1. De stelligheid van dit boek.

De meeste geleerden die aan dit boek meewerken, twijfelen geen seconde aan de juistheid van de evolutiewetenschap. Dat is fijn, want dan is in elk geval op het gebied van de evolutiewetenschap de menselijke beperktheid overstegen en hebben wij de perfectie bereikt. De toon waarop deze geleerden zich uitlaten over evolutie is zelfverzekerd en er kleeft dan ook een zweem van arrogantie aan dit boek. Voor mij blijkt dat al uit de titel van dit boek – die ik niet zo passend vind voor een cover – en wordt dit bevestigd op blz. 12 van de Inleiding.

Te lang zijn grote filosofische en theologische vragen over de relatie tussen christelijk geloof en evolutie onder het tapijt geschoven. Ze werden op catechisatie, in het publieke debat en in theologische publicaties vaak gemeden, verzwegen, gekoeioneerd of anderszins geen recht gedaan. Iemand anders moest de hete kolen maar uit het vuur halen. Vandaag de dag lijkt het besef breed gedeeld dat het zo niet langer kan.

Fijn dat de redacteuren wel bereid zijn om de hete kolen uit het vuur te halen. Ze zullen het nog een keer uitleggen voor de arme sloebers die het nog steeds niet snappen. Maar ik zit toch nog even naar die cursief gedrukte woorden te kijken. Dat is nogal een aantijging. Wie koeioneert hier? Uit welk onderzoek blijkt dat dit onderwerp verzwegen werd? Waarom ontbreekt hier een bronvermelding? Ik vind het zoals het hier staat een vervelende en onaardige slag in de lucht.

Bovendien herken ik het hier geschetste beeld absoluut niet. Ik herinner me catechismuspreken en catechisatielessen waarin wel degelijk op het thema van evolutie werd ingegaan. Maar aangezien de kerk niet over evolutiewetenschap gaat, overheerste het de preek en de catechisatieles niet. Ook herinner ik me de reformatorische scholen waar vanaf het begin hard gewerkt werd om eigen verantwoord materiaal over evolutie en schepping te vervaardigen. Het Reformatorisch Dagblad heeft altijd aandacht geschonken aan literatuur over schepping en evolutie. Bovendien moeten we bedenken dat in de jaren 1960-1980 de fronten anders lagen. Toen was het marxisme en neomarxisme toonaangevend in het maatschappelijk debat. Toen liepen de intellectuelen achter het neomarxisme aan. Tegenwoordig hoor je ze daar niet meer over. Het failliet van het (neo-)marxisme is ook voor intellectuelen inmiddels overduidelijk. Nu lopen de geleerden achter de evolutieleer aan.

2. Het zoeken naar een synthese is van alle tijden.

Dit boek is een denkexperiment. Op het nut van dit denkexperiment kom ik nog terug. De probleemstelling luidt: Stel dat de evolutieleer juist is, wat zijn dan de gevolgen voor de theologie. Het loopt uit op een – in mijn ogen gekunstelde – synthese tussen evolutie en theologie. Telkens weer in de kerkgeschiedenis hebben theologen geprobeerd om de heersende tijdgeest te combineren met het christelijk geloof. We spreken ook wel van syncretisme.

In de Oudchristelijke kerk heeft bijvoorbeeld Arius zijn zienswijze op Jezus laten bepalen door het Griekse denken over de heros en de halfgod. Jezus was geen God en ook geen gewoon mens, maar nam een tussenpositie in.

In de 17e eeuw is er ‘the battle between the ancients and the moderns’. Deïsten proberen de brug te slaan naar het rationalisme van René Descartes (1596-1650). Gisbertus Voetius (1589-1676) stond aan de kant van de ‘ancients’ en kwam op voor de traditie. Hoe kan de rede een betrouwbare gids zijn (Descartes), als die rede is aangetast door de zondeval (Voetius)?

De Groninger School (een stroming in de Nederlandse Hervormde Kerk, ongeveer 1840) streefde naar een synthese van Verlichting en Evangelie en zocht aansluiting bij Duitse filosofen als Lessing, Kant, Hegel en Schleiermacher.

In de periode 1960-1980 ijverden theologen voor een synthese met het marxisme en neomarxisme. Anno 2019 zoeken theologen naar een synthese met de evolutie.

Krijgen we ook nog een ‘denkexperiment’ met betrekking tot de genderideologie? Stel dat de genderideologie juist is, wat zijn dan de gevolgen voor ons lezen van de Heilige Schrift? Het is voorspelbaar dat dan het Bijbelse denken over man-vrouwverhouding, het huwelijk, seksualiteit, het ontvangen en opvoeden van kinderen volledig op de schop zal gaan. Waarom willen velen dat de boodschap van de Bijbel correspondeert met de tijdgeest en de wetenschap? Zeker is de kerk in gesprek met de tijd, maar tegelijk hebben christenen ook een boodschap die altijd haaks staat op de tijdgeest.

3. Wat “En God zag dat het goed was” laat liggen.

Ik keer nog even terug naar dat citaat ontleend aan blz. 12. Je mag aannemen dat als je anderen beschuldigt van de daar genoemde zaken, jezelf niets onder het tapijt veegt en niets verzwijgt. Dat is echter te veel verwacht. Om dit toe te lichten neem ik u mee naar de Appendix. De Appendix heeft als titel “Een kort overzicht van redenen voor de wetenschappelijke consensus rond de evolutietheorie en de ouderdom van het universum”.

De redacteuren zijn zo overtuigd van de waarheid van de evolutietheorie dat zij de redenen daarvoor wegstoppen in een aanhangsel aan het eind van het boek. Methodologisch bezien was het sterker geweest om te openen met een hoofdstuk over de theorie. De overige hoofdstukken hangen er immers vanaf. Wie de Appendix door leest constateert dat het een opsomming is van bewijsmateriaal ontleend aan het werk van evolutiegeleerden. Andersdenkenden komen niet aan bod. Er is dus ook geen weging van inzichten en argumenten die critici van de evolutieleer aandragen. De auteur benoemt verschillende technieken – onder andere het tellen van boomringen – die op een vergelijkbare leeftijd van de aarde en de eerste mensen (hominiden) uitkomen. Het gaat dan om een ouderdom die elk voorstellingsvermogen te boven gaat.

