Dogma van de evolutietheorie

by | okt 31, 2017 | Filosofie, Onderwijs

In het denken van vele wetenschappers is wetenschap niets anders dan toegepaste naturalisme, of zoals Steven Weinberg het formuleert: “De wetenschap – ongeachte welke – kan slechts dan voortgang maken, indien zij aanneemt, dat er geen Goddelijk ingrijpen bestaat, en beseft hoe ver men met deze aanname komen kan.” Maar: Het bestaan van God kan natuurwetenschappelijk niet uitgesloten worden. En: Indien God toch bestaat, dan kan de wetenschap – ongeacht welke – slechts voortgang maken, indien zij Hem in hun bespiegelingen betrekken.

Zoals we uit het inleidende citaat van Steven Weinberg1 merken, werken veel wetenschappers volgens de niet bewijsbare aanname, dat er in de natuur geen Goddelijke ingrijpen bestaat. Er mogen echter in de wetenschap principieel geen dogmatische aannames gemaakt worden. Wetenschap moet betekenen, de waarheid vinden. Ongeacht met welke middelen en onafhankelijk van haar inhoud.

Ondanks vele pogingen moet duidelijk vastgesteld worden, dat het bestaan van God niet weerlegd kan worden. Verder geldt de grondregel, dat er geen weten zonder aannames bestaat en aan onze cognitieve vermogens grenzen gesteld zijn (zie bijvoorbeeld de onvolledigheidsstellingen van Gödel, de onzekerheidsrelatie van Heisenberg).

Karl Popper beschrijft deze omstandigheid als volgt: “Zeker weten is ons niet toegestaan. Ons weten is een kritisch gissen, een net van hypothesen, een weefsel van vermoedens (…) En ons gissen wordt geleid door het onwetenschappelijke bovennatuurlijke (!) geloof, dat er wetmatigheden zijn, die wij ontsluieren en ontdekken kunnen”.2

De geschiedenis van de evolutietheorie

De evolutiegedachte is niets nieuws. Reeds eeuwen voor Christus bestonden er voorstellingen, dat het leven zich had ontwikkeld en de levende wezens van elkaar afstammen. Zo vertegenwoordigde bijvoorbeeld Anaximander von Milet (610 – 547 v.Chr.) het idee, dat visachtige wezens uit het water zich tot dieren en mensen zouden hebben veranderd. De doorbraak van de evolutiegedachte en zijn acceptatie en maatschappelijke erkenning is door filosofische stromingen in de 18e eeuw mogelijk gemaakt.

Toen het rationalisme aan het einde van de 17de eeuw het menselijke verstand tot het hoogste goed verhief en het materialisme de materie als het enig werkelijke beschouwde, kon de filosofische denkrichting van het naturalisme zich op zijn best ontplooien. Het naturalisme erkent geen bestaan buiten de zichtbare wereld. De DUDEN (Duits woordenboek) beschrijft het naturalisme als “een filosofische, religieuze wereldbeschouwing, volgens welke alles uit de natuur en deze alleen uit zichzelf verklaarbaar is”.3

De filosoof Wilfrid Sellars schrijft: “Wanneer het om de beschrijving en verklaring van de wereld gaat, zijn de natuurwetenschappen de maatstaf van alle dingen”.4 De logische conclusie van deze wereldbeschouwing is onvermijdbaar een soort ontwikkelingsleer, want alle bovennatuurlijke zaken worden geloochend. Echter: Uiteindelijk hebben niet de kennis van de natuurwetenschap ertoe geleid, een bovennatuurlijke instantie uit te sluiten. Veeleer werd zij door de filosofie van het naturalisme op voorhand uitgesloten.

De Jezuïet en paleontoloog Pierre Teilhard de Chardin schrijft, dat de evolutie een “algemeen geldig postulaat (vereiste) is, waarvoor zich alle theorieën, alle hypothesen en alle systemen in de toekomst moeten buigen en eraan voldoen, om als voorstelbaar en waar te kunnen gelden. De evolutie is een licht, dat alle feiten verlicht, een weg, die alle gedachtegangen moeten volgen (…)”.5

De evolutionist en nobelprijswinnaar Konrad Lorenz gelooft, dat het “uitsluitend aan niet rationele, sentimentele weerstanden ligt, indien er tegenwoordig nog ontwikkelde mensen zijn, die niet in de afstammingsleer geloven”.6 De zoöloog D.M.S. Watson schrijft echter, dat de evolutie geaccepteerd wordt, “niet omdat men iets dergelijks zou hebben waargenomen, of omdat men haar als door een logische samenhangende reeks van bewijzen als waar zou kunnen bewijzen, maar omdat het enige alternatief daarvoor, de scheppingshandeling van God, simpelweg ondenkbaar is”.7

Voetnoten

  1. Steven Weinberg, Dreams of a final Theory, Vintage, 1994.
  2. Karl R. Popper, Logik der Forschung, zitiert in Volker Kessler, “Ist die Existenz Gottes beweisbar?”, p. 84.
  3. Das Fremdwörterbuch, DUDEN, 2005.
  4. Wilfrid Sellars, Science, Perception and Reality, Routledge and Kegan Paul, London, 1963, p. 173.
  5. Marie-Joseph Pierre Teilhard de Chardin, The Phenomenon of Man, 1959, deutsche Ausgabe: Der Mensch im Kosmos, C.H. Beck, München, 1959.
  6. Konrad Lorenz, citeert uit Hoimar v. Ditfurth, Evolution, Hoffmann und Campe, 1975, p. 13.
  7. D.M.S. Watson, Nature 123, 29 Juni 1929, p. 233.
M
"

Artikelen

Artikelen