In de Paaskrant 2019 van Het Belang van Limburg, van Het Nieuwsblad en mogelijk ook in andere Vlaamse kranten verscheen een uitvoerig artikel met stellingen waarin de belangrijkste punten van het christendom ondergraven werden. Deze stellingen waren een samenvatting van een boek van Willy van Peer, Niet te geloven, De werkelijkheid achter het Nieuwe Testament, Antwerpen 2019. Inmiddels is ook op de radio aandacht aan het boek gegeven. Zulk een werk verdient een recensie op de website van Logos Instituut.

In een eerste artikel (https://logos.nl/een-boek-op-basis-van-geloof-in-de-wetenschap-deel-1/) behandelden wij twee basisstellingen:
° In de wetenschap wordt geen rekening gehouden met bovennatuurlijke verklaringen
° De nieuwtestamentische teksten zijn niet door ooggetuigen of tijdgenoten geschreven.

We gaan nu verder.
Door heel het boek heen wordt moeite gedaan om aan te tonen, dat wat in het Nieuwe Testament staat, ofwel niet kan gebeurd zijn, ofwel in tegenstrijdige berichten wordt overgeleverd. Het is uiteraard onmogelijk om alle punten te behandelen. Dat zou een boek vergen van de dubbele omvang van dat van Van Peer: eerst uiteenzetten wat er beweerd wordt en dan dat weerleggen. Ik moet mij dus beperken tot een aantal onderwerpen, waarbij ik zeker de onderwerpen behandel die in de media benadrukt zijn.

Enkele kleine fouten wil ik eerst hieronder noemen.

De naamsverandering van Saulus naar Paulus zou na de bekering in Damascus plaatsgevonden hebben (p. 216). In de Handelingen (13: 9) volgt de wisseling echter eerst, als Paulus op Cyprus is.

Herodes Antipas zou de hand gehad hebben in de kindermoord van Bethlehem (p 129). Het was echter Herodes de Grote die stierf in 4 v.Chr.

De eerste christenvervolging zou die onder keizer Decius in de 3e eeuw geweest zijn (p. 197). En Nero? En de verbanning van Johannes naar Patmos onder Domitianus? Dan is er nog de correspondentie van rond het jaar 112 tussen Plinius en Trajanus (Plinius’ Brieven X 96-7). Daar vraagt Plinius als provinciegouverneur raad aan de keizer. Hij moet een christenvervolging houden, maar ziet geen kwaad in wat de christenen doen. Trajanus antwoordt, dat hij moet vervolgen, als christenen worden aangegeven, maar ze niet zelf moet opsporen – een dubbelzinnige houding. Plinius en Trajanus zijn geen christenen en zouden dus door Van Peer vertrouwd moeten worden. Zie het gedeelte “Welke schrijvers zijn betrouwbaar?” hieronder.

De Hebreeuwse teksten (bijvoorbeeld op p. 85) zijn gedrukt van links naar rechts in plaats van van rechts naar links.

Op p. 196 wordt gezegd, dat het Nieuwe Testament eerst dateert van het Concilie van Trente (1545-1563). Juist ervoor worden enkele oude canonlijsten genoemd, waaronder die van Athanasius uit 367, waarin onze 27 boeken voor het eerst allemaal expliciet genoemd zijn. Het feit, dat niet met zoveel woorden gezegd wordt, dat die lijst bindend was voor alle christenen, is kennelijk voldoende om het Nieuwe Testament tot een zaak van de 16e eeuw te maken. De praktijk van de christenen tussen Athanasius en Trente zegt dus niets – wel het kerkgezag, dat Van Peer verder verfoeit.

Het vroegchristelijke geschrift heet Didachè of eventueel Didache – niet Diadiche (p. 126).

Is het christendom alleen gebaseerd op het Nieuwe Testament?

