Een bijeneter met prooi, daaronder de titel En God zag dat het goed was. Een suggestief geheel dat weinig goeds belooft. Het is de cover van het recent verschenen boek met deze titel. Onder redactie van William den Boer, René Fransen en Rik Peels buigen vierentwintig scribenten zich daarin over ’25 cruciale vragen’ over christelijk geloof en evolutie. De uitkomst laat zich niet moeilijk raden. In deze beknopte bespreking zal ik pogen op enkele lijnen van argumentatie kort te reageren vanuit mijn ‘bijbels-historisch’ oogpunt (een diepgaande bespreking van elk hoofdstuk afzonderlijk zou een boek op zich in beslag nemen).

Laten we beginnen bij de appendix van René Fransen, want feitelijk is wat daar staat natuurlijk de reden voor het verschijnen van dit soort boeken. Voor wie nog twijfels had: de evolutietheorie (met haar notie van deep time) staat als een huis, dames en heren, jongens en meisjes. Voor de nietsvermoedende lezer wellicht nog nieuws hier, maar wie Tiktaalik en het GLO-gen weer afgestoft ziet worden weet hoe laat het is. Wie echter nog steeds niet inziet dat er toch echt geen kangoeroes naar Australië kunnen zijn gehuppeld omdat we geen fossielen van ze hebben vanaf het Midden-Oosten, kan hier nog eens wat leren. En, eerlijk is eerlijk, het oogt allemaal ook erg indrukwekkend wat Fransen opsomt. Zó indrukwekkend kennelijk, dat zelfs de meest orthodoxe theologen voor de bijl lijken te gaan. En toch: het is weer het bekende handjevol voorbeelden, waarop vanuit ‘creationistische kring’ al lang en breed gereageerd is.1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14 Misschien was het in die geest leuk geweest als die bijeneter een berkenspannertje te pakken had gehad.

Maar het gaat niet om de evolutietheorie. Nee, zo laten de redacteuren zich erop voorstaan, het gaat hier juist om de theologische kant van het verhaal, dus ik zal hier trachten daarop in te gaan, zij het niet-uitputtend. In het eerste hoofdstuk zet Ab Flipse de lezer alvast in de hoek: al in de negentiende eeuw had men in christelijke kringen door dat je je maar beter kon overgeven aan de inzichten van Darwin, dus wie zijn wij om ons er nog druk over te maken? Nee, laten we dergelijke ‘pijnpunten filosofisch en theologisch doordenken’. En zo geschiedde.

Volgens Jeroen de Ridder kunnen we ‘niet direct conclusies verbinden over de unieke plaats en waarde van mensen in het grotere geheel van Gods schepping’ aan het feit dat ‘de stand van zaken in de biologie’ er ‘heel sterk op wijst’ dat ‘mensen en apen een gemeenschappelijke voorouder hebben’. Dat lijkt mij inderdaad verstandig, al was het maar omdat dit ‘feit’ nogal detoneert bij wat God daar Zelf over zegt: “… toen vormde de HEERE God de mens uit het stof van de aardbodem en blies de levensadem in zijn neusgaten; zo werd de mens tot een levend wezen” (Genesis 2:7). Er had ook kunnen staan: “… toen vormde de HEERE God de mens uit een van de wilde dieren naar zijn soort en blies de levensadem in zijn neusgaten; zo werd de mens tot een levend wezen.” Dat had een hoop discussie kunnen schelen, maar het staat er niet. Nergens in de hele Bijbel ook maar een zweem van een hint ernaar zelfs, integendeel. Daar zal dan wel een goede reden voor zijn, en ik zou zelf in elk geval de arrogantie niet willen hebben daar anders over te oordelen. Petrus schrijft niet voor niets: “Wij hebben het profetische woord, dat vast en zeker is, en u doet er goed aan daarop acht te slaan als een lamp die schijnt in een duistere plaats totdat de dag aanbreekt en de morgenster opgaat in uw hart” (2 Petrus 1:19). Aan een lamp die ons pad zó vertekent hebben we niet veel.

Eric Peels betoogt dat we Genesis 1 niet letterlijk-historisch moeten lezen. Zo gingen Philo en Augustinus uit van schepping in één moment en zag Origenes de zes scheppingsdagen als ‘figuurlijke expressie van geestelijke geheimenissen’ (p. 95). Opvallend dat deze drie hier als voorbeeld gegeven worden: geen van deze drie ging namelijk uit van een miljarden jaren durende ontwikkeling. De discussie ging over de duur van de schepping, maar Augustinus ging er wel van uit dat er in zijn dagen nog geen zesduizend jaar voorbij waren gegaan,15 Origenes ging uit van minder dan tienduizend jaar16 en Philo beschouwde materie kennelijk zelfs als ‘ongeschapen’.17 Als dit de beste voorbeelden zijn van ‘afwijkende meningen’ aangaande een letterlijk-historisch lezen van Genesis 1, dan lijkt me dit geen sterk punt.

