“Waar was je op 13 augustus om half negen ’s avonds?”
“Thuis, alleen”.
“Kan iemand dat bevestigen?”
“Nee”
“Dan heb je geen alibi. Dan heb je een probleem”.
Liefhebbers van politieseries kennen zulke ondervragingen. De verdachte, ook de onschuldige verdachte, wordt nog nerveuzer dan hij al was. Hij heeft geen alibi en wordt voor schuldig gehouden.

Wat is er echt aan de hand? Er is alleen maar vastgesteld, dat er geen alibi is. Maar het ontbreken van een alibi is geen bewijs van schuld. De verdachte kan inderdaad thuis geweest zijn. De vragen en de antwoorden lijken argumenten te leveren over iets wat niet gevraagd of niet geantwoord is. Daarmee heeft de ondervraagde geen probleem gekregen, maar de politie. Die zal verder moeten zoeken naar bewijzen. Waarom lijken er argumenten te zijn die schuld bewijzen? Omdat het doel van de ondervraging is om een schuldige te vinden. De verdachte is nerveus: er is een sfeer gecreëerd die bedreigend overkomt, ook voor onschuldigen. De verdachte weet, dat de ondervrager een bewijs zoekt. Door te erkennen, dat er geen alibi is, voelt hij een nederlaag en voelt de ondervrager een overwinning. Het doel een schuldige te vinden wordt gecombineerd met een minder gunstige situatie voor de verdachte en levert een sterke suggestie van schuld op.

“Er bestaan geen domme vragen”. Dat wordt vaak op school gezegd, wanneer een leerling een vraag stelt naar iets wat hij eigenlijk had moeten weten. De uitdrukking wordt gebruikt om de leerling gerust te stellen. Hij is op school om te leren. Iets niet weten of iets vergeten zijn mag.
Intussen suggereert de slogan ook, dat iedere vraag goed is. Er kan echter wel een probleem ontstaan bij te slimme vragen of bij verkeerde vragen. In een situatie waarin iemand niet gewoon alleen maar iets wil leren, kunnen sommige vragen wel problemen geven. De vraag naar het alibi kan inderdaad gesteld zijn om de verdachte in het nauw te drijven.

In zijn dialoog Meno laat Plato Socrates een reeks vragen stellen. Je weet in zo’n vroege dialoog nooit, of Socrates echt zoiets gezegd heeft. Het kan ook Plato zijn die Socrates laat zeggen, wat hij eigenlijk zelf zou willen zeggen. Socrates (of Plato via hem dus) wil bewijzen, dat de geest van een mens voor de geboorte kennis heeft gekregen die onbewust blijft. Leren is dan niets anders dan die verborgen kennis boven halen. Socrates laat een slaaf roepen die geen ontwikkeling heeft. Vervolgens stelt Socrates bij een meetkundige tekening vragen over wiskundige problemen. De slaaf lost die vervolgens op. “Zie je wel, die slaaf had kennis gekregen over wiskunde voor zijn geboorte en die kennis is alleen maar boven gehaald!” Alleen ….. Socrates stelt voortdurend vragen die het juiste antwoord suggereren. De slaaf ziet de tekening en concludeert, dat het gesuggereerde antwoord klopt. Heel de procedure bewijst dus niet, dat de slaaf al wiskundige kennis had gekregen voor zijn geboorte. Er is alleen maar bewezen, dat de slaaf wat hij ziet op de tekening, kan vergelijken met wat Socrates suggereert. Het doel van dit deel van de discussie was echter om te bewijzen, dat er al kennis aanwezig was en de gunstige uitslag van Socrates’ reeks vragen levert een sterke suggestie op, dat de te bewijzen visie bewezen is.

Zowel bij de ondervraging als in Plato’s verhaal zijn dus vragen gesteld die op zich niet slecht zijn, maar onjuist zijn om te bewijzen wat er bewezen moet worden. Ze leveren eigenlijk alleen maar een suggestie of een aanwijzing die eventueel kan meespelen in een vollediger bewijs. De betrokkenen staan emotioneel sterk onder invloed van bij het gebeuren. Zo kan er een onkritische houding ontstaan tegenover wat er werkelijk gebeurt.