Ernstiger is het dat beweerd wordt, dat het christendom eigenlijk alleen gebaseerd op het Nieuwe Testament (p. 238). Het gebruik van het Oude Testament in het Nieuwe Testament en bij de tweede generatie christenen leert duidelijk anders. In de meeste vertalingen van het Nieuwe Testament zijn de gebruikte teksten uit het Oude Testament aangegeven. Ik geef als voorbeeld van de tweede categorie de citaten of toespelingen op het Oude Testament in de brief aan de Corinthiërs, die Clemens, die tussen 96 en 98 episkopos (opziener, bisschop?) in Rome was, namens de plaatselijke kerk van Rome schreef (1):

Genesis 21x
Exodus 7x
Numeri 8x
Deuteronomium 10x
Jozua 2x
1 Samuel 4x
1 Koningen 2x
2 Koningen 2x
2 Kronieken 3x
Tobias 1x
Judith 2x
Esther 2x
Job 10x
Psalmen 49x
Spreuken 8x
Wijsheid 7x
Sirach 4x
Jesaja 19x
Jeremia 3x
Ezechiel 6x
Daniel 4x
Amos 2x
Joel 1x
Jona 1x,
Maleachi 1x
2 Maccabeeen 1x

Welke schrijvers zijn betrouwbaar?


Het boek noemt uit het Nieuwe Testament alleen historisch wat ook gevonden bij Griekse of Romeinse schrijvers. Jezus heeft dus geleefd en Hij is terechtgesteld. Daarover schreven niet-christelijke schrijvers. Voor de rest weten we zogezegd niets zeker over Jezus.

De Romein Livius wordt op school gelezen in de Latijnse les. Een favoriete passage is die waarin Hannibals tocht met olifanten over de Alpen wordt beschreven. In de Franse en Italiaanse Alpen is echter nooit een overblijfsel gevonden van de passage van Hannibals leger. De dorpshistorici in alle dalen in de Franse Alpen die eventueel in aanmerking komen voor de passage van dit leger, proberen wel te bewijzen, dat Hannibal nu juist door hun dorp is getrokken. Niemand vraagt zich af, of die tocht van Hannibal misschien niet-historisch is. Voor Hannibals tocht is kennelijk geen bevestiging nodig.

Wat is het verschil? Livius was geen Joodse of christelijke gelovige. Hij heeft daardoor kennelijk geen bevestiging nodig. De Bijbel wel. Althans zo redeneren veel ongelovige onderzoekers. Is dat een gezond uitgangspunt? Nee. De Egyptenaren, Soemeriërs, Babyloniërs, Assyriërs, Hittieten, Feniciërs, Grieken en Romeinen hadden ook een geloof of zij hadden een filosofische levensopvatting die in onze tijd niet meer gebruikelijk is. Waarom zouden mensen met die visies betrouwbaarder zijn dan een Joodse of christelijke gelovige?

Het is tegenover geschiedschrijving die zich als serieus aandient, veel eerlijker de mededelingen te vertrouwen, totdat blijkt, dat ze niet waar zijn. Ook geschriften moeten gelden als afkomstig van de schrijver wiens naam erboven staat, totdat bewezen is, dat hij de schrijver niet kan zijn. Zo leerde ik het op de universiteit. Dat ongelovigen schrijven, dat de Bijbel door buitenbijbelse teksten of door archeologische vondsten bevestigd wordt, is dus methodisch gezien merkwaardig.

Rond de volkstelling

We moeten hier ingaan op verscheidene punten rond de volkstelling die Jozef en Maria naar Bethlehem bracht.

Het lijkt vreemd, dat Jozef met Maria van Nazareth naar Bethlehem moest gaan (p. 55). Zulk een volkstelling was echter mede (?) bedoeld om belasting te heffen op het bezit van onroerend goed. De Joden kenden sinds de tijd van Jozua het systeem van erfdelen. Iedere familie had toen grond gekregen die bij de familie moest blijven. Omdat Jozef van koning David afstamde (2), lag zijn erfdeel in Bethlehem en er moest dus daar aangifte gedaan worden. Zulke aangiftes zijn op papyrus bewaard gebleven (3).
Hoe lang Jozef en Maria in Bethlehem verbleven hebben, is niet vermeld. Het is dus niet noodzakelijk zo, dat Maria hoogzwanger de reis van Nazareth naar Bethlehem heeft ondernomen.