Peels loopt ‘vijf aandachtspunten langs’ die er volgens hem toe leiden dat ‘de conclusie onontkoombaar [is] dat een letterlijk-historisch lezen van Genesis 1 de exegeet voor serieuze problemen stelt’ (p. 97). Merkwaardig dat deze ‘serieuze problemen’ er kennelijk niet waren in de achttien eeuwen voordat de evolutietheorie invloed kreeg op het verstaan van de Schrift. De kerkvaders en reformatoren gingen over het algemeen ook gewoon uit van een ‘jonge’ aarde (een relatief begrip, uiteraard) en een zesdaagse schepping.18

Het eerste aandachtspunt van Eric Peels is dat Genesis 1, ‘gelet op de literair en zelfs getalsmatig zeer doordachte opbouw en de gecondenseerde statements in een ragfijne structuur’, ‘echt anders van aard [is] dan de overige hoofdstukken in het boek Genesis’ (p. 95). Een stellige conclusie blijft hier nog uit, maar de vraag dient zich wel aan of Genesis hier ‘op een andere manier dan elders’ geschiedenis schrijft. Het antwoord op die vraag doet echter niets af aan het wel of niet historisch zijn van wat er beschreven staat. Dat er bijvoorbeeld gebruik wordt gemaakt van een chiasme19 doet niets af aan de inhoud van wat er staat; in een cultuur van grotendeels mondelinge overlevering is het zelfs van belang, omdat de inhoud dan goed onthouden kan worden. Klassieke auteurs als Livy, Sallust, Caesar en Tacitus maakten er ook gebruik van. Er zijn bovendien de nodige andere historische passages in de Bijbel waarin deze stijlfiguur wordt toegepast, zoals Genesis 17:10-14, 23-27 en Gods openbaring op de berg Sinaï in Exodus 19-24. Hetzelfde geldt voor het gebruik van ‘Bijbelse getallen’, zoals het getal zeven, en in bijvoorbeeld Numeri 7:10-84 is ook sprake van een patroon van genummerde dagen.20, 21

Het tweede aandachtspunt van Eric Peels is dat Genesis 1 een ‘oudoosterse tekst’ is, ‘geschreven en gehoord/gelezen in een wereld die bekend was met allerlei oorsprongsverhalen (met name Mesopotamisch en Egyptisch)’ (p. 95). Peels erkent de uniciteit van Genesis hierin, maar meent desondanks dat we rekening moeten houden met ‘mythisch-poëtische elementen’ zoals de duisternis over de oervloed en zeemonsters. Hier moet wellicht inderdaad juist worden gelet op verschillen in plaats van overeenkomsten. Zo is er goede reden te twijfelen aan een filologisch verband tussen het Babylonische Tiāmat en het Bijbelse tĕhôm.22 Sommigen stellen dat de tekst in Genesis 1 een reactie van polemische aard betreft,23 al ben ik van mening dat hier waarschijnlijk geen sprake van is, net als Peels (p. 100), maar dan eerder omdat ik het waarschijnlijk acht dat Mozes gebruik heeft kunnen maken van bronnen ouder dan de mythen van de omringende volkeren; het leentjebuur spelen is daarom wellicht eerder andersom.24 Waarom zou God dergelijke mythen en afgoderij in Zijn Woord willen laten doorschemeren, terwijl Hij zo duidelijk is in het verwerpen hiervan?

Peels’ derde aandachtspunt betreft de verschillen tussen Genesis 1 en Genesis 2. Hier stelt hij dat ‘een harmonisatie door in 2:19 met een voltooid verleden tijd te vertalen niet onmogelijk [is], maar ook niet erg geloofwaardig’ (p. 96). Maar waarom niet? De ESV en de NIV vertalen het zo, net als onze eigen Statenvertaling. Het is in de oude Semitische geschiedschrijving dan ook niet ongewoon om eerst het ‘grotere plaatje’ te schetsen en vervolgens op de details in te zoomen, waardoor er geen sprake is van een ‘chronologische’ lezing (denk bijvoorbeeld aan dergelijke gevallen in Richteren 2:6 of 1 Koningen 7:13).25 Ik zie geen reden anders dan vooringenomenheid om te belemmeren dat de context de meest logische vertaalkeuze bepaalt. Wat is er ‘geloofwaardiger’ aan de keuze voor de onvoltooid verleden tijd? Peels maakt het niet duidelijk. Al met al kan ik hier geen gegronde redenen aan ontlenen om te stellen dat Genesis 1 niet letterlijk-historisch zou zijn.26

Het vierde aandachtspunt is dat andere teksten in het Oude Testament die over de schepping gaan, zoals Psalm 104, Spreuken 8 en Psalm 74, een ‘zeer gevarieerd beeld bieden’. Slechts in Exodus 20:11v., 31:17 wordt gerefereerd aan ‘het schema van zes/zeven dagen van Genesis 1’ (p. 96). Hieruit concludeert Peels dat het ‘geforceerd’ is om deze variatie aan de poëtische aard van eerstgenoemde teksten te wijten, ‘terwijl Genesis 1 de échte reële beschrijving van de schepping biedt’. Een vreemd argument wat mij betreft. Psalmen en Spreuken zíjn overduidelijk poëtische teksten. Dat de niet-poëtische teksten die Peels noemt juist aansluiten bij het ‘schema van zes/zeven dagen van Genesis 1’ pleit m.i. juist vóór een letterlijk-historische interpretatie daarvan.