Deze berekeningen leiden (in een ander hoofdstuk) tot de bewering dat het heelal ‘ongeveer’ veertien miljard jaar geleden is ontstaan. ‘Slechts’ zestig miljoen jaar geleden verschenen de eerste primaten en de homo sapiens bestaat sinds 200.000 jaar (blz. 319). Over dergelijke beweringen gooi ik geen korrel zout, maar een heel zoutvaatje.

Waar is het vertrouwen op de deugdelijkheid van de gebruikte modellen en toegepaste berekeningen op gebaseerd? In het boek van Charles C. Mann “De Tovenaar en de Profeet” kunnen we lezen dat berekeningen als het om de toekomst gaat steeds weer door de werkelijkheid worden ingehaald. Geleerden dachten op grond van hun berekeningen dat de gevolgen van de opwarming van de aarde (het smelten van gletsjers en van de ijskap) duizenden jaren zouden duren.

Voor een geofysicus is wat hier gebeurt verbijsterend. We dachten altijd dat dit soort systemen voor zulke veranderingen duizenden jaren nodig hadden. Maar het gaat nu zo snel dat het angstaanjagend is. Je zou al binnen hónderd jaar echt akelige gevolgen kunnen zien (blz. 361).

Als men zich al vergist over een in verhouding korte periode van een paar duizend jaar hoe staat het dan met die miljarden jaren uit het verleden? Een proces waar volgens de berekeningen een paar duizend jaar voor nodig was, voltrekt zich in werkelijkheid in honderd jaar. En Charles Mann wijst op nog een belangrijk punt.

Een miniem verschil in beginvoorwaarden van berekeningen veranderde de uitkomst dramatisch. Eerst verliepen beide berekeningen vrijwel gelijk, maar daarna begonnen ze uiteen te lopen tot ze compleet van elkaar verschilden (blz. 368).

Toegepast op de berekeningen van de ouderdom van de aarde blijken processen in werkelijkheid veel sneller te kunnen gaan dan berekeningen uitwijzen en kan een miniem verschil in de uitgangspositie tot totaal verschillende uitkomsten leiden.

In de Appendix is elke twijfel uitgebannen en wordt aan dit soort zaken geen aandacht geschonken. Dat kan omdat prognoses voor de toekomst door de feiten onderuitgehaald kunnen worden, maar als het om het verleden gaat, kan de feitelijke ontwikkeling niet meer corrigeren.

Marcel Crok heeft een interessant boek geschreven over het klimaatdebat (De staat van het Klimaat). Hij signaleert een tunnelvisie en cirkelredeneringen bij de geleerden. Andersdenkenden worden [net als in het evolutiedebat, H] genegeerd en hun visie wordt gestigmatiseerd als afkomstig van een klimaatscepticus. Overal op aarde staan weerstations die de temperatuur meten. Wil je tot betrouwbare gegevens komen dan mag er in de loop der jaren niets aan de positie van die weerstations veranderen. Uit een onderzoek van 1221 weerstations blijkt dat 90% van de stations niet aan die voorwaarde voldoet.

De resultaten van het onderzoek zijn ronduit dramatisch. Van de onderzochte stations is 90% zo slecht gesitueerd dat dit resulteert in fouten van meer dan 1 graad Celsius. 70% van de stations valt zelfs in de categorie ‘fout groter dan 2 graden’. In de praktijk leidt de slechte situering vrijwel altijd tot opwarming en niet tot afkoeling (blz. 45 en 46).

Het klimaatdebat gaat over een existentieel probleem waar de mensheid zich voor geplaatst ziet. De berekeningen die ten grondslag liggen aan het debat moeten dan onomstreden zijn. Dat is niet het geval. Een foutmarge van 1 tot 2 graden is in het kader van dit debat gewoon te groot. Met deze passage wil ik niet beweren dat er geen klimaatprobleem is. Het gaat over de rekenmodellen. Zoals in het klimaatdebat de berekening kan falen, zo kan dat ook met de berekening die gaat over de ouderdom van de aarde. Fouten zullen ook hier leiden tot een hogere ouderdom. Crok schrijft: Wie echter carrière wil maken in de klimaatwetenschap doet er verstandig aan zich aan te sluiten bij de consensus (blz. 17). Precies hetzelfde geldt voor het evolutiedebat. Het boek van Crok bevat nog veel meer gegevens die de betrouwbaarheid van wetenschappelijke gegevens aantasten. Bijvoorbeeld het selecteren van meetgegevens die passen in het beeld van de onderzoekers (blz. 98). In de Appendix van “En God zag dat het goed was” verwijst de auteur naar berekeningen op basis van boomringen. Maar Marcel Crok schrijft:

Boomringen zijn ongeschikt als historische thermometer. Met een uitgekiende selectie van data kun je zo ongeveer elk willekeurig eindresultaat verkrijgen. Voor de wetenschap van paleontologen … is dit een bittere pil waar ze nog niet aan willen (blz. 99).

Over de betrouwbaarheid van de dateringen schrijft Marc J. de Vries (hoogleraar TU Delft):

In de evolutietheorie zijn miljarden jaren nodig om de wording van alle levensvormen te kunnen verklaren. Die miljarden jaren zijn nauwelijks te verantwoorden als de uitkomst van metingen. Immers, de perioden waarover wij kunnen meten reiken niet verder dan enkele honderden jaren (God vinden. In gesprek met zoekers, blz. 37).

Marco Visscher schreef het boek “De energietransitie”. Hij schrijft:

Een studie die een ideologie ondersteunt, kan met klakkeloze instemming worden aangehaald en fungeren als bewijs. Zo baseren steeds meer mensen zich op steeds meer mensen die zich baseren op een studie die is gebaseerd op een verkeerde aanname. Daarmee wordt die conclusie zelf een aanname. En hoe populairder de conclusie, des te sterker de aanname wordt. Een mythe houdt zich zo zelf in stand (blz. 55).

Laten we eens gaan kijken naar de wetenschap van de economie. De Tsjechische econoom Tomás Sedlácek schrijft in zijn boek “De economie van goed en kwaad”:

In de economie is er zelfs geen overeenstemming over de meest fundamentele modellen. Ook de methodologie is verre van één. Maar wetenschap is de religie van onze tijd geworden (blz. 218).

