In de vorige eeuw stelde Emil Brunner dat het onmogelijk is om in de post-Copernicaanse wereld vast te houden aan de Augustijnse visie van een historisch paradijs en een historische Adam. Dat neemt niet weg dat paus Pius XII het aan het begin van de twintigste eeuw wel daarvoor had opgenomen. Dat geldt ook voor de Amerikaanse presbyteriaan B.B. Warfield.

Adam_the_fall_and_original_sin

“In kringen van de Amerikaanse evangelicals is de discussie over de historiciteit van Adam en van de zondeval weer opgelaaid. Dit wordt mede veroorzaakt omdat een aantal vooraanstaande oudtestamentici hun aanstelling aan een theologische hogeschool kwijt raakten omdat zij de mogelijkheid van de theïstische evolutie verdedigden.”

In kringen van de Amerikaanse evangelicals is de discussie over de historiciteit van Adam en van de zondeval weer opgelaaid. Dit wordt mede veroorzaakt omdat een aantal vooraanstaande oudtestamentici hun aanstelling aan een theologische hogeschool kwijt raakten omdat zij de mogelijkheid van de theïstische evolutie verdedigden. Eén van hen is Peter Enns. Aanvankelijk beweert hij dat het opgeven van de historiciteit van Adam weinig theologische consequenties heeft. Inmiddels is hij ervan overtuigd dat dit juist niet het geval is. De bundel Adam, The Fall, and Original Sin1 staat tegen deze achtergrond. Zij bevat zowel exegetische-, theologisch-, historische en wetenschappelijke bijdragen.

De bundel opent met een bijdrage van C. John Collins over Adam en Eva in het Oude Testament. Zijn conclusie is dat vooral de geslachtsregisters in het Oude Testament ons duidelijk maken dat Adam een historische persoon is. Zo is het getuigenis van het Oude Testament ook in de intertestamentaire periode begrepen. In zijn boek Did Adam and Eve Really Exist? ontvouwt Collis de zienswijze dat Adam en Eva wel historische personen zijn maar niet het mensenpaar van wie alle mensen afstammen. De historische Adam zou als representant van de toen levende mensheid zich van God hebben afgekeerd. De dood van de mens zou onderdeel zijn van Gods goede schepping. Hier geeft Collins de indruk dat hij Adam en Eva wel als het eerste mensenpaar ziet. Nadrukkelijk stelt hij dat ze moreel onschuldig zijn geschapen. Zonde behoort niet bij Gods goede schepping.

In de bijdrage van Robert Y. Yarbrough over Adam in het Nieuwe Testament wordt eenzelfde geluid gegeven als bij ons prof. dr. J.P. Versteeg heeft gedaan in zijn artikel ‘Is Adam in het Nieuwe Testament een ‘leermodel’?’ Dat geldt ook voor die van Thomas Schreiner over Rom. 5. Dood en zonde deden hun intrede door Adams zondeval. Het is niet mogelijk de boodschap van verlossing door Christus te bewaren zonder de historiciteit van Adam te aanvaarden. Yarbrough wijst erop dat wat in 1 Tim. 2 staat over Adam en Eva voor vele westerse christenen omstreden is en dat christenen op het zuidelijk halfrond zonder reserve naar voren brengen dat de man, met het oog op de orde die God wil, de leiding heeft in het gezin en in de kerk.

De historiciteit van Adam als de eerste mens en de realiteit van de erfzonde hebben alles met elkaar te maken. Van bijzonder belang is het artikel van Carl R. Trueman over de erfzonde in de moderne theologie. Naast Schleiermacher, Rauschenbusch en Barth passeren Bultmann, Nierbuhr en Pannenberg de revue. Wat al deze theologen met elkaar verbindt, is dat zij ontkennen dat de schepping goed is geschapen. Bultmann en vooral Barth spreken over de ernst van de zonde, maar dat kan niet verhullen dat voor hen de schepping altijd een gevallen schepping is. De moderne theologie kan geen recht doen aan de klassiek notie dat zonde verzet is tegen God, die voortvloeit uit het feit dat de mens niet meer is zoals God hem heeft geschapen.