Aandachtspunt vijf handelt over ‘signalen’ uit Genesis 1 zelf die zouden pleiten voor een niet-reële geschiedenis van een concrete week. Zo was er op dag 1 al licht, maar schiep God de zon pas op dag 4. Peels stelt dat God echter pas op dag 4 een scheiding maakte ‘tussen licht en duisternis’ door gebruikmaking van deze hemellichamen, ‘iets wat echter op dag 1 al door God zelf is gedaan’ (p. 97). Als we Peels’ logica hier volgen, wat dan te denken van het Licht in Johannes 1? Wie zegt dat het licht in Genesis 1:3 van de zon moest komen? De tekst zelf heel duidelijk niet. Sommigen denken aan een natuurkundige interpretatie,27, 28 maar de tekst zelf dwingt niets af, omdat er simpelweg niet meer staat. Wat er wél staat impliceert in elk geval dat de zon een ander licht was dan het licht van dag 1. Wellicht is het raadzaam in plaats van te stellen dat ‘oplossingen van dit soort uitlegkundige problemen’ vaak ‘gekunsteld’ aandoen (p.97), er geen uitlegkundig probleem van te maken dat gebaseerd is op hedendaagse natuurkundige inzichten. Aangezien de genoemde ‘oplossingen’ niet nader bekend worden gemaakt, is de bewering hierover van Peels hier helaas niet meer dan holle retoriek.

Het ‘avond en morgen’ zou volgens Peels afhangen van de aanwezigheid van de zon en de maan, waarvan de definitie van ‘dag’ zou afhangen. Toch gaat het in wezen slechts om ‘de tijd die de aarde nodig heeft voor een (bij benadering) volledige omwenteling om de aardas, ten opzichte van een referentiepunt’.29 Dat referentiepunt bestaat tegenwoordig uit de zon, de maan of de sterren, maar de tekst van Genesis 1 zelf impliceert dat het hier gaat om het in vers 3 geschapen licht. Door dit licht om deze reden gelijk te stellen aan het zonlicht, is hier m.i. sprake van een cirkelredenering. En zelfs al is onze moderne definitie van ‘dag’ wellicht anders dan die van Genesis 1, dan nog zegt dat feitelijk niets over het letterlijk-historische karakter van de tekst zelf.

Peels maakt er ook nog een punt van dat de flora een dag eerder geschapen is dan de zon. Wie thuis planten heeft zal begrijpen dat een dagje zonder zonlicht geen problemen oplevert (’s nachts hebben planten hier ook niets van). Het pleit hoogstens tegen het idee dat de scheppingsdagen lange perioden waren. De aarde was dus echter, zo leidt Peels hieruit af, ‘voor een tijd de enige planeet in het heelal’ en is pas na dag 4 om de zon en om de eigen as gaan draaien. Welbeschouwd zijn het blijkbaar slechts buiten-Bijbelse noties die hier voor problemen zouden zorgen: het ontstaan van ons sterrenstelsel volgens de moderne kosmologie. Alweer is er niets in de tekst zelf dat hier problemen oplevert, tenzij we – zoals Peels doet – aannemen dat de huidige natuurlijke gang van zaken een belemmering vormt voor de ‘letterlijk-historische’ interpretatie van de scheppingsweek. Hier wordt God als Schepper afhankelijk gemaakt van Zijn eigen natuurwetten; een wat mij betreft wat kwalijke omkering van de zaak. Aandachtspunt 5 heeft, zo blijkt al met al, niet zozeer te maken met ‘signalen’ vanuit Genesis 1 zelf, maar veeleer met onderwerping van de tekst aan de huidige natuurkundige inzichten. Zelfs vanuit de natuurkunde zijn hier overigens ideeën over die goed met een letterlijk-historisch verstaan van Genesis 1 samengaan.30 Ik pleit hier niet per se voor dergelijke ‘oplossingen’, en of Peels hierop doelt blijft ook onduidelijk. Waar het hier om gaat, is dat Genesis 1 zelf helemaal geen ‘signalen’ afgeeft die aan een ‘letterlijk-historische’ interpretatie zouden afdoen; slechts de acceptatie van de seculiere wetenschappelijke benadering van de ontstaansgeschiedenis van het heelal doet dat.

Ronald Meester vraagt zich af of evolutie een wereldbeeld is. Hij concludeert van niet, en ik ben het ergens met hem eens. Het is denk ik eerder andersom: het wereldbeeld dat zich sinds de Verlichting opdringt biedt veeleer de grondslag voor de evolutietheorie, die inderdaad op zich genomen niets meer is dan een wetenschappelijke theorie. Een theorie die echter voortvloeit uit het uitgangspunt dat God als verklarende factor overboord moest. Liet Darwin nog de Schepper het leven inblazen ‘in een paar vormen, of in één vorm’,31 de rest ging toch echt vanzelf. Tegenwoordig is zelfs die Schepper als ‘inblazer’ buitenspel gezet en is men al vele decennia op zoek naar een naturalistische verklaring voor het ontstaan van het leven zelf. Laten we duidelijk zijn: het is díé benadering van de wetenschap waarmee men hier aan de haal gaat. Aan goddelijke bemoeienis heeft de evolutietheorie geen enkele boodschap.