Ook in deze tak van wetenschap worden de rekenmodules voortdurend onderuitgehaald door de werkelijkheid. In 2009 berekende het Centraal Planbureau de economische groei voor dat jaar op 1 procent. Vijf maanden later verwachtte het CPB een krimp van 3,5 procent. Weer twee maanden later kwam het IMF met een prognose van 4,8 procent. En eind mei werd een krimp van meer dan 5 procent verwacht. Binnen een jaar waren de berekeningen vier keer bijgeteld en was groei omgeslagen in krimp.

Laten we dan naar de meteorologische wetenschap kijken. Het weerbericht beperkt zich meestal tot de volgende dag en een prognose voor een paar dagen erna. Zelfs binnen die bandbreedte komt het regelmatig voor dat de computerberekeningen niet uitkomen. Maar de meeste auteurs van “En God zag dat het goed was” weten het zeker. De berekeningen wijzen uit dat het heelal ‘ongeveer’ 14,6 miljard jaar geleden is ontstaan en de eerste mensen verschenen 200.000 jaar geleden op aarde.

In dit boek komen studies van andersdenkenden nauwelijks aan de orde. De boeken van M.J. Paul (Oorspronkelijk. Overwegingen bij Schepping en Evolutie) en W.J. Ouweneel (Adam. Waar ben je? En wat doet het ertoe? Een theologische evaluatie) die vorig jaar zijn verschenen komen wel aan de orde. Maar er zou meer genoemd moeten worden.

Michael Behe (biochemicus en hoogleraar aan de Universiteit van Pennsylvania) wordt wel in de literatuurlijst vermeld, maar op het onderzoek van deze biochemicus naar het bloedstollingsproces, de flagel, de bombardeerkever, de totstandkoming van het oog, wordt niet ingegaan. Het gaat om zaken die niet langs een stapsgewijs proces van natuurlijke selectie kunnen zijn ontstaan. Daarvoor zijn ze te complex.

Jan H. van Bemmel (gepromoveerd in wis- en natuurkunde; oud-hoogleraar medische informatica) stelt in zijn “Waar was je? Geloven na Darwin en Hubble” problemen aan de orde die om een antwoord vragen.

Als alle leven uit een eerste cel zou zijn voortgekomen, wie of wat zorgde er dan voor dat er überhaupt een complexe cel zou ontstaan? Als cellen essentieel zijn voor alle leven, wie bedacht dan de informatie zoals vastgelegd in de structuur van het DNA (blz. 14)?

Recente publicaties in de officiële evolutionaire tijdschriften, zoals van de evolutiebioloog Eugene Koonin, komen met volkomen nieuwe ideeën voor het plotselinge ontstaan van organismen en de grote lacunes tussen fossielen. Koonin wordt vermeld in de literatuurlijst, maar in het register komt zijn naam niet voor. Koonin toont aan dat de huidige genencomplexiteit al in de allereerste cellen is te vinden. Het gaat dan om twintig aminozuren, die ook nog eens linksdraaiend moeten zijn. Het is op z’n minst merkwaardig dat evolutie over miljarden jaren weinig aan die complexiteit heeft toegevoegd. “En God zag dat het goed was” gaat niet op deze tegenstrijdige opvattingen onder evolutiegeleerden in. De titel van de Appendix suggereert dat er ‘consensus’ is onder geleerden. Maar dat is beslist niet het geval. Hetzelfde geldt voor de theorie van de Big Bang.

In een aantal hoofdstukken van “En God zag dat het goed was” wordt verwezen naar deze Big Bang als oorzaak van het ontstaan van leven en natuurwetten. Op blz. 291 bijvoorbeeld lezen we dat de Big Bang te combineren valt met het christelijk geloof in de schepping uit het niets. Hierover merkt Marc J. de Vries op:

Die theorie is gebaseerd op waarnemingen, maar uiteraard geen waarnemingen van het proces zelf, maar van de resultaten ervan, namelijk de huidige situatie. Daarin zit natuurlijk een enorme beperking van dat soort theorieën. Het proces zelf kan niet worden waargenomen. We kunnen alleen uit de resultaten ervan proberen af te leiden wat er gebeurd kan zijn. (God vinden. In gesprek met zoekers, blz. 34).

Een Big Bang verklaart niet het ontstaan van tijd, van licht, en hoe het licht zich kan verplaatsen. Evenmin verklaart de oerknal het ontstaan van natuurwetten en de finetuning van het heelal (finetuning: waarden die uiterst nauwkeurig zijn afgesteld zodat leven mogelijk is). Er is niets dat zichzelf kan veroorzaken. Waardoor is dan de Big Bang veroorzaakt? Veel evolutiegeleerden stellen dat de theorie niet over het ontstaan der dingen gaat, maar alleen over het proces daarna. Waarom beroept “En God zag dat het goed was” zich dan toch op de Big Bang? De Britse astronoom en kosmoloog Fred Hoyle (1915-2001) moest niets hebben van de Big Bangtheorie.

Wetenschappers wisselen soms van theorie alsof ze een andere jas aantrekken. Nog niet zo lang geleden hingen wetenschappers de ‘steady-state theory’ aan. Deze theorie gaat er van uit dat het heelal er altijd is geweest en dus geen begin heeft. In de jaren zestig van de vorige eeuw ontdekten twee wetenschappers het bestaan van de kosmische microgolfstraling. Die straling zou een overblijfsel van een ‘big bang’ zijn. Al spoedig werd nu de Big Bang de norm. Deze draai laat zien hoe snel wetenschappers hun basale uitgangspunten volledig kunnen herzien, in tegenstelling tot wat “En God zag dat het goed was” beweert.

Martin Rees (1942), hoogleraar aan de universiteit van Cambridge toont in “Just Six Numbers” aan hoe verwonderlijk het is dat ons heelal na de Big Bang is blijven bestaan. Waren er maar zes getallen net even anders geweest, dan kon het heelal niet zijn blijven bestaan en waren wij er ook niet geweest. Het is een wonder en dat wonder kan niet door de rekenformules van de wetenschap verklaard worden.

Peter Borger komt niet voor op de literatuurlijst en staat evenmin in het register. Borger, gepromoveerd in de biologie, schreef “Terug naar de Oorsprong. Of hoe de nieuwe biologie het tijdperk van Darwin beëindigt”. Borger stelt vast dat het overgrote deel van genmutaties destructief is of licht negatief. Deze mutaties zullen de informatie in het genoom langzaam maar zeker vernietigen. Dat is dus tegengesteld aan wat natuurlijke selectie volgens de theorie doet.