Van Peer schrijft, dat de Romeinen een goede administratie hadden (p. 56). Dat is juist. Hij koppelt daaraan, dat alle decreten van Augustus overgeleverd zijn. Het decreet voor de volkstelling is ons van buiten de Bijbel niet bekend. Dus vindt Van Peer, dat dit decreet er nooit geweest is.
Nu is het beslist niet waar, dat alle decreten van Augustus overgeleverd zijn – helaas ! Ik heb voor mij liggen een boek van V. Ehrenberg en A. H. M. Jones met de titel Documents illustrating the Reigns of Augustus & Tiberius (4). Dat bevat niet-litteraire documenten over de regeringen van Augustus en Tiberius: teksten op papyri, inscripties in steen, munten etc. Het geeft onder andere de tekst van verscheidene decreten die gevonden zijn in verschillende steden van het rijk. Dat die decreten in dit boek opgenomen zijn, komt alleen maar doordat ze in de geschiedschrijving niet vermeld worden. In het boek staat ook de tekst van de Res Gestae Divi Augusti, een tekst in steen die de prestaties van Augustus vermeldt. Dit document telt 15 zeer ruim gedrukte pagina’s in genoemd boek. Deze tekst kan onmogelijk een verwijzing naar alle decreten van Augustus uit zijn keizerschap van 40 jaar bevat hebben.
Conclusie: als een decreet niet vermeld wordt buiten het Nieuwe Testament, betekent dat zeker niet, dat het nooit bestaan heeft.

Quirinius is in verband met de volkstelling een probleem. Zijn aanwezigheid in Syrië en omgeving wordt elders niet vermeld in de tijd waarin Jezus geboren werd. Josephus stelt hem daar later. De vraag is, of Josephus altijd exact was. Emilio Gabba gaf een boek uit met niet-litteraire Griekse en Romeinse teksten die verband houden met gebeurtenissen uit de Bijbel. Hij besluit zijn bespreking over Quirinius en de volkstelling met de opmerking, dat het beter lijkt om als conclusie te stellen, dat de kwestie niet duidelijk is (5).

Over het astronomisch verschijnsel dat de “ster” van Bethlehem vormt, is al veel geschreven. Overtuigend is m.i. een recente studie van Mark Kidger, een astronoom die werkzaam is (was?) op Tenerife. We gaan hier af op een Engels artikel en een reeks Spaanse artikelen die te raadplegen waren op internet (6).

Kidger noemt volgende verschijnselen:
In 7 voor Christus drie conjuncties van Jupiter en Mars.
In 6 voor Christus de verdwijning en het herverschijnen van Jupiter.
In 5 voor Christus een nova (een onverwacht verschijnende zeer heldere “ster”).
Dit laatste fenomeen wordt overgeleverd door antieke Chinese en Koreaanse sterrenkundigen. De nova verscheen eind maart en zou minstens 70 dagen te zien zijn geweest.
De verschijnselen van 7 en 6 zouden gezien zijn als voorteken over de geboorte van een koning, terwijl de nova duidelijk maakte, dat er toch wel een zeer belangrijke koning geboren was. De verbinding met de Joden moeten de astronomen-astrologen geconcludeerd hebben uit de plaats waar de verschijnselen zich voordeden aan de hemel.
De nova verscheen aanvankelijk bij het opgaan van de zon. We lezen namelijk in het relaas dat de “wijzen” aan Herodes deden: We hebben zijn ster gezien ἐν τῇ ἀνατολῇ (en tèi anatolèi). Mattheüs 2: 2
In de vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap uit 1951 zijn de aangehaalde Griekse woorden vertaald met “in het Oosten”. Dit is op zich mogelijk, maar in vers 1 had Mattheüs voor “het Oosten” een ietwat andere term gebruikt: ἀπὸ ἀνατολῶν (apo anatoloon), meervoud dus). Kidger kiest mijns inziens terecht voor het meer gebruikelijke en meer voor de hand liggende “bij de opgang”.
Merkwaardig is, dat ruim twee maanden later de nova door de verplaatsing van de aarde die inmiddels plaatsgevonden had, in het zuiden te zien moet zijn geweest. Wie van Jeruzalem naar het zuiden reist, komt in Bethlehem. Zo wees de ster de “wijzen” de weg.
Van Peer verwijst naar een andere vermelding van dit verschijnsel (p. 59), maar daar heet het verschijnsel een supernova. Een supernova, iets zeer spectaculairs, zou volgens Van Peer zeker vaker vermeld zijn geweest. Op de website van Logos Instituut is een artikel te vinden van Pieter Lalleman, die voortgaat op een studie over hetzelfde verschijnsel, maar daar zou het een komeet betreffen: https://logos.nl/de-geboortedatum-van-jezus/

