Wij zijn gewend aan de uitspraak dat God de Vader de wereld geschapen heeft. Het Nieuwe Testament verklaart echter dat de Zoon hierbij nadrukkelijk betrokken was. Wat betekent dat? De discussies over de schepping gaan meestal over Genesis 1-3, maar hoe vat het Nieuwe Testament deze hoofdstukken op?

In het evangelie van Lukas staat het geslachtsregister van Jezus Christus. Dit geslachtsregister voert terug tot Adam. Jezus was ‘de zoon van Enos, de zoon van Seth, de zoon van Adam, de zoon van God’ (Luk.3:23-38). Adam is daarmee het directe resultaat van Gods scheppingswerk, niet de afstammeling van een ander mens of een dier.

Jezus beschouwde Adam en Eva als het eerste mensenpaar. Dit komt naar voren in een gesprek over echtscheiding: ‘Maar vanaf het begin van de schepping heeft God hen mannelijk en vrouwelijk gemaakt.’ Deze uitspraak is gebaseerd op Genesis 1:27 en daarna volgt een verwijzing naar het huwelijk in Genesis 2:24 (Mar.10:6-8). Ook al ontbreken hier de namen van Adam en Eva, uit de verwijzingen blijkt wel dat zij bedoeld zijn.
Later houdt Paulus een rede op de Areopagus in Athene. Hij verkondigt de God die de hemel en de aarde gemaakt heeft. Hij maakte uit één bloed heel het menselijke geslacht om op heel de aardbodem te wonen (Hand.17:26). In sommige handschriften ontbreekt het woord ‘bloed’, maar de nauwe aansluiting bij de eerste hoofdstukken van Genesis pleit voor de klassieke uitleg dat Paulus één persoon bedoelde.

Zien van Gods werken

Paulus schrijft in de brief aan de Romeinen over de kennis van God op aarde: ‘Want de dingen van Hem die onzichtbaar zijn, worden sinds de schepping van de wereld uit zijn werken gekend en doorzien, namelijk én zijn eeuwige kracht én zijn goddelijkheid’, met als gevolg dat de heidenen niet te verontschuldigen zijn (Rom.1:18-20).

In de huidige discussies komt vaak de vraag naar voren of Gods werk te zien is in de schepping. Velen willen ‘het boek van de natuur’ nadrukkelijk erkennen als bron om Gods werken te leren kennen, en leggen deze bron naast de Bijbel (‘het boek van de Schriftuur’). Maar wat leren wij uit ‘het boek van de natuur’? Verkrijgen we hieruit alleen wetenschappelijke inzichten die iets duidelijk maken over de natuur en de natuurwetten? Of leren wij er ook iets van over God Zelf?

De aanhangers van Intelligent Design menen het laatste. Zij komen met veel voorbeelden van zaken die niet uit zichzelf ontstaan kunnen zijn en die volgens hen op een Ontwerper wijzen. Heel wat theïstisch evolutionisten zijn het echter niet eens met het ontwerpargument. Zij zijn van mening dat het niet mogelijk is uit de huidige wereld Gods activiteiten af te leiden. Voor alle duidelijkheid: zij belijden wel degelijk Gods scheppende hand en zij zien de wetenschap als een middel om Gods wonderen in de natuur te ontdekken. Het gaat echter om het punt of er vanuit een ontwerp gedacht moet worden aan een Ontwerper. Wanneer men dat ontkent, wijkt men af van het besef in het Oude Testament dat Gods werken in de natuur zichtbaar zijn en een reden vormen voor lofprijzing (Ps.8 en 19). Ook is dan de benadering van Paulus in Romeinen 1-2 niet meer van kracht, want God is dan niet te kennen door onze waarnemingen.

Adam en Christus

In Romeinen 5 staat de apostel uitvoerig stil bij de relatie tussen Adam en Christus. Door één mens, namelijk Adam, is de zonde in de wereld gekomen en als gevolg daarvan de dood. Deze dood heeft geregeerd van Adam tot Mozes toe, ook over hen die niet dezelfde overtreding als Adam begaan hebben (vs.12-14). Uit het verband blijkt dat hier de lichamelijke en geestelijke dood bedoeld worden. Door Jezus Christus is er echter een overvloediger gave, namelijk genade en vergeving, waardoor mensen weer in de rechte verhouding tot God kunnen komen (vs.15-19).
Volgens Paulus verwacht de schepping met reikhalzend verlangen het openbaar worden van de kinderen van God (Rom.8:19). ‘Want de schepping is aan de zinloosheid (of: vergankelijkheid) onderworpen, niet vrijwillig, maar door Hem die haar daaraan onderworpen heeft’ (vs.20). De schepping verlangt in de hoop dat zij bevrijd zal worden van ‘de slavernij van het verderf’, om te komen tot de vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen van God (vs.21). De schepping zucht en is in barensnood tot nu toe (vs.22). De klassieke uitleg is dat Paulus hier de gevolgen van Genesis 3 aanduidt. God heeft de schepping onderworpen – tegen haar wil – als gevolg van de daden van de mensen.