Deze conclusie spoort met de wet van de entropie, die zegt dat de energie geleidelijk wordt afgebroken. Dat vertaalt zich in verval. Entropie heeft de neiging zo groot mogelijk te worden. Laat een druppel inkt in een glas water vallen. Die inkt zal zich over het gehele glas verspreiden. De inkt zal zich nooit concentreren tot een druppel die weer opgezogen kan worden (zie André Léonard, Redenen om te geloven, blz. 86).

Onze wereld is een gevallen wereld. Onze natuurwetten zijn de wetten van een gebroken wereld (Léonard, blz. 239). Dat maakt ook natuurwetenschap tot een feilbare wetenschap.

Over het boek van John C. Sanford “Genetic Entropy” wordt eveneens gezwegen in “En God zag dat het goed was”. De voormalige hoogleraar Sanford gaat ook in op het verval in de genenpool (entropie) een verschijnsel dat dus tegengesteld is aan wat evolutie leert. Het bestuur van het Logos Instituut heeft alle medewerkers aan “En God zag dat het goed was” een exemplaar toegestuurd. Als je dat in het Reformatorisch Dagblad (5 november 2019) ‘ludiek’ noemt, zoals Rik Peels doet, is dat prima, maar ga je ook voorbij aan het gegeven dat dit type literatuur categorisch genegeerd wordt.

De naam van de Amerikaanse wetenschapsfilosoof Thomas Kuhn (1922-1995) valt weer wel in dit boek (blz. 36), maar de schrijver mist het punt dat Kuhn wil maken. Kuhn wees op de onjuistheid en het onbehoorlijke om uitspraken over waarheid te doen met criteria ontleend aan het systeem zelf. Het verklaringssysteem werkt circulair en is in zichzelf besloten. (Alvin Plantinga komt in zijn boeken met dezelfde kritiek). Precies dit punt speelt in de evolutiewetenschap.

In elke tak van wetenschap spelen de problemen die Kuhn aan de orde stelt:

Toen werd mij duidelijk wat mij al eerder was opgevallen: het Rembrandtonderzoek hing aan elkaar van onbevredigende stellingen en autoritaire uitspraken. Onverwachte vragen werden nauwelijks toegestaan. Wie zich daartegen verzette, kon rekenen op moeilijkheden (kunsthistoricus Henk van Os, Zien is genoeg, blz. 82).

De Wageningse emeritus-hoogleraar Johan Bruinsma wijst erop dat onze genetische informatie ontzaglijk veel rijker is dan de genetische informatie die in een eventuele oercel kan hebben gezeten. Ongerichte mutaties zouden volgens de evolutietheorie die nieuwe informatie geleverd moeten hebben. Bruinsma noemt dit volstrekt irrationeel en niet wetenschappelijk.

Willem den Otter, emeritus-hoogleraar celbiologie, denkt dat de bouw van het DNA op dit moment het sterkste argument vormt tegen evolutie. Alle erfelijke eigenschappen liggen gecodeerd in het DNA. De mens heeft drie miljard basen in het DNA. Die moeten precies in de goede volgorde liggen. Een paar miljard jaar is nog onvoldoende tijd om dit langs de weg van natuurlijke selectie voor elkaar te krijgen. Veronderstel dat er toch een cel ontstaat waaruit een man groeit. Waar komt dan de vrouw vandaan die bij hem past? Hoe kan die man zich voortplanten zolang er nog geen vrouw is? (zie www.bijbelenonderwijs.nl/index/14-9-2011.
Wetenschappelijk onderzoek en daarop gebaseerde rapporten kunnen haaks op elkaar staan. Een Brits wetenschappelijk onderzoek, dat vaak werd aangehaald, wees uit dat het roken van de e-sigaret 95 procent minder schadelijk is dan roken. Nog geen jaar later wijst ander wetenschappelijk onderzoek uit dat het eerste rapport naar de prullenbak kan. Het gaat hier niet om onderzoek van de ‘softe’ wetenschap, die altijd vatbaar is voor interpretatieverschillen, maar om de exacte wetenschap, die zekerheid zou geven.

Een schokkend voorbeeld dat exacte wetenschap compleet kan falen is de dode wolf die in de zomer van 2013 in de Flevopolder werd gevonden. In de media is daar toen veel aandacht aan gegeven. Drie wetenschappelijke instituten stelden vast dat het beest vanuit de Karpaten hiernaartoe was gekomen en dat het door een auto was doodgereden. Drie wetenschappelijke instituten zagen over het hoofd dat het dier twee kogelgaten had. De wolf bleek uit Polen te komen, daar doodgeschoten te zijn, en is hier uit de auto gegooid.

Ook niet-christelijke wetenschappers geven toe dat het fossielenarchief abrupte overgangen laat zien tussen de verschillende hominiden. Overgangsvormen van soorten die op enorme schaal gevonden zouden moeten worden, zijn er niet. Cirkelredeneringen komen in het klimaatdebat voor, maar ook in de evolutiewetenschap.

‘Survival of the fittest’-theorie is een lege theorie omdat ‘survival’ en ‘fittest’ hier identiek zijn: de fitheid wordt bewezen uit het overleven en vervolgers wordt gezegd dat de overleveraars overleefd hebben omdat ze zo fit waren. Het is als wanneer je in een theorie dat de beste schrijvers het meest verkocht worden een goede schrijver zou definiëren als iemand die goed verkocht wordt (Karel van het Reve, Verzameld Werk, deel 4, blz. 805).

Recent schreef de wetenschapsjournalist Tom Bethell “Darwins kaartenhuis” waarin hij verslag doet van zijn gesprekken met wetenschappers en denkers in het evolutiedebat. “En God zag dat het goed was” gaat eraan voorbij.

Als je je even in deze materie verdiept, kom je al gauw aan een waslijst van schrijvers, boeken en bevindingen die contrasteren met de zelfverzekerde toon in “En God zag dat het goed was”.

Niettemin lezen we op blz. 302 van “En God zag dat het goed was”:

Sommige organisaties op het gebied van geloof en wetenschap bewegen zich in de marge van de wetenschap en wekken mijns inziens de indruk onvoldoende door te hebben hoe sterk een aantal van deze wetenschappelijke theorieën staat. Er zijn bij dergelijke organisaties wel wetenschappers betrokken, maar niet zelden gaat het om wetenschappers uit andere disciplines.”