Conclusie: de Chinese en Koreaanse teksten zijn niet duidelijk over het exacte karakter van het verschijnsel, maar maken wel duidelijk, dat er in de betreffende tijd iets speciaals zichtbaar was. Romeinen vermelden bovendien bijzondere verschijnselen alleen in de geschiedschrijving, als zij die als voorteken konden koppelen aan een speciale gebeurtenis. Er zijn geen doorlopende lijsten van astronomische waarnemingen van de Romeinen bewaard gebleven.
Verdere gegevens over de chronologie rond Jezus’ geboorte zijn te vinden in mijn boek Gods handelen ontdekken, internetuitgave bij Seismos Press 2012, p. 129 vv.

Profetieën in de verleden tijd

In het boek wordt beweerd, dat heel wat oudtestamentische profetieën geen betrekking hebben op toekomstige dingen, maar op wat voor de profeet al verleden tijd was (p. 92). Ze staan toch in de verleden tijd? Daaronder vallen (uiteraard) vooral de Messiaanse profetieën zoals die van de Knecht van de Heer in Jesaja.
Nu is het vreemd gesteld met de tijden van het werkwoord in het Hebreeuws. Eigenlijk zijn er geen tijden. Wat je tijden zou kunnen noemen, is iets heel anders. Het best is dat uit te leggen met het Engels. He went is iets anders dan he was going. He went rapporteert alleen maar een gebeurtenis: hij ging toen-en-toen. He was going legt de nadruk op iets wat gaande was, iets waarvan de spreker wil uitdrukken dat het een tijdje duurde: hij was aan het gaan. De “tijden” in het Hebreeuws drukken iets dergelijks uit, maar zonder te zeggen, of het over het heden, het verleden of de toekomst gaat. Dat betekent, dat je bij het vertalen je telkens moet afvragen, welke tijd je in het Nederlands moet gebruiken. Meestal is dat uit het verband wel duidelijk.

Merkwaardig is echter, dat profetieën vanuit het Hebreeuws traditioneel in de verleden tijd vertaald worden, omdat de “tijd” waarin ze in het Hebreeuws staan, standaard gebruikt wordt voor gebeurtenissen uit het verleden (van het type he went). Ook de Joodse theologie, die wij kennen uit de Talmoed, beschouwt die profetieën die wij in de verleden tijd kennen, wel degelijk als voorspellingen voor de toekomst.
Voor een goede behandeling van vervulde voorspellingen uit het Oude Testament verwijs ik naar Josh McDowell, Evidence that demands a Verdict, hoofdstuk 9 en 11. Verkorte versies van dit boek zijn ook in het Nederlands verschenen. Zoek op de naam van de auteur.
Zelfs als maar 30% van de door McDowell gesignaleerde vervulde voorspellingen juist is, hebben wij te doen met een uiterst onwaarschijnlijk fenomeen – een fenomeen dat alleen te danken kan zijn aan bovennatuurlijke invloed op het Oude Testament.

De overspelige vrouw

In het evangelie van Johannes (7: 53 – 8: 11) vinden we een bekend verhaal over een overspelige vrouw die bij Jezus wordt gebracht, terwijl degenen die haar brachten, vragen, dat zij gestenigd wordt. Jezus gaat niet op die vraag in en uiteindelijk druipen de personen af die de vraag stelden.
Het bijzondere aan dit verslag is, dat sommige vertalingen (zoals die van het Nederlands Bijbelgenootschap uit 1951) het tussen [ ] plaatsen of (zoals de Willibrordvertaling in een voetnoot) twijfel uiten over de vraag, of Johannes dit wel geschreven heeft. Normaal staan ook in gangbare uitgaven van het Griekse Nieuwe Testament passages tussen [ ] om aan te duiden, dat de uitgever(s) twijfelen over de vraag, of het gedeelte wel oorspronkelijk is. Met andere woorden het kan gezaghebbend zijn, maar ook niet. In het geval van de geschiedenis van de overspelige vrouw schrijft Bruce Metzger, namens the Editorial Committee of the United Bible Societies’ Greek New Testament (7)