Volgorde in de schepping

In 1 Korinthe 6:16 ontleent Paulus een argument tegen hoererij aan Genesis 2:24: ‘Daarom zal een man … zich aan zijn vrouw hechten; en zij zullen tot één vlees zijn.’ In hoofdstuk 11 komt de plaats van de vrouw in de christelijke gemeente aan de orde, en ook daarvoor beroept de apostel zich op Genesis 2: ‘De man is immers niet uit de vrouw, maar de vrouw uit de man’ (11:8,12). Dit is een verwijzing naar de schepping van de eerste man, die niet uit een vrouw werd geboren, maar uit de aarde werd genomen en een verwijzing naar de schepping van de vrouw uit de rib/zijde van Adam. Tevens zegt de apostel dat de man niet was geschapen voor de vrouw, maar de vrouw voor de man, een verwijzing naar de helper die door God aan de man gegeven werd. Paulus vat de weergave in Genesis 2-3 chronologisch op (11:12). Dit gebeurt ook in de eerste brief aan Timotheüs: ‘Want Adam is eerst gemaakt, daarna Eva.’ Hij verwijst ook nog naar het feit dat niet Adam, maar Eva misleid is (1Tim.2:13-14). Deze uitleg is niet goed te verenigen met de opvatting dat er een hele groep mensen op aarde was, waaruit Adam en Eva gekozen werden.

In 1 Korinthe 15 bespreekt Paulus de opstanding uit de dood. De dood wordt hier gepersonifieerd als een boze macht die de mensheid in zijn greep heeft. Die dood is geen natuurlijk gegeven dat daarom aanvaard moet worden, maar een vijand die overwonnen moet worden. De tweede brief aan Korinthe noemt de verleiding van Eva door de slang (2Kor.11:3).

Dorens en distels

Hebreeën 6 bevat een waarschuwing tegen afval van het geloof en zegt: ‘Maar de aarde die dorens en distels voortbrengt, is verwerpelijk en de vervloeking nabij, waarvan het einde tot verbranding leidt’ (6:8). De woorden ‘dorens en distels’ en ‘vervloeking’ verwijzen naar Genesis 3:17-18, waar de vervloeking van de aarde beschreven staat, zodat deze dorens en distels voortbrengt. Sindsdien zijn deze planten een symbool van de wildernis en van veroordeling.

De gevolgen van de val in Genesis 3 staan ook in de hoofdstukken daarna: over Kaïn en over de zonde in de tijd van de vloed. In zijn eerste brief wijst de apostel Petrus op de ongehoorzaamheid van de mensheid in de tijd dat de ark door Noach gebouwd werd. In die ark werden acht mensen behouden (1Petr.3:20). In zijn tweede brief staat ook een verwijzing naar het vergaan van ‘de oude wereld’ door de zondvloed, terwijl het achttal van Noach bewaard bleef (2Petr.2:5). Evenals in die tijd zullen er ook in de toekomst spotters zijn die zich afvragen wat er van Gods beloften terechtkomt. ‘Want vanaf de dag dat de vaderen ontslapen zijn, blijven alle dingen zoals vanaf het begin van de schepping’ (3:3-4). Die spotters houden er geen rekening mee dat door Gods Woord de hemelen er reeds lang geweest zijn, evenals de aarde die uit het water oprijst (3:5). Die wereld is overspoeld door water, maar wordt nu voor het vuur bewaard tot de dag van het oordeel (vs.6-7). Hier wordt het ‘uniformitarisme’ afgewezen, alsof alle verschijnselen op aarde steeds hetzelfde blijven, en dat dus ook zo het verleden en de toekomst van de aarde berekend kunnen worden.

Het begin en slot van de Bijbel

Het boek Openbaring kondigt een afrekening aan met alle machtige tegenstanders, zoals het beest en de valse profeet (Op.19). In Openbaring 20 wordt ‘de draak, de oude slang, dat is de duivel en de satan’, voor duizend jaar gebonden (hij is al eerder zo genoemd in 12:9). Deze benaming verwijst naar de verleiding in Genesis 3. Na enige tijd vrijgelaten te zijn, wordt de satan uiteindelijk in de poel van vuur en zwavel geworpen, waar ook het beest en de valse profeet reeds zijn (20:3,7,10).

Het volgende hoofdstuk noemt een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, ‘want de eerste hemel en de eerste aarde waren voorbijgegaan’ (21:1). Bij de eerste aarde horen tranen, dood, rouw, jammerklacht en moeite (vs.4). Dat zijn de gevolgen van de vervloeking in Genesis 3 en die zullen ongedaan gemaakt worden.

Het boek Openbaring schildert verder het nieuwe Jeruzalem dat uit de hemel neerdaalt (21:2,10). Deze stad heeft de zon en de maan niet nodig, want de heerlijkheid van God verlicht haar (vs.23). In deze hoofdstukken volgen de gebeurtenissen elkaar snel op. De doden staan op uit hun graf (20:4-5, 12-15), de nieuwe hemel en aarde zijn plotseling realiteit en het nieuwe Jeruzalem daalt neer (21:1-2). Er is geen sprake van een geleidelijk verloop van de geschiedenis in een proces van miljoenen of miljarden jaren. Dat roept de vraag op: als God in de toekomst zo plotseling zal handelen, heeft Hij dat in de begintijd dan ook niet gedaan?