Deze conclusie wordt niet gestaafd door enig onderzoek. Hier wordt niet ingegaan op het werk van deze organisaties, hier worden ze op voorhand weggezet: ze staan in de marge van de wetenschap. Bovendien klopt de bewering niet dat deze wetenschappers uit de verkeerde discipline zouden komen (zie mijn ‘waslijst’ hierboven). Dit is een duidelijk voorbeeld van vooringenomenheid. In de bovenstaande ‘waslijst’ staan tal van gerenommeerde wetenschappers, waaronder ook veel biologen en natuurkundigen. Het probleem is niet dat de wetenschappers er niet zijn, maar dat ze als outsiders worden gezien en niet in het debat worden meegenomen. In juni 2019 annuleerde het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap (KNAG) na protesten uit de achterban een spreker die namens het Logosinstituut op de jaarlijkse Geoweek zou spreken. Het moet een gesprek tussen gelijkgezinden zijn. Andersdenkenden worden geweerd. Precies wat Marcel Crok signaleert voor het klimaatdebat en Henk van Os voor de kunsthistorici. Het gevolg is dat geleerden elkaar gaan napraten en zich op studies van geestverwanten baseren. Dat is het punt dat Marco Visscher maakte. Deze kwestie is bovendien uitputtend geanalyseerd door wetenschapsfilosofen als Thomas Kuhn en Bruno Latour (1947).

De vraag is dus: waarom veegt de redactie van dit boek deze zaken onder het tapijt, mijdt ze het debat, verzwijgt ze het bestaan van opvattingen die niet stroken met hun boek of doet er anderszins geen recht aan? Het koeioneren houd ik dan nog buiten dit rijtje.

4. Bizarre uitspraken.

Er staan in dit boek een paar bizarre uitspraken. Op blz. 115 en 116 lezen we:

Wanneer Eva van de boom eet, sterft zij niet ter plekke, en Adam evenmin. Het leven gaat gewoon door… De straf blijkt uiteindelijk te worden omgezet in een moeitevol leven (Genesis 3: 16-18). De uiteindelijke dood die de mens treft, wordt vervolgens In Genesis 3: 19 als geheel natuurlijk beschreven zonder enige verdere verwijzing naar een straf. Er staat niet dat de mens terugkeert tot stof vanwege een overtreding, maar vanwege het simpele feit dat de mens nu eenmaal daaruit gemaakt is. De gedachte dat volgens de bijbelschrijvers van Genesis 1 de mens van het begin af aan sterfelijk is, is tegenwoordig vrij algemeen onder bijbelwetenschappers. … Van begin af aan is de mens geschapen als sterfelijk.

Het gaat hier dus niet over de bewering dat volgens evolutiegeleerden dood en lijden al voor Adams val zouden hebben bestaan. Het gaat hier over de bewering dat volgens de Bijbelschrijver Adam sterfelijk geschapen zou zijn. Deze veronderstelling is flagrant in strijd met de Bijbelgegevens.

In Genesis 2: 17 staat: “”Ten dage dat gij daarvan eet, zult gij de dood sterven”. Deze doodstraf wordt helemaal niet omgezet in een moeitevol leven. De doodstraf wordt uitgesteld. De mens krijgt genadetijd, maar hij zal sterven. Vergelijk dit even met het Amerikaanse rechtssysteem. De rechter kan het doodvonnis uitspreken, maar er kunnen vele jaren liggen tussen de uitspraak en de voltrekking van het doodvonnis.

Kanttekening 40 bij Genesis 2: 17 wijst op het Hebreeuws: Stervende sterven. De mens is op weg naar de dood. De straf gaat niet ogenblikkelijk in. Het is een proces. De mens leeft, maar als een ter doodveroordeelde.

Kanttekening 6 bij Genesis 5: 3 merkt op dat alle mensen die uit Adam geboren zijn aan de dood onderworpen zijn en verwijst naar Romeinen 5: 12. In die tekst schrijft Paulus dat door “één mens de zonde in de wereld is gekomen en door de zonde de dood.” De dood is dus pas met de zonde in de wereld gekomen. Dat wil zeggen dat de dood er niet was toen Adam nog niet had gezondigd. En dat zegt dus dat hij niet sterfelijk was geschapen.

Ten overvloede noemt Paulus in Romeinen 6: 23 dat ‘de bezoldiging der zonde de dood is’. De dood is het loon (de bezoldiging) op de zonde. Dus opnieuw: de dood was er niet voor de zondeval.

Dat in Genesis 3: 19 het sterven van de mens niet opnieuw in verband wordt gebracht met het oordeel van God ontkracht toch niet dat in Genesis 2: 17 wel degelijk het doodvonnis wordt uitgesproken? Bovendien moeten we teksten toch altijd ook in verband met de gehele Schrift lezen? Ik begrijp werkelijk niet hoe de schrijver, hoogleraar Oude Testament, tot deze uitleg kan komen. Dit is geen wetenschap, maar het manipuleren van teksten.

Op blz. 297 gaat het over de hominiden, de mensen die geleefd zouden hebben voor Adam en Eva. We lezen:

Ik wil wijzen op een theologisch inzicht uit de gereformeerde traditie in de lijn van Johannes Calvijn. … Adam wordt tot verbondshoofd van alle mensen gemaakt. In deze lijn kunnen Adam en Eva voorgesteld worden als vertegenwoordigers van de eerste mensengemeenschap.

Arme Calvijn. Dan wordt hij een keer aangehaald, maar dan door iemand die een brug wil slaan van zijn denken naar het bestaan van hominiden ‘ongeveer’ 200.000 jaar geleden. Juist Calvijn, die als geen ander zich binnen de perken van de Heilige Schrift ophield. Overigens toont dit citaat wel aan hoe geforceerd en krampachtig de auteurs op zoek zijn naar ‘consensus’ tussen theologie en evolutietheorie.

Nog een bizarre uitspraak komen we tegen op blz. 127:

We moeten ons God niet voorstellen als een menselijke figuur die op een zekere dag neerknielde aan een rivier in het Midden-Oosten, om daar uit klei een figuur te kneden en te beademen, vervolgens zijn handen in de rivier waste, en toen verder liep. Ik stel het bewust zo concreet mogelijk voor, om duidelijk te maken waar ‘letterlijkheid’ in dit geval toe leidt. Op blz. 134: Letterlijkheid leidt al snel tot absurde conclusies.