Although the Committee was unanimous that the pericope was originally no part of he Fourth Gospel, in deference to the evident antiquity of the passage a majority decided to print it within double square brackets, at its traditional place following Jn 7: 52.

Andere vertalingen (zoals de Herziene Statenvertaling) doen alsof er niets aan de hand is. Achter de verschillende behandeling van onze passage staat een visie. De eerste groep zegt, dat de Bijbeltekst evenals alle andere geschriften uit de tijd voordat men kon drukken, gebaseerd zijn op middeleeuwse handschriften die verschillen vertonen en waarvan de verschillen dus beoordeeld moeten worden. Oude handschriften die eerst laat (vanaf de 19e eeuw) zijn opgedoken, kunnen de oorspronkelijke versie bevatten. De tweede groep betrekt de Bijbelse verzekering, dat God zijn woord bewaart, ook op de overlevering via de handschriften. Zoals de Bijbeltekst door de eeuwen heen gedrukt en vertaald is (men bedoelt dan vooral in de King James Version of de Statenvertaling), moet dus juist zijn.
De visie van Van Peer, dat de geschiedenis van de overspelige vrouw niet van Johannes stamt, wordt dus door een deel van de gelovigen gedeeld.

Intussen heeft ook Papias, die we al in ons eerste deel van de recensie ontmoetten, waarschijnlijk iets over de passage te zeggen. Eusebius rapporteert

En hij beschrijft ook een andere geschiedenis, over een vrouw met veel zonden, die bij de Heer beschuldigd wordt, welke (geschiedenis) het Evangelie volgens de Hebreeën bevat. Eusebius, Kerkgeschiedenis III 39

Het apocriefe Evangelie volgens de Hebreeën bevatte dus vermoedelijk onze geschiedenis. Het zou te toevallig zijn, dat er twee geschiedenissen over een beschuldigde vrouw bestaan zouden hebben, die beide op de rand stonden van tot het Nieuwe Testament te behoren. 100% zekerheid is er uiteraard niet.
Wie nieuwsgierig is naar wat Jezus in de grond schreef, zij verwezen naar hoofdstuk 3 van mijn studie https://www.academia.edu/34528160/OT_in_NT_Een_hermeneutisch-exegetische_studie_over_aanhalingen_uit_en_toespelingen_op_het_Oude_Testament_in_het_Nieuwe_Testament

Als de geschiedenis later in het Evangelie van Johannes is terecht gekomen, behoeft dat, gezien de tijd waarin Papias leefde, nog niet veel later (p. 101) te zijn.

Jezus’ broers

Een ander punt dat volgens een deel van de christenen in de lijn van Van Peer (p. 54) wordt beoordeeld, is dat betreffende de personen die in het Nieuwe Testament broers van Jezus heten. Van Peer brengt het duidelijk in verbinding met katholieke dogma’s, maar in de verslaggeving in de kranten maakt men geen onderscheid tussen de katholieke visie en die van anderen.

Damascus

Paulus, een privé-persoon, gaat op verzoek van een godsdienstige leider uit Jeruzalem naar een stad die niet tot het Joodse gebied behoort, om bewoners van die stad van hun vrijheid te beroven en gevankelijk naar Jeruzalem te voeren om hun een zware straf te laten ondergaan.
Welke bevoegdheid heeft de hogepriester of Paulus daarvoor? Zulk een vraag stelt Van Peer ook (p. 215). Ik vat hier samen wat ik lang geleden schreef: https://www.academia.edu/32052580/Paulus_bevoegdheid_in_Damascus