In het laatste hoofdstuk beschrijft Johannes een zuivere rivier, met aan de ene en de andere kant het ‘geboomte des levens’, dat twaalf vruchten voortbrengt, van maand tot maand. De bladeren van het geboomte zijn tot genezing van de volken (22:1-2). Geen enkele vervloeking zal er meer zijn (vs.3), zodat de paradijselijke situatie wordt hersteld. Die houdt niet alleen de vernieuwing van mensen in, maar ook de vernieuwing van de aarde.
Verderop klinkt de verzekering: ‘Zalig zijn zij die zijn geboden doen, zodat zij recht mogen hebben op het geboomte des levens’ (vs.14). De toekomst wordt beschreven als een herstel van het verleden, en als een situatie die nog groter in heerlijkheid is.

Schepping door Christus

Het Nieuwe Testament leert dat God de wereld heeft geschapen door Christus (Kol.1:16; Heb.1:2). Hij was het Woord en alle dingen zijn door het Woord gemaakt (Joh.1:1-3). Paulus zegt dat uit de Vader alle dingen zijn, en hij noemt ‘één Heere Jezus Christus, door wie alle dingen zijn en wij door Hem’ (1Kor.8:6; vgl. Ef.3:9). Behalve de oorsprong is ook de voortgang van deze wereld van Hem afhankelijk: Hij draagt alle dingen door zijn krachtig woord (Heb.1:3).

Deze Christus spreekt de armen en zwakken zalig (Mat.5). Hij vervult Psalm 72, waarin het gaat over een koning die omziet naar de ellendigen en armen, en hen ook redt (72:2-4,12-14). Jezus identificeert Zich meermalen op een bepaalde wijze met de arme, de vreemdeling, de naakte en de zieke (Mat.25:35-36). De Heiland heeft ons ook de Vader geopenbaard: ‘Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien’ (Joh.14:9vv.). Vanwege de eenheid van de Vader en de Zoon valt te verwachten dat de Zoon het karakter en de werkwijze van de Vader weerspiegelt. De God van het Oude en Nieuwe Testament handelt ‘goed’ en is barmhartig; als Hij straft, doet Hij dit op rechtvaardige wijze.

Dit is echter niet in overeenstemming te brengen met het evolutiemechanisme dat uitgaat van het recht van de sterkste en de ‘survival of the fittest’, waardoor de niet-aangepaste, zwakke en zieke organismen verwijderd worden. Zou God dit mechanisme geschapen hebben en dat ook nog ‘goed’ genoemd hebben? Past ‘goed’ bij een proces waarin dieren een langzame en wrede dood kunnen sterven? De evolutietheorie gaat uit van opeten en opgegeten worden in een ecologische samenhang. Dit vormt een grote tegenstelling met het onderwijs van het Nieuwe Testament. Het is aannemelijker dat de huidige selectieprocessen, waardoor de minder aangepaste organismen het moeten afleggen tegen de beter geoutilleerde organismen, begonnen zijn nadat de vloek zijn intrede deed, dan dat die al bij de schepping aanwezig waren.

Conclusie

Jezus en de apostelen hebben het onderwijs van de eerste hoofdstukken van Genesis historisch en normatief opgevat. Wat daar beschreven staat, is gezaghebbend en van belang voor de levenswandel van de gemeenteleden. In de huidige discussies over schepping en evolutie worden veel suggesties gedaan om de ‘oergeschiedenis’ anders op te vatten, maar de wijze waarop het Nieuwe Testament deze uitlegt, blijft van het grootste belang.

Literatuur

M.J. Paul, Oorspronkelijk. Overwegingen bij schepping en evolutie. Apeldoorn, 2017, hoofdstuk 10.
M.J. Paul, Waar komen wij vandaan? Op zoek naar antwoorden in het evolutiedebat. Apeldoorn, 2018, hoofdstuk 4.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit StudieBijbel Magazine. De volledige bronvermelding luidt: Paul, M.J., 2018, De schepping in het Nieuwe Testament, StudieBijbel Magazine 11 (4): 18-21.

LEUK ARTIKEL?
Bent u blij met dit artikel? Het onderhoud en de ontwikkeling van deze website vragen financiële offers. Zou u ons willen steunen met een maandelijkse bijdrage? Dat kan door ons donatieformulier in te vullen of een bijdrage over te schrijven naar NL53 INGB000 7655373 t.n.v. Logos Instituut. Logos Instituut is een ANBI-stichting en dat wil zeggen dat uw gift fiscaal aftrekbaar is.

Mart-Jan Paul

Written by

Dr. M.J. Paul is docent aan de Academie Theologie van de CHE te Ede en hoogleraar Oude Testament aan de Evangelische Theologische Faculteit te Leuven. Verder is hij auteur van een groot aantal publicaties op theologisch gebied en redactielid van de twaalfdelige Studiebijbel Oude Testament, die wordt uitgegeven door het Centrum voor Bijbelonderzoek.