Het probleem is echter dat ik zo’n voorstelling van zaken nog nooit ben tegen gekomen in de wereld van het orthodoxe protestantisme. Niet in preken, niet in publicaties, nooit, er is niemand die dit zo voor zijn rekening neemt. Mensen die de tekst van de Bijbel serieus nemen (‘letterlijkheid’) komen niet tot dit soort absurde conclusies. Als een predikant dit zo van de kansel zou zeggen, zou er geheid commotie ontstaan. Als dit voorbeeld moet dienen om een letterlijk lezen van de Heilige Schrift aan de kaak te stellen is dat toch wel erg zwak.

Op blz. 129 staat dat de verschillen tussen creationisten en theïstische evolutionisten secundair zijn en christenen niet van elkaar hoeft te scheiden. Waarom staat er dan op blz. 122 dat het creationisme ‘onhoudbaar’ is?

Over Abraham Kuyper lezen we dat hij weliswaar kritisch was over de evolutiegedachte, maar dat hij die toch niet volledig verwierp (blz. 25). Dan ga je toch wel voorbij aan de kern van zijn lezing over “Evolutie”, gehouden in 1899. Kuyper waarschuwt christenen met klem voor een ontspannen omgang met de evolutieleer. Hij noemt dat ‘boeleren’ en dat betekent zoveel als ‘ontucht plegen’. Niks geen synthese en consensus dus, die de meeste theologen in “En God zag dat het goed was” voorstaan. Kuyper noemt dat ‘boeleren’. Kuyper stelt dat christendom en evolutie elkaar uitsluiten. Hij noemt de evolutieleer ‘een dodelijke bacterie’. “De handboeken, waarin het sloop, moeten terzijde gelegd, en aan geen onderwijzer die het leert, mogen we onze kinderen toevertrouwen.” Er werd in 1899 aan de VU klare wijn geschonken hoor. Dat deed H. Bavinck ook, die zich afvroeg hoe het kon dat de besnijdenis bij ieder kind opnieuw toegepast moest worden, hoewel ze al eeuwenlang bij sommige volken in gebruik is geweest (H. Bavinck, Magnalia Deï, blz. 172-179).

Een cruciaal hoofdstuk in dit boek gaat over de vraag of de evolutietheorie willekeur en toeval impliceert. Vanouds is het bekende verwijt dat de evolutietheorie ongeloofwaardig is omdat toeval en willekeur er een doorslaggevende rol in spelen. Evolutie is ongestuurd en ongewild. De Schepping is volgens de Bijbel geleid en gewild. De schrijver van dit hoofdstuk concludeert op blz. 214:

De bewering dat het evolutionaire proces toevallig is, impliceert geenszins dat God het evolutionaire proces niet gewild of bedoeld of georkestreerd heeft.

Dit is natuurlijk pure speculatie. Hier smokkel je God de evolutietheorie binnen. Het zou kunnen dat ook evolutie door God gewild en bedoeld is. Maar doe je dan nog recht aan de theorie? Heet het dan nog wel evolutie? Evolutie sluit toch alles uit wat niet-waarneembaar is? Het denkexperiment was: Stel dat evolutie waar is wat zijn dan de gevolgen voor het lezen van de Bijbel? Dat was toch evolutie zonder God? Kun je hier dan zeggen dat evolutie kan kloppen, want misschien is ook evolutie door God aangestuurd? Maar dan hebben we ineens een andere theorie te pakken dan waar het denkexperiment van uitging. Dit wringt aan alle kanten.

Het is als een christen die het marxisme aanhangt, maar dan zonder de leer van de revolutie, want als christen is hij ook pacifist. Ben je nog een marxist als je zo’n kernelement uit de theorie knipt? Nee, want de leer van de revolutie is een integraal bestanddeel van het marxisme. En zo ben je geen ‘zuivere’ aanhanger meer van de evolutietheorie als je daar God aan toevoegt. De bewering op blz. 214 is wel heel gekunsteld en geforceerd.

Regelmatig kom je in dit boek formuleringen tegen als ‘het lijkt er op’, ‘het is mogelijk’, ‘waarschijnlijk’, ‘misschien’. De formuleringen betreffen dan niet de wetenschappelijke gegevens, die staan immers volgens dit boek vast, maar op de poging die gegevens te verbinden met de Bijbeltekst. Ik denk in het bijzonder even aan de bladzijden 280-287, en 297-298. Frappant is dan dat op die bladzijden elke verwijzing naar een Bijbeltekst ontbreekt. Er wordt gepoogd een veronderstelling de Bijbel in te dragen, waar de Bijbel zelf zich niet over uitlaat. Als voorbeeld blz. 285: “De dood van mens en dier kan daarom hebben bestaan voor de zondeval, omdat de val de dood niet veroorzaakt heeft.” Een ander voorbeeld komen we tegen op blz. 327. Daar stelt de schrijver dat een hoge ouderdom van de kosmos niet strijdt met ‘de verlossingsleer’. “Als de ruimtelijke en historische locatie van Jezus’ bestaan al onbeduidend is naar aardse en menselijke maatstaven, hoeveel te meer geldt dat dan niet op kosmische schaal?”. In mijn ogen is dit geen wetenschap meer.

Wetenschappers moeten ervoor oppassen dat zij niet in de ban van hun werk komen. Calvijn moedigt wetenschappelijk onderzoek van harte aan, maar waarschuwt ook dat wetenschap zonder God “meer een waan der wetenschap is, dan wetenschap, ook in degenen die men voor de geleerdsten houdt” (Commentaar op 1 Korinthe 8: 1). En ook: “uitnemende gaven Gods, als daar zijn, goed verstand, scherpzinnig oordeel, kunsten, wetenschap der talen, kunnen enigszins ontheiligd worden, wanneer zij in goddeloze mensen vallen” (Commentaar op 1 Korinthe 1: 20). Voor ‘goddeloze mensen’ kun je in dit verband lezen: geleerden die niet in God geloven. Daar moet je je vertrouwen dan ook niet op baseren.