Voor het antwoord op de vraag naar Paulus’ bevoegdheid moeten we in de geschiedenis terug. De boeken over de Maccabeeën vertellen over de problemen die de Joden in de tweede eeuw voor Christus hadden met de (Griekse) koningen van Groot-Syrië. Op zeker moment beseffen de Joden, dat Rome een wereldmacht aan het worden is, die enkele malen vijandig had gestaan tegenover Grieken. Ze sluiten daarop een verbond met Rome:

Hier volgt een afschrift van de brief, die ze [de Romeinen, A.D.] op bronzen platen lieten graveren en naar Jeruzalem stuurden als een gedenkteken van de vriendschapsbetrekkingen en het bondgenootschap:
‘Heil aan de Romeinen en het volk van de Judeeërs te land en ter zee in eeuwigheid! Mogen zwaard en vijand ver van hen blijven! Als Rome of één
van zijn bondgenoten, waar ook binnen zijn machtssfeer, het eerst in oorlog
geraakt, dan zal de natie van de Judeeërs naarmate de omstandigheden het
van hen eisen, vastbesloten aan de zijde van Rome strijden. Aan de vijanden
zal het geen voedsel, wapens, geld of schepen geven of ter beschikking
stellen. Aldus heeft Rome besloten. Het zal zijn verplichtingen nakomen
zonder tegenprestatie. Van hun kant zullen de Romeinen, als het volk van de Judeeërs het eerst in oorlog geraakt, bereidwillig aan hun zijde strijden naarmate de omstandigheden dat van hen eisen. Aan de vijanden zullen zij geen voedsel, wapens, geld of schepen verstrekken. Aldus heeft Rome besloten. Zij zullen deze verplichting zonder bedrog nakomen. Volgens deze termen hebben de Romeinen met het volk van de Judeeërs een verbond gesloten. Zou in de toekomst één van beide partijen iets willen toevoegen of weglaten, dan zal, als het met goedvinden van de andere partij geschiedt, de toevoeging of de weglating van kracht worden. Wij hebben koning Demetrius [van Groot-Syrië, A.D.], naar aanleiding van het onrecht dat hij de Judeeërs aandoet, het volgende geschreven: “Waarom legt u de Joden, die onze vrienden en bondgenoten zijn, zo’n zwaar juk op? Als zij opnieuw klachten tegen u inbrengen, zullen wij hun recht doen en u te land en ter zee bestrijden.”’ 1 Maccabeeën 8: 22-32, Willibrordvertaling

Later, als Simon de nieuwe hogepriester is geworden, stuurt men Numenius naar Rome om dit vriendschapsverbond te vernieuwen. Als geschenk neemt hij een groot gouden schild mee. Het is interessant de nieuwe bepalingen te lezen.

Intussen kwam Numenius met zijn gezellen uit Rome terug met brieven voor de koningen en de staten, met de volgende inhoud: ‘Lucius, Romeins consul, aan koning Ptolemeüs. Heil! De gezanten van de Judeeërs zijn naar ons toe gekomen als vrienden en bondgenoten om de vroegere vriendschapsbetrekkingen en het bondgenootschap te vernieuwen. Ze waren gezonden door de hogepriester Simon en door het Joodse volk, en brachten een gouden schild mee ter waarde van duizend minen. Wij hebben daarom besloten de koningen en de staten te schrijven dat zij hun geen schade mogen berokkenen, hen niet mogen aanvallen, hun steden noch hun grondgebied, en geen hulp mogen verlenen aan degenen die oorlog tegen hen voeren. Wij hebben besloten het schild van hen in ontvangst te nemen. Mochten boosdoeners uit hun land naar u gevlucht zijn, lever ze dan uit aan de hogepriester Simon, zodat hij ze volgens hun leer bestraffen kan.’ Hetzelfde had de consul geschreven aan koning Demetrius, Attalus, Ariarates en Arsakes, evenals aan alle staten: aan Sampsane, Sparta, Delos, Myndus, Sikyon, Karië, Samos, Pamfylië, Lycië, Halikarnassus, Rodos, Faselis, Kos, Side, Aradus, Gortyna, Knidus, Cyprus en Cyrene. Van die brieven werd een afschrift gestuurd naar de hogepriester Simon. 1 Maccabeeën 15: 15-24, Willibrordvertaling

In Paulus’ tijd hadden de Romeinen de macht in het land van de Joden. Nu waren Romeinen uiterst juridisch ingesteld en respecteerden ze kennelijk ook de bepalingen van de beschreven oude bondgenootschappen. Met name de volgende bepaling is interessant voor de hogepriester in zijn strijd tegen de christenen:

Mochten boosdoeners uit hun land naar u gevlucht zijn, lever ze dan uit aan de hogepriester Simon, zodat hij ze volgens hun leer bestraffen kan.