Naast Ronald Meester geven René van Woudenberg en Dolf te Velde interessante inzichten in het begrip ‘toeval’. Dergelijke overdenkingen mag ik graag lezen. Wanneer we maar voldoende kennis hebben van alle factoren die een rol spelen, zou je een bepaalde interpretatie van ‘toeval’ kunnen uitsluiten; het is dan slechts een kwestie van onvoldoende kennis waardoor iets toevallig ‘lijkt’. Gooien we een dobbelsteen en zijn we in staat met behulp van de wetten van Newton te overzien op welke zijde deze gaat eindigen, dan is er feitelijk geen sprake meer van toeval. Zonder dergelijke kennis betreft het slechts onwetendheid onzerzijds. Zo zal niet iedereen erover na hebben gedacht, en dit soort inzichten verrijkt. De vraag die in het verlengde ligt, is: welke rol heeft God gespeeld in de ontwikkeling van het leven? Sluit toeval God niet uit? De auteurs menen van niet.

Feitelijk denk ik dat ik het daarmee eens ben. Het zou in principe kunnen dat God ‘toevallige’ evolutionaire processen gebruikt (heeft). Daarmee wordt het heikele punt min of meer omzeild waarom het hier gaat. De evolutietheorie stelt namelijk dat natuurlijke selectie aangrijpt op ‘toevallige’ mutaties. Betekent dat dan dat mutaties ‘onveroorzaakt’ zijn? Nee, en dus kan God erachter zitten. God is als het ware de ‘eerste oorzaak’ van alles; door Zijn scheppend handelen is de wereld ‘tot aanzijn geroepen’. Vervolgens blijft God nodig om het systeem van ‘tweede oorzaken’ – ‘toevallige’ processen – aan te sturen, waarmee we ons in de categorie ‘voorzienigheid’ bevinden.

Is het dan niet geoorloofd van twee walletjes te eten? Kunnen we niet gewoon de naturalistische inzichten overnemen en er een sausje van goddelijke voorzienigheid overheen gieten? Natuurlijk wel. Het is een benadering die zelfs heel aantrekkelijk lijkt. Waarom jezelf onsterfelijk belachelijk maken door nog vast te houden aan de fundamentalistische lezing van de Schrift die achttien eeuwen de boventoon heeft gevoerd? Feitelijk is het mogelijk God overal bij te betrekken, want geen enkel wetenschappelijk experiment zal Hem kunnen uitsluiten. Probleem opgelost.

En toch. Dolf te Velde stelt dat God als ‘eerste oorzaak’ nodig blijft ‘om het hele systeem van ‘tweede’ oorzaken in de benen te helpen’ (p.226). Hij lost de problematiek dat God gebruikt maakt van ‘random’ mutaties op door onderscheid te maken tussen ‘schepping’ en ‘voorzienigheid’. Hij eindigt zijn bijdrage als volgt: ‘Dat God in de verdere ontwikkeling van de wereld gebruik kan maken van evolutionaire processen, wil niet zeggen dat Gods betrokkenheid bij het oorspronkelijke tot stand komen van het wereldgeheel door middel van die processen te beschrijven is’ (p. 226). Wat wil hij nu zeggen? Het lijkt erop dat hij bedoelt dat God schiep, en dat vervolgens evolutie het overnam. Wat God dan precies schiep wordt helaas niet verteld, maar laten we even aannemen dat het in dit verband in elk geval gaat om de eerste replicerende vorm van leven, aangezien de evolutietheorie daarna ‘aanvangt’. Dat zou betekenen dat God alle organismen zoals ze vervolgens zijn verschenen, via deze ‘toevalsprocessen’ tot aanzijn heeft laten komen, of dat Hij daar niet eens direct invloed op heeft gehad. Met dat idee zijn echter meer, en wellicht ernstiger, problemen dan Te Velde bespreekt.

De evolutietheorie stelt namelijk dat mutaties de ultieme bron van variatie zijn; zonder mutaties geen evolutie. Mutaties zijn fouten (en wel kopieerfouten). Het handboek over evolutie van Futuyma en Kirkpatrick, Evolution (2018), stelt het als volgt: ‘Fundamentally, mutation can be thought of as an inevitable consequence of the Second Law of Thermodynamics which (among other things) implies that no process can occur without error.’32. Vrijwel alle mutaties die invloed hebben op het fenotype betreffen gevallen van pleiotropie: een enkele mutatie heeft effect op meerdere eigenschappen. Derhalve speelt pleiotropie een sleutelrol binnen de evolutie. Met andere woorden: dit fundamentele mechanisme heeft nogal wat ‘collateral damage’. Denk bijvoorbeeld aan gevallen van achondroplasie (dwerggroei).