5. Het denkexperiment.

Ik zou terugkomen op de bewering dat dit boek een denkexperiment is. Stel dat de evolutietheorie waar is, wat zijn dan de gevolgen voor het lezen van de Bijbel? Mijn conclusie is dat dit experiment mislukt is. Het is niet goed om de Bijbel te lezen door de bril van de evolutiewetenschap. Het moet juist andersom. Nergens in de Bijbel gaat het over het bestaan van hominiden voor de schepping van Adam en Eva. Nergens gaat het over dood en lijden in een pre-Adamitisch tijdvak. De Bijbel zwijgt over al deze zaken. Wat is dan het nut van zo’n denkexperiment? Het lijdt alleen maar tot verwarring. Bovendien meen ik dat de evolutietheorie niet is bewezen en dat dit boek voorbijgaat aan de wankele gronden waarop de theorie berust. De meeste schrijvers laten zich imponeren door de natuurwetenschap. Maar:

De uitspraak dat de waarheid alleen te achterhalen is door de rede en de wetenschap is zelf een geloofsuitspraak. Alle kennis is immers in wezen geworteld in een bepaald vertrouwen (John Haught: Nieuw Atheïsme. Een kritische reactie op Dawkins, Harris & Hitchens, blz. 5).

Het denkexperiment wordt sterk gekleurd door speculatie. Calvijn waarschuwt daar met klem tegen:

Wij moeten niet begeren iets te weten buiten wat de Heere heeft willen openbaren. Dit zij de grens onzer wetenschap (Commentaar van Calvijn op 2 Korinthe 12: 4).

6. Twee vragen.

De redactie heeft de schrijvers van dit boek twee vragen meegegeven waar eenieder aan het slot van zijn of haar bijdrage een antwoord op moet geven.

Vraag 1 luidt: wat zeg je tegen een student die niet van apen af wil stammen.
Vraag 2 luidt: wat zeg je tegen een gemeentelid die op zijn opleiding leert over een oude aarde en een evolutionaire ontwikkeling van leven. Wat moet hij daarmee als christen?
Ik waag me ook aan een beantwoording.

Tegen de persoon die niet van apen af wil stammen, zou ik zeggen: je stamt ook niet van apen af. Volgens de Bijbel zijn mens en dier apart van elkaar geschapen. Er staat niet dat Adam is geschapen uit dieren, ook niet dat hij afstamt van ‘hominiden’, maar dat hij uit de aarde is geschapen. De dieren zijn als groep naar hun soort geschapen. Adam is geschapen als individu en naar het beeld van God. De theorie van evolutiegeleerden dat de mens uit een slijmerig, in nevelen gehuld verleden, is opgekomen, strookt hier absoluut niet mee. Dat het DNA van mensen en chimpansees voor ongeveer 96 procent met elkaar overeenkomt, zegt nog niet dat er een gemeenschappelijke afstamming is. “Het DNA van de mens komt ook voor 50% overeen met dat van een banaan” (Jan H. van Bemmel, blz. 94.).

Calvijn legt de nadruk op de aparte schepping van de mens.

De woorden “Laat ons mensen maken” wijzen op overleg. Steeds beval God en ongetwijfeld had Hij opnieuw kunnen bevelen wat Hij wilde, maar hierin dat Hij over Zijn schepping op de een of andere wijze beraadslaging hield, wilde Hij de uitnemendheid van de mens doen uitkomen. God gaat een bijzonder en groot werk doen en door daar zo de aandacht op te vestigen geeft Hij ons de hoogste eer (Commentaar op Genesis 1: 26).

Hier is geen enkele ruimte voor een gemeenschappelijke afstamming van aap en mens. De meeste auteurs van “En God zag dat het goed was” geloven daar wel in. Het heel bijzondere werk dat God met de schepping van de mens deed, apart en in onderscheid van dieren, zoals Calvijn dat treffend aangeeft, valt dan weg.

Tegen het gemeentelid die vraagt wat hij aan moet met de evolutieleer zou ik zeggen dat hij zich niet moet laten intimideren door de ‘meerderheid van de geleerden’. Op blz. 121 van “En God zag dat het goed was” staat:

In het algemeen ben ik geneigd me aan te sluiten bij wat het overgrote merendeel van de experts op een gebied voor waar houdt.

Ik zou me liever spiegelen aan Maarten Luther die op de Rijksdag van Worms (1521) moederziel alleen stond en bestormd werd door de intellectuelen van zijn tijd. Herroep! riepen deze geleerden. Je staat alleen. Waarom zou jij gelijk hebben en de rest van de wereld ongelijk? Het enige wat Luther had was het Woord. “Das Wort sie sollen lassen stahn”. De Bijbel als het Woord van God (scriptura Deï) moet de doorslag geven. Nergens in de Bijbel wordt gesproken over de zaken waar “En God zag dat het goed was” zich druk over maakt. Het Bijbels denken en de natuurwetenschap zijn twee aparte werelden (dat betekent niet dat ze van elkaar gescheiden zijn). Het Bijbels denken beweegt zich tussen schepping en herschepping, zondeval en verlossing. Er is in dit verband nog een waarschuwing van Calvijn die de redactie van dit boek ter harte had kunnen nemen:

De Schrift spreekt over die dingen niet scherpzinnig, omdat het haar doel niet is de geheimen van de natuurkunde ons heel nauwkeurig voor te stellen (Commentaar op 1 Samuël 2: 8).

Daarmee is het boek “En God zag dat het goed was” gewoon irrelevant geworden.

De massa heeft het trouwens vaak bij het verkeerde eind. Ook al bestaat die massa uit intellectuelen (die vaak met dedain neerkeken op christenen die in het Bijbelse scheppingsverhaal geloofden).

In de jaren 1960-1980 moest je wel stekeblind zijn om niet in de gaten te hebben dat de Sovjet-Unie en China barbaarse regimes waren. Maar de intellectuelen waren stekeblind!

Hoe hoger opgeleid en hoe verlichter ze waren naar hun eigen maatstaven, hoe waarschijnlijker het was dat ze zich om de tuin lieten leiden. Ik heb dit met eigen ogen gezien toen ik in Moskou woonde (Peter Hitchens, Opstand tegen God, blz. 161).

De Britse historicus Anthony Beevor noemt meerdere voorbeelden van intellectuelen die blind waren voor de miljoenen slachtoffers onder het regime van Stalin en Mao, hoewel ze er met de neus bovenop stonden (De Tweede Wereldoorlog, blz. 836, 851, 854).