Iets vergelijkbaars gebeurt, als je onder tijdsdruk iets zoekt. Je kijkt alle laden en kasten na, maar je vindt niet wat je zoekt. Je doet het nog eens en nog eens. Het is niet te vinden. De volgende dag doe je een lade open. Wat je gezocht had, ligt erin. Drie keer had je die lade doorzocht en niets gevonden. De spanning van de tijdsdruk maakte, dat je juist dat niet ziet wat je had moeten zien. Emotie laat je dus niet helder waarnemen. Liefde is blind, zegt men wel. Een vergelijkbaar geval.

Hier in Vlaanderen zeggen in deze jaren zeer velen het geloof vaarwel vanwege de vele pedofilieschandalen in de katholieke kerk. “Zie je wel, het deugt toch allemaal niet….” Ook hier is het duidelijk, dat de redenering niet klopt. Bewijzen pedofilieschandalen, dat God niet bestaat? Die schandalen bewijzen niets over God. Er bestaat een uitdrukking “God is goed, maar Hij heeft soms vreemd personeel”. Dit zou inderdaad de juiste conclusie zijn. Maar ook hier circuleert er een bijgedachte. Die bijgedachte is: God had daar iets aan moeten doen. Hij had het kwaad niet mogen toelaten. Het is wel toegelaten. Dus God bestaat niet. Er is intussen één belangrijk element niet bewezen, namelijk of God het kwade toelaat. Zijn er aanwijzingen, dat God het kwade toelaat? Dit zou de juiste vraag geweest zijn.

Zijn er aanwijzingen, dat God het kwade toelaat? Inderdaad. Door de duivel toe te laten eventueel de mensen tot de zondeval te brengen en door de mens zelf te laten beslissen heeft God het kwade niet verhinderd. Waarom? Daarover kunnen we eventueel verder nadenken en het antwoord zal een waarschijnlijkheid opleveren. We weten niet waarom. Hij zal er wel een goede reden voor gehad hebben en daarbij moeten we ons neerleggen.
Het kan echter heel goed zijn, dat ook bij degenen die het geloof hebben opgegeven een doel meespeelde. Dat doel was een bewijs te vinden, dat God niet bestaat. Inmiddels blijkt ook hier, dat het gezochte (emotionele) comfort van God niet te moeten gehoorzamen een mens tot onzorgvuldig denken brengt.

Een vergelijkbaar geval. Weer gangbare slogans. Dood is dood. Geloof je nu echt in de opstanding van de doden? Heb je er ooit één zien terugkeren? En de Bijbel! God die mededelingen doet aan mensen – heb je dat ooit meegemaakt? Dat zijn de vragen waarmee men wonderlijke dingen uit het geloof afwijst. De juiste reactie was geweest: Denk je misschien, dat God het niet kan?

LEUK ARTIKEL?
Bent u blij met dit artikel? Het onderhoud en de ontwikkeling van deze website vragen financiële offers. Zou u ons willen steunen met een maandelijkse bijdrage? Dat kan door ons donatieformulier in te vullen of een bijdrage over te schrijven naar NL53 INGB000 7655373 t.n.v. Logos Instituut. Logos Instituut is een ANBI-stichting en dat wil zeggen dat uw gift fiscaal aftrekbaar is.

Written by

Dr. A. Dirkzwager studeerde klassieke filologie aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. Het hoofdvak was Grieks, de bijvakken Oude Geschiedenis en Latijn. Van de Griekse en Latijnse teksten die hij te bestuderen had, stamde 40% van christelijke auteurs. Zijn doctoraatsthesis was een inhoudelijke commentaar op de beschrijving van de Romeinse provincie Gallia Narbonensis door de Griekse aardrijkskundige Strabo. De titel was 'Strabo über Gallia Narbonensis', uitgegeven door Brill, Leiden 1975. Hij was werkzaam als leraar in Nederland en Vlaanderen, later als onderwijsinspecteur. Ook gaf hij colleges exegese Nieuwe Testament en hermeneutiek aan de Evangelische Theologische Faculteit van Heverlee. De exegetische kolom van 1 Timotheus, 2 Timotheus, Filemon en Judas in de Studiebijbel van het Centrum voor Bijbelonderzoek is van zijn hand, na retouches door de redactie.