Verreweg de meeste mutaties zijn schadelijk voor het organisme en brengen de overlevingskansen of de voortplanting in gevaar. Volgens het genoemde handboek zijn ze ‘random’: ‘Mutations are random with respect to what will improve survival and reproduction. New conditions do not increase the frequency of mutations that are beneficial in those conditions.’33 Een experiment waarbij Joshua en Esther Lederberg mutaties in bacteriën testten, heeft aangetoond dat mutaties in de volgende zin ‘random’ zijn: ze gebeuren gewoon, ongeacht wat gunstig is ten opzichte van de omgevingsfactoren. Verreweg de meeste bacteriekolonies legden het loodje, en alleen die met een in het specifieke geval van het experiment ‘gunstige’ mutatie (namelijk resistentie tegen een ingebracht virus) bleven over.34 Heeft God het dus op zijn beloop gelaten, of heeft Hij ook de omgevingsfactoren steeds weer beïnvloed zodat de ‘random’ mutaties uiteindelijk tot ons mensen hebben geleid? Als we de argumentatie van Te Velde volgen, lijkt het erop dat we er niet aan ontkomen dat we moeten aannemen dat God het leven schiep, en dat vervolgens kopieerfouten met nare gevolgen voor het gros van de organismen ervoor hebben gezorgd dat alleen de enkele gelukkige organismen die gedijden in een bepaalde omgeving uiteindelijk naar ‘de mens’ hebben geleid. Hoe ver van wat God daarover zegt en het beeld van Hem zijn we dan inmiddels niet afgedwaald?

Maar er is meer. Het accepteren van de evolutietheorie zou bijvoorbeeld betekenen dat de menselijke ziel eigenlijk niet hoort te bestaan. De wetenschappelijke inzichten van 2019 zeggen ons namelijk dat ‘wij ons brein zijn’. Ons bewustzijn is uiteindelijk niet meer dan neuronen, gliacellen en schakelingen door neuronale netwerken.35 Of geldt de ‘aannemelijkheid’ van de evolutietheorie hier niet meer? Zijn deze interacties allemaal, of deels, door God gestuurd? Zelfs dan zou dat echter betekenen dat wij niet meer zijn dan de werking van moleculen, aangestuurd of niet. De vraag wat er dan van ons overblijft na het sterven wordt dan wel erg prangend. Het hoofdstuk van Wim van Vlastuin is wat dat betreft wel een wat vreemde eend in de bijt. Aangezien de meeste auteurs de huidige wetenschappelijke inzichten als maatgevend zien, zou een consequent zijn hierin namelijk het hierboven gesuggereerde omtrent onze ziel betekenen. Van Vlastuin merkt terecht op dat zich hier een ernstig vraagstuk aandient. Hij eindigt zijn waardevolle bijdrage met een citaat van de atheïstische filosoof Thomas Nagel: “Het gegeven dat er ondanks de ongeloofwaardige conclusies (…) prioriteit wordt gegeven aan het evolutionaire naturalisme, is te danken [te wijten? NvR] aan de seculiere consensus dat dit het enige alternatief is voor het theïsme om onszelf te verstaan” (p. 277). Voldoende waarschuwing, dunkt me.

Het gaat echter nog verder. Het lijkt namelijk steeds duidelijker te worden dat ons DNA over het geheel genomen een functie heeft.36, 37 Mutaties in organismen lijken veelal ‘beschadigingen’ (hoe licht soms ook) te betreffen van een goed functionerend geheel.38 Bovendien ziet het ernaar uit dat in de eerste fase van de ontwikkeling de expressie van genen gereguleerd wordt door gene regulatory networks (dGRNs); interactienetwerken van genen, die veranderingen (mutaties) zeer slecht kunnen verdragen.39 De ‘oplossing’ die hiervoor vanuit de evolutietheorie wordt geboden, is de suggestie dat deze dGRNs in vroeger tijden ‘flexibel’ waren.40 Empirisch gezien is hier echter geen enkele evidentie voor en het blijft slechts bij een suggestie, ingegeven door het uitgangspunt van gemeenschappelijke afstamming, met werking van mutaties en natuurlijke selectie. En dan laten we hier nog buiten beschouwing dat mutaties soms ernstige en dodelijke ziektes als kanker opleveren; hoe moeten we Gods sturing van mutaties hier dan zien? Een vraag waar we misschien liever niet over nadenken.

Als we in het idee van Dolf te Velde meegaan, moeten we dus aannemen dat God op de een of andere wijze de door Hem als ‘eerste oorzaak’ geschapen goed werkende systemen door ‘tweede oorzaken’ heeft moeten laten aantasten om ze te laten worden tot alle organismen, waaronder wijzelf – gemaakt naar Zijn beeld. Of, meegaand met de evolutionaire suggestie, was het resultaat van de ‘eerste oorzaak’ nog dermate beïnvloedbaar dat God met enkele rake ‘drukken op de knop’ precies díé mutaties teweeg heeft gebracht die uiteindelijk tot robuuste, interacterende systemen hebben geleid. Beide verklaringen geven weinig bevrediging en lijken ten minste niet aan te sluiten bij wat God bedoelde toen Hij ‘zag dat het goed was’.