De intellectuelen van de Frankfurter Schule (een neomarxistische instelling uit het begin van de jaren dertig van de vorige eeuw) verdoezelden en bagatelliseerden de misdaden van Stalin (Martin Jay, De dialektische verbeelding. Een geschiedenis van de Frankfurter Schule).

Jean Paul Sartre schreef dat er niets mis was met het doden van politieke vijanden na showprocessen achter het IJzeren Gordijn als dat geweld in communistisch perspectief gerechtvaardigd was (Tony Judt, Na de Oorlog, blz. 273).

Een vergelijkbare naïviteit, maar nu ten aanzien van de evolutietheorie, tref ik aan bij veel schrijvers van “En God zag dat het goed was”.

Het boek “En God zag dat het goed was” helpt je dan ook van de wal in de sloot. Ik zou je aanraden: lees eens van Karel van het Reve (1921-1999) “Een dag uit het leven van de reuzenkoeskoes” te vinden in Verzameld Werk, deel 4, blz. 143-158. Van het Reve is geen natuurwetenschapper (hij was hoogleraar Slavische talen) en ook geen christen. Hij combineert een scherpzinnige redeneertrant met een groot gevoel voor humor. In het hier aangehaalde werk ontleedt hij de evolutietheorie en noemt argumenten die ook nu, twintig jaar na zijn overlijden, nog steekhoudend zijn. Een opvallend punt haal ik hier naar voren: “de theorie komt altijd uit” (blz. 147). Ongeacht de vraag: de theorie heeft altijd een antwoord. Hoe komt de giraffe aan zijn lange nek? Het had nut en dus was het evolutie. Waarom werken leeuwen samen als ze op jacht gaan? Ze hebben geleerd dat ze door samenwerking het meest snelle en sterke dier kunnen overmeesteren. Waar komt schaamte vandaan bij mensen?

Evolutionair bezien was monogamie noodzakelijk en daarom moesten de schaamdelen bedekt worden. Een theorie die alles verklaart, verklaart niets.

Staan er dan helemaal geen goede zaken in “En God zag dat het goed was”? Jazeker wel. Er staan gelukkig een paar hoofdstukken in die geschreven zijn door wetenschappers die uitgaan van het gezag van de Heilige Schrift. Het zijn mooie hoofdstukken die ik van harte aanbeveel. Je zult ze als student gemakkelijk herkennen. Je treft er bijvoorbeeld niet de bewering in aan dat het heelal ‘ongeveer’ 14 miljard jaar geleden is ontstaan. Toch vraag ik me af of de auteurs er goed aan hebben gedaan aan dit boek mee te werken. Hun bijdragen staan een beetje verloren in dit boek. Ze stroken ook helemaal niet met de bijdragen van de andere schrijvers en er wordt amper op elkaar gereflecteerd. Maar ik kan me indenken dat dit alles pas opvalt als het complete boek is verschenen.

Even los van deze paar goede hoofdstukken vind ik “En God zag dat het goed was” onder de maat van wat we van een wetenschappelijk werk mogen verwachten. De rommelige en incomplete Index (waarom geen zaken- en persoonsregister?) completeert dat beeld. Het enige nut dat ik in dit boek zie is dat het voor een student en een gemeentelid een aansporing kan zijn om er dieper in te duiken. Probeer zelf maar eens de zwakke plekken op te zoeken.

De evolutietheorie vraagt om een groot geloof van zijn aanhangers

Ik durf zonder meer te stellen dat een ongelovige heel wat meer moet aannemen dan een christen J.C. Ryle, Christen-zijn in het dagelijks leven. Over de praktijk van het geloof, blz. 272.

7. De theologen gingen voorop.

In 1987 publiceerde A.M. Lindeboom een boek onder deze titel. Lindeboom wees op de ontmanteling van de Gereformeerde Kerken en zag daarin de theologen vooropgaan. Theologen ontnamen de gemeente de overtuiging dat voor God niets te wonderlijk is en ondermijnden de betrouwbaarheid van de Heilige Schrift. De meeste theologen van “En God zag dat het goed was” staan ook voor een overtuiging die zijn basis niet in het Woord van God heeft, maar in de evolutiewetenschap. Het punt is – gelukkig – dat niemand daar kritiekloos in mee hoeft te gaan. Protestanten zijn geroepen om zèlf na te gaan of klopt wat hen wordt voorgehouden. In zijn Commentaar op Klaagliederen 2: 14 schrijft Calvijn met nadruk dat hoorders zelf verantwoordelijk zijn om onderscheid te maken tussen waarheid en datgene wat botst met het Woord van God. We moeten niet afgaan op wat anderen stellen, maar zelf op onderzoek gaan. Het gaat om onderscheidingsvermogen. Oldenbarnevelt (1547-1619) vroeg in 1608 aan Gomarus (1563-1641) of de kwestie met Arminius over de predestinatieleer niet om spitsvondigheden ging. Vielen de twee standpunten niet met elkaar te verzoenen? Oldenbarnevelt wilde maar wat graag een ‘consensus’. Gomarus antwoordde dat hij met het gevoelen van Arminius niet voor de rechterstoel van God durfde te verschijnen. Dit is een aansporing aan ons allen om ingewikkelde kwesties nauwgezet te onderzoeken, maar dan wel in het licht van Gods Woord.

LEUK ARTIKEL?
Bent u blij met dit artikel? Het onderhoud en de ontwikkeling van deze website vragen financiële offers. Zou u ons willen steunen met een maandelijkse bijdrage? Dat kan door ons donatieformulier in te vullen of een bijdrage over te schrijven naar NL53 INGB000 7655373 t.n.v. Logos Instituut. Logos Instituut is een ANBI-stichting en dat wil zeggen dat uw gift fiscaal aftrekbaar is.

Written by

Dr. H.A. Hofman studeerde geschiedenis. In 1983 promoveerde hij op Constantijn Huygens als secretaris van het Oranjehuis. Hij heeft 45 jaar gewerkt in het Hoger Beroepsonderwijs en in het Voortgezet Onderwijs. Hij heeft een tiental boeken op zijn naam staan. In 2008 verscheen: "Verlicht of Verblind? Over het contrast tussen het traditionele Christendom en het Verlichtingsdenken". In 2009: "Het bittere conflict. Over Schepping en Evolutie in het jaar van Darwin en Calvijn". In 2014 verscheen: "Buen Camino. Tegenstem in een seculiere samenleving".

1 Comment

Comments are closed.