieren. Tot de reine dieren behoren onder andere de kip, de kalkoen en de eend.

Op het land worden de dieren in drie groepen ingedeeld: Het kruipend gedierte, het vee en het wild gedierte. Het kruipend gedierte wordt nader ingedeeld in enerzijds dieren met vleugels en vier poten, anderzijds in dieren die zich op de grond bevinden. De dieren die zich op de grond bevinden worden vervolgens ingedeeld in drie groepen: dieren die zich op de buik voortbewegen, dieren die vier poten hebben en dieren die meer dan vier poten hebben. Al deze dieren die zich op de grond bevinden zijn onrein zoals de muis, de mol, de egel, de kikker, de ringslang en de hagedis. De dieren met vleugels en vier poten worden nader ingedeeld in dieren met een stel springpoten. Deze zijn rein. Dieren zonder springpoten zijn onrein. Tot de dieren met vleugels en vier poten én met een stel springpoten behoren alle soorten sprinkhanen. Het vee bestaat uit tamme dieren die de mens tot nut zijn als rij- last- en trekdier. Ze worden vaak en gemakkelijk in grote groepen gehouden om te voorzien in voedsel zoals boter, kaas, eieren, melk en vlees. Zij kunnen ook dienen tot vermaak. Daarnaast leveren ze onder andere wol en leer voor kleding, schoenen, tenten en tapijten. In vroegere tijden werd van vellen van jong vee ook perkament gemaakt. Het vierde onderscheid dat wordt gemaakt bij dieren op het land die tot het vee en het wild gedierte behoren is gebaseerd op het spijsverteringsproces. Tot de reine dieren behoren dan alle herkauwende hoefdieren met geheel gespleten hoeven. De meest bekende reine dieren van het vee zijn het rund, het schaap en de geit. Het paard, de ezel en het varken zijn onrein.

Het wild gedierte is de groep dieren die noch tot het kruipend gedierte behoren noch tot het vee. Het wild gedierte wordt vervolgens ingedeeld in dieren met vier poten en dieren die dat niet hebben. Dieren die geen vier poten hebben zijn onrein. Vervolgens worden de vierpotige dieren ingedeeld in enerzijds zoolgangers, die allen onrein zijn, en anderzijds hoefdieren. De hoefdieren worden nader ingedeeld in drie groepen: dieren met geheel gespleten hoeven (het ziet eruit alsof ze twee tenen hebben, zoals bij het rund) en dieren met deels gespleten hoeven, waarvan de tenen aan het achtereind van de hoef met elkaar zijn verbonden door middel van een elastische zool zoals bij de kameel. Zij vormen de evenhoevigen. De niet evenhoevigen zijn de derde groep waartoe het paard (eenhoevig) behoort.

Een bijzonder kenmerk is of het dier herkauwt of niet. De dieren met geheel gespleten hoeven, die herkauwen, hebben een complexe maag en een bijzonder spijsverteringsproces. Deze maag is verdeeld in vier holten: de pens, de netmaag, de boekmaag en de lebmaag. Ook voor het wild gedierte geldt dat de verzameling hoefdieren met geheel gespleten hoeven die herkauwen reine dieren zijn. Hiertoe behoren de hoorndieren, de hertachtigen of geweidragers, de giraffen, de gaffelantilopen en de (dwerg)muskusdieren. Zij worden herbivoren genoemd, omdat het gras- en planteneters zijn. De evenhoevigen, niet-herkauwers, zoals het varken, behoren tot de onreine dieren. Ook tot de onreine dieren, hoewel zij wel herkauwen maar deels gespleten hoeven hebben, behoren de kameelachtigen, de klipdas en de haas. De kameelachtigen waartoe de kameel, de dromedaris en de lama behoren, hebben een maag die uit drie holten bestaat. De maag van de klipdas bestaat uit twee holten en de haas herkauwt op een bijzondere manier: die eet uitwerpselen van zichzelf op. Al deze dieren zijn onrein, omdat de Thora deze als zodanig kwalificeert.

De indeling van het dierenrijk in de wereldlijke wetenschap wijkt af van die in de Bijbelwetenschappen. Dat komt omdat er een ander onderscheid wordt gehanteerd. In de wereldlijke wetenschap zijn vooral de gemeenschappelijke lichaamskenmerken en de anatomie de maatstaf die de indeling bepalen. Tot 1693 gold zo’n tweeduizend jaar lang de indeling volgens de Griekse geleerde Aristoteles (384-322 v.Chr.). Hij deelde de dieren in groepen in met als onderscheid de aanwezigheid of afwezigheid van bloed. Daarbij maakte hij vervolgens onderscheid tussen levendbarende viervoeters, eieren leggende vogels, reptielen en vissen. In 1693 nam John Ray deze indeling over en voegde daaraan toe dat exemplaren van dezelfde soort hun vorm en gedaante bij de voortplanting behouden en dat de kruising van verschillende soorten onvruchtbaar blijft of beperkt is tot een generatie. Het was tenslotte Carl Linnaeus (1707-1778), die de Latijnse wetenschappelijke naamgeving introduceerde en die de dieren indeelde op grond van afnemende gemeenschappelijke lichaamskenmerken. Het is met name deze indeling waar de wereldlijke biologische wetenschap aan vasthoudt met de idee van een gemeenschappelijke afstamming van een of enkele soorten (algemene evolutieleer) op de achtergrond in tegenstelling tot de bijbelwetenschappelijke indeling die met name leefgebied, voedingsleer, bijzondere lichaamskenmerken en spijsverteringsproces als selectiecriteria hanteert.

LEUK ARTIKEL?
Bent u blij met dit artikel? Het onderhoud en de ontwikkeling van deze website vragen financiële offers. Zou u ons willen steunen met een maandelijkse bijdrage? Dat kan door ons donatieformulier in te vullen of een bijdrage over te schrijven naar NL53 INGB000 7655373 t.n.v. Logos Instituut. Logos Instituut is een ANBI-stichting en dat wil zeggen dat uw gift fiscaal aftrekbaar is.

Written by

Mr. P.A.C.H. Kerstholt is belastingadviseur en fiscaal intermediair.