Terwijl de focus aangaande ‘toeval’ ligt bij mutaties, lijkt ‘natuurlijke selectie’ – het andere ingrediënt van de evolutietheorie – wat buiten beschouwing te blijven. Hoewel mutaties heel goed ‘onbedoeld’ kunnen zijn, bieden ze in bepaalde gevallen toch een voordeel aan het organisme. Denk bijvoorbeeld aan kevers op een winderig eiland die het vliegvermogen verloren hebben, waardoor ze niet meer de oceaan in worden geblazen. Natuurlijke selectie hangt veelal af van omgevingsfactoren. Wil de evolutionaire ontwikkeling als ‘tweede oorzaak’ door God gestuurd worden, dan zal Hij dus ook moeten zorgen voor de veranderende omgeving die hierbij een rol speelt. De vulkaanuitbarsting waardoor twee populaties gescheiden raken en zich afsplitsen, het gebrek aan kleine zaadjes op de Galapagoseilanden door droogte waardoor alleen vinken met een robuuste snavel overleven, en wat al niet meer. Zo beschouwd, dringt zich toch een wat discutabel beeld op van God als sturende kracht van ‘tweede oorzaken’.

Marcel Sarot zet terecht vraagtekens bij de suggestie van Gijsbert van den Brink dat God Adam en Eva heeft aangesproken tussen zo’n tienduizend andere ‘neolithische boeren’.41 Tegelijkertijd geeft hij aan geen beter alternatief te hebben (p. 339). De evolutietheorie wil hij desondanks niet afwijzen. Wat overblijft, is dus een gapend gat. Een gat dat bijdraagt aan het gevoel dat na het lezen van En God zag dat het goed was blijft hangen: er wordt gepoogd twee intrinsiek tegenstrijdige zaken met elkaar te laten rijmen, maar de pogingen daartoe, hoe eloquent verwoord ook, overtuigen niet. Er wordt opmerkelijk genoeg van uitgegaan dat de God Die in staat is schadelijke processen als mutaties ervoor te laten zorgen dat eencelligen mensen zijn geworden, ons niet in Zijn Woord heeft kunnen duidelijk maken dat dit zo gegaan is. Sterker nog, Hij heeft er een heel ander verhaal van gemaakt. De verklaring? De Bijbelschrijvers wisten kennelijk gewoon niet beter. Het waren ook maar mensen tenslotte, die nu eenmaal sterk beïnvloed waren door het hun omringende wereldbeeld; het wereldbeeld van de volkeren waartegen Gods volk zo moest strijden, met aanbidding van hemellichamen en dergelijke. Zou het werkelijk?

Aan de andere kant heeft En goed zag dat het goed was mij ook weer nieuwe inzichten opgeleverd en ik ben de redacteuren ook dankbaar dat iemand als Mart-Jan Paul, die toch een heel andere toon laat horen dan de teneur van het boek als geheel, een hoofdstuk heeft mogen bijdragen. Bovendien is wederzijds begrip altijd goed, en ik denk dat ik weer iets meer begrijp van de manier waarop de evolutietheorie en het christelijk geloof theoretisch gesproken min of meer samen zouden moeten kunnen gaan. Dat de argumentatie hiervoor mij nog steeds volstrekt niet overtuigt ligt in elk geval niet aan de inzet die men getoond heeft, en ik wil de makers van dit boek dan ook nageven dat ik denk dat zij oprecht zijn en niets dan goede bedoelingen hebben met dit werk. Als je werkelijk overtuigd bent van de juistheid van de evolutietheorie (en daar min of meer aan gekoppeld de seculiere verklaringen voor de vorming van het heelal en de aarde), is het niet vanzelfsprekend dat je probeert vast te houden aan de Schrift. Dat men hiertoe toch een serieuze poging doet is in ergens prijzenswaardig.

Wat mij betreft is de prijs hiervoor echter wel te hoog. Het houdt namelijk in dat dezelfde Schrift van weinig Inspiratie getuigt: we kunnen er kennelijk niet op vertrouwen dat wat in de Bijbel staat overeenkomt met de werkelijkheid, aangezien de Bijbelschrijvers beperkt waren door hun tijd en wereldbeeld. Waarom andere uitspraken van de Bijbelschrijvers nog wél vertrouwen? En wat te denken van de uitspraken van Jezus Zelf over de geschiedenis zoals beschreven in Genesis? Welke rol heeft de Heilige Geest dan nog gespeeld? Moeten we moderne wetenschappelijke inzichten dan ook niet serieus nemen als het om andere Bijbelpassages gaat? Er begint ineens heel veel te wankelen. Terwijl, en dat wil ik toch benadrukken, dat helemaal niet nódig is. De neodarwinistische evolutietheorie (waarvan men uit lijkt te gaan) mag dan algemeen een hoog aanzien genieten, zelfs in seculiere, wetenschappelijke kringen zijn er de nodige twijfels.42, 43, 44 Zoals gezegd is deze bespreking echter niet in eerste instantie gericht op de evolutietheorie, en valt ook over de ‘onderste laag’ (gradualisme) en de ‘middelste laag’ (gemeenschappelijke afstamming), zoals Gijsbert van den Brink die hanteert op pagina 344, nog veel meer te zeggen. Daarover nu echter genoeg.