Hoe verhoudt zich het Bijbelse getuigenis over de eerste mens en diens zondeval met de huidige wetenschappelijke stand van zaken? Warfield neemt aan dat in de Bijbelse geslachtsregisters geslachten zijn overgeslagen. Hij neemt aan dat de schepping van de mens rond 20.000 vóór Chr. plaatsvond. In het woord vooraf wordt Warfield als een voorbeeld van een theïstisch evolutionist genoemd. Dat is gezien zijn visie op de schepping van het eerste mensenpaar niet juist. Wel houdt hij binnen de beperkte grenzen de mogelijkheid van evolutie open. In het artikel William Stone (een pseudoniem) wordt het fossielenmateriaal geanalyseerd. Duidelijk is dat er nog veel open vragen zijn, maar dat de mens al eerder geschapen moet zijn dan Warfield aanneemt.

Hans Madueme brengt in zijn bijdrage naar voren dat als de mens inderdaad het product is van evolutie, veel verwerpelijk gedrag simpel als de op overleving gerichte drang van de mens kan worden gezien die onlosmakelijk met zijn bestaan is verbonden. Wat de christelijke kerk erfzonde noemt, behoort bij de biologische uitrusting van de mens. Madueme brengt naar voren dat we als het gaat om de verhouding van geloof en wetenschap soms met onopgeloste vragen moeten leven. Met Bavinck stelt Madueme dat de val de stille vooronderstelling is van de Bijbelse leer van zonde en verlossing. De leer van de erfzonde behoort tot de kern van het christelijke geloof. Dat het getuigenis van de Schrift de voorrang moet hebben boven wetenschappelijke modellen. Daarbij behoort de aanvaarding van de goede schepping en de realiteit van de zondeval als een historisch feit.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit Soteria. De volledige bronvermelding luidt: Vries, P. de, Adam, The Fall, and Original Sin, Soteria 32 (3): 57-58.

Voetnoten

  1. Adam, The Fall, and Original Sin: Theological, Biblical, and Scientific Perspectives. Hans Madueme en Michael Reeves (red.), Baker Academic, Grand Rapids 2014, 339 blz. $26,99 (ISBN 978-0-8010-3992-8).

LEUK ARTIKEL?
Bent u blij met dit artikel? Het onderhoud en de ontwikkeling van deze website vragen financiële offers. Zou u ons willen steunen met een maandelijkse bijdrage? Dat kan door ons donatieformulier in te vullen of een bijdrage over te schrijven naar NL53 INGB000 7655373 t.n.v. Logos Instituut. Logos Instituut is een ANBI-stichting en dat wil zeggen dat uw gift fiscaal aftrekbaar is.

Pieter de Vries

Written by

Dr. P. de Vries werd op 23 april 1956 geboren te Kinderdijk (gemeente Nieuw-Lekkerland) in de Alblas­serwaard. Van 1974 tot 1981 studeerde hij the­ologie en Semitische talen aan de Rijks­universi­teit van Utrecht. Het kerkelijk exa­men werd in 1980 afgelegd en het doctoraal examen (oude stijl) in 1981 met als hoofdvak gereformeerde theolo­gie en als bijvakken Oude Testament en Nieuwe Testament. In 1999 promoveerde hij aan de Theologische Universiteit van de Christelijke Gereformeerde Kerken te Apeldoorn. De titel van zijn dissertatie luidde Die mij heeft liefgehad. De gemeenschap met Christus in de theologie van John Owen (1616-1683). In 2010 promoveerde hij voor de tweede maal aan de Universiteit van Amsterdam op een dissertatie met als titel De heerlijkheid van JHWH in het Oude Testament en wel in het bijzonder in het boek Ezechiël. Daarnaast verschenen van zijn hand meerdere boeken. Twee daarvan gaan over de apologetische betekenis van Cornelius van Til en Alvin Plantinga. Sinds september 2005 is hij docent bijbelse theologie en hermeneutiek aan het Hersteld Hervormd Seminarium verbonden aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. Van 2005 tot 2009 gaf hij daar ook apologetiek. Vanaf november 2011 is hij daarnaast parttime predikant van de Hersteld Hervormde Gemeente te Boven-Hardinxveld.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

 tekens over