Het advies van Marcel Sarot om met stelligheid te wachten ‘tot de wetenschappelijke gegevens minder in beweging zijn’ (p. 340) klinkt in elk geval verstandig, hoewel het zeer de vraag is welke rol God daarin nog mag krijgen. Voorlopig lijkt het erop dat men, om met Richard Lewontin te spreken, ‘geen Goddelijke Voet tussen de deur’ wil.45 De geschiedenis van de wetenschap is er bovendien een van inzichten die werden vervangen door andere inzichten. Schreef men een boek als En God zag dat het goed was enkele honderden jaren geleden, dan was men vermoedelijk even stellig overtuigd geweest van wat tóén de wetenschappelijke inzichten waren (denk bijvoorbeeld alleen al aan de invloed van het Griekse denken op de zienswijze van de Kerk). Wanneer men over tweehonderd jaar weer een dergelijke poging onderneemt, lezen we vermoedelijk weer heel andere ‘feiten’ die ons nopen tot nieuwe inzichten. En zo kunnen we de lezing van de Bijbel blijven aanpassen. Ik denk niet dat dat is wat Petrus bedoelde met “het profetische woord, dat vast en zeker is”.

Waarom deze bespreking van En God zag dat het goed was? En wat valt eruit te concluderen? In de eerste plaats weet ik uit ervaring dat acceptatie van de evolutietheorie en een daarvanuit interpreteren van de Bijbel kan leiden tot het steeds meer loslaten van die Bijbel. De in wezen atheïstische ontstaanstheorieën die hier als blauwdruk lijken te dienen voor de lezing van Gods Woord hebben in het geheel geen boodschap aan goddelijke interventie. Dit boek doet een heel serieuze poging om deze twee zaken toch samen te laten gaan. Een afweging van de argumenten waarmee zoveel ‘theologische zwaargewichten’ daarvoor op de proppen komen, lijkt me een goede graadmeter voor mogelijkheid deze zaken met elkaar te laten rijmen.

In de tweede plaats biedt dit boek veel argumenten tegen dat waar ik voor sta: een letterlijk-historische lezing van de Schrift. Het is dus een verdediging van mijn standpunt (en dat van vele anderen). Dat standpunt is niet ontleend aan een koppig negeren van alle gegevens, maar eerder het resultaat van vele overwegingen hiervan. Dergelijke overwegingen hebben voor een deel een plaats in deze bespreking. Velen zullen wellicht op vergelijkbare wijze deze materie overdenken. Hun hoop ik hiermee wat standvastigheid te kunnen bieden. Ik ben de overtuiging toegedaan dat wat God ons in Zijn Woord laat lezen overeenkomt met de werkelijkheid, en denk daarom dat het van belang is dat wij het zo dan ook lezen. Hoe aantrekkelijk het ook is om ‘mee te kunnen gaan’ met de mainstream. Wat mij betreft is dit uiteindelijk geen heilzame weg (al wil ik nergens suggereren dat het ‘christen-zijn’ of het ‘behouden worden’ principieel afhangt van hoe wij Genesis interpreteren).

Daarmee kom ik tot mijn conclusie: in hoeverre biedt dit boek redenen om deze overtuiging te herzien? Laat ik het zo zeggen: de hoofdstukken met naar mijn indruk de meeste overtuigingskracht (die van Gert Kwakkel, Mart-Jan Paul en Wim van Vlastuin) sluiten het meest aan bij wat ik er zelf over denk. Veel andere hoofdstukken laten bij mij vooral de indruk achter met heel veel (mooie) woorden iets recht te willen praten dat krom is. De evolutiewetenschap zit niet te wachten op ‘goddelijk gestuurde’ mutaties en dergelijke niet-wetenschappelijke suggesties, de gelovige uiteindelijk niet op een ‘goddeloze’ ontstaanstheorie. En daarmee moet ik concluderen dat, hoe fraai de poging ook is, het ook in dit boek niet gelukt is de evolutietheorie te rijmen met de Bijbel. Was er wél overtuigend succes geboekt, dan zou dat reden kunnen geven mijn standpunten te herzien. Op zich genomen is daar natuurlijk principieel geen belemmering voor. Het feit dat de argumenten hiervoor echter dermate vergezocht zijn dat ze niet overtuigen, bereikt echter het tegenovergestelde effect. Het is zoals het is.

Voetnoten

  1. https://logos.nl/wat-de-nijmeegse-vierdaagse-met-macro-en-micro-evolutie-te-maken-heeft/
  2. https://biblescienceforum.com/2015/01/26/supernova-remnants-and-the-age-of-the-universe/
  3. https://biblescienceforum.com/2019/06/01/questions-on-the-conventionality-thesis-and-the-one-way-speed-of-light/
  4. https://logos.nl/accelerator-mass-spectrometer-ams/
  5. https://creation.com/tree-ring-dating-dendrochronology
  6. https://logos.nl/bewijst-vitamine-c-pseudogen-gemeenschappelijke-afstamming/
  7. https://logos.nl/vitamine-c-litteken-van-evolutie-gulo-glo-gen/
  8. https://answersingenesis.org/genetics/human-gulo-pseudogene-evidence-evolutionary-discontinuity-and-genetic-entropy/
  9. https://logos.nl/tiktaalik-de-vis-die-liep/
  10. https://creation.com/tiktaalik-a-fishy-qmissing-linkq-dutch-ontbrekende-schakel-van-vis-naar-reptiel
  11. https://creation.com/tiktaalik-finished
  12. https://creation.com/tiktaalik-pelvis
  13. https://answersingenesis.org/media/audio/answers-with-ken-ham/volume-115/how-did-kangaroos-get-to-australia/
  14. https://creation.com/images/pdfs/tj/j30_2/j30_2_54-59.pdf
  15. Augustine, The City of God, vertaald door G.G. Walsh en G. Monahan (1952), Boek 12, Hoofdstuk 11, 263. Washington, D.C., VS: Catholic University of America Press
  16. https://creation.com/media-center/youtube/what-did-the-church-fathers-believe-about-genesis-creation-magazine-live-3-11
  17. https://nl.wikipedia.org/wiki/Philo_van_Alexandrië#De_Tenach
  18. https://creation.com/media-center/youtube/what-did-the-church-fathers-believe-about-genesis-creation-magazine-live-3-11
  19. https://nl.wikipedia.org/wiki/Chiasme
  20. Sarfati, J.D., The Genesis Account (2015), 15. Powder Springs, Georgia, VS: Creation Bookpublishers
  21. https://creation.com/images/pdfs/tj/j21_3/j21_3_93-101.pdf
  22. https://biblicalstudies.org.uk/pdf/eq/1974-2_081.pdf
  23. https://biblicalstudies.org.uk/pdf/eq/1974-2_081.pdf
  24. https://creation.com/was-christianity-plagiarized-from-pagan-myths
  25. Sarfati, J.D., The Genesis Account (2015), 15. Powder Springs, Georgia, VS: Creation Bookpublishers
  26. https://answersingenesis.org/hermeneutics/defending-history-temporal-reasoning-genesis-2738/
  27. https://biblescienceforum.com/2018/01/12/let-there-be-light/
  28. http://www.setterfield.org/Genesis_1-11/part_3_creation_week.html#light
  29. https://nl.wikipedia.org/wiki/Dag
  30. http://www.setterfield.org/Genesis_1-11/part_3_creation_week.html#earth
  31. Darwin, C., Het ontstaan van soorten door natuurlijke selectie ofwel het bewaard blijven van rassen die in het voordeel zijn in de strijd om het bestaan (tiende druk 2017), 526, Amsterdam: Olympus
  32. Futuyma, D. en M. Kirkpatrick, Evolution (2018), vierde editie. New York: Oxford University Press, p. 88
  33. Futuyma, D. en M. Kirkpatrick, Evolution (2018), vierde editie. New York: Oxford University Press, p. 95
  34. Futuyma, D. en M. Kirkpatrick, Evolution (2018), vierde editie. New York: Oxford University Press, p. 95
  35. https://nl.wikipedia.org/wiki/Menselijke_hersenen
  36. https://www.advancedsciencenews.com/that-junk-dna-is-full-of-information/
  37. https://www.youtube.com/watch?v=TiaQG0UZPAU&list=LLaXIlQ22zHiZ69_A0Un1s6g&index=18&t=3s
  38. Behe, M.J., Darwin Devolves. The New Science About DNA That Challenges Evolution (2019), New York, NY: HarperCollins Publishers
  39. https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC3135751/
  40. https://science.sciencemag.org/content/341/6152/1344.1
  41. Van den Brink, 2017
  42. https://dissentfromdarwin.org
  43. https://www.thethirdwayofevolution.com
  44. https://en.wikipedia.org/wiki/Natural_genetic_engineering
  45. https://en.wikiquote.org/wiki/Richard_Lewontin

LEUK ARTIKEL?
Bent u blij met dit artikel? Het onderhoud en de ontwikkeling van deze website vragen financiële offers. Zou u ons willen steunen met een maandelijkse bijdrage? Dat kan door ons donatieformulier in te vullen of een bijdrage over te schrijven naar NL53 INGB000 7655373 t.n.v. Logos Instituut. Logos Instituut is een ANBI-stichting en dat wil zeggen dat uw gift fiscaal aftrekbaar is.

Written by

Een bijeneter met prooi, daaronder de titel En God zag dat het goed was. Een suggestief geheel dat weinig goeds belooft. Het is de cover van het recent verschenen boek met deze titel. Onder redactie van William den Boer, René Fransen en Rik Peels buigen vierentwintig scribenten zich daarin over ’25 cruciale vragen’ over christelijk geloof en evolutie.

...
Read more

1 Comment

Comments are closed.