Op grond van deze zin kon de hogepriester uit Päulus’ tijd als rechtsopvolger van Simon aan Paulus vragen om naar Damascus te gaan om uit Israël “gevluchte” christenen als boosdoeners naar Jeruzalem te halen om hen vervolgens te bestraffen.
Damascus had vroeger tot het gebied van koning Demetrius behoord!

Na Paulus’ bekering waren de Joden niet meer zo enthousiast over Paulus. Vandaar, dat zij hem poogden te vermoorden. Ze hielden zelfs de poorten in de gaten. Het Griekse woord dat in het betreffende vers vaak in de standaardvertaling met “bewaken” wordt vertaald, kan ook heel goed “in de gaten houden” betekenen. Joden konden inderdaad de poorten niet bewaken. De overheid zal die gespannen situatie ook niet op prijs gesteld hebben. Daarom zullen ook zij het op Paulus gemunt hebben. Vergelijk Handelingen 9: 24-25 en 2 Corinthiërs 11: 32 v. Er is geen tegenstelling tussen die teksten.

Erasmus

Erasmus is bekend door het feit, dat hij de eerste was die het Griekse Nieuwe Testament heeft laten drukken. De eerste inderdaad – er was een race bezig in die tijd. Ook kardinaal Ximenes wilde de eerste zijn. Erasmus stond dus onder tijdsdruk. Hij moest zich voor de uitgave baseren op geschreven teksten. Over de overlevering van teksten voor de uitvinding van het drukken handelt in mijn studie https://www.academia.edu/39060623/Citeert_het_Nieuwe_Testament_het_Oude_Testament_verkeerd p3 v.
Erasmus baseerde zich op handschriften die bereikbaar waren in Bazel, waar hij verbleef. Dat waren betrekkelijk late handschriften, beperkt in aantal. In Engeland had hij ook nog handschriften gezien en notities gemaakt. Voor de Openbaring had hij maar één handschrift ter beschikking. Daarvan ontbrak echter het laatste blad, waarop de laatste 6 verzen van Openbaring hadden gestaan. Erasmus vertaalde daarom de Latijnse tekst uit de Vulgata terug naar het Grieks om toch iets te hebben en de eerste te kunnen zijn en dat leverde uiteraard niet volledig op wat Johannes geschreven had .

Van Peer (p. 96) laat echter uitschijnen, dat Erasmus hele stukken en dus niet slechts 6 verzen uit het Latijn terugvertaald had en hij gebruikt dat onjuiste gegeven om vertaalwerk op basis van Erasmus’ Griekse Nieuwe Testament als onbetrouwbaar voor te stellen. Jezus sprak Aramees. Dat werd in de evangeliën in het Grieks vertaald. Dat in het Latijn. Dan weer naar het Grieks door Erasmus. Tenslotte door Tyndale naar het Engels. In werkelijkheid kun je twee stappen uitschakelen behalve voor die 6 laatste verzen van het Nieuwe Testament – en dan nog alleen zolang als er geen editie van het Griekse Nieuwe Testament verschenen was waarin een volledig handschrift van de Openbaring was gebruikt.

Op een andere pagina (p. 32) beschrijft het boek echter Erasmus als de grondlegger van de tekstkritiek. Wat is tekstkritiek?
Er zijn verschillen tussen de teksten van verschillende handschriften. Kiezen, wat de auteur oorspronkelijk heeft geschreven, is meer een kunst dan alleen maar het toepassen van strenge regels – al zijn er natuurlijk wel regels. Die regels geven echter meestal niet volledig uitsluitsel.
Dit vaststellen van de tekst van een oud geschrift heet tekstkritiek. Dit is iets heel anders dan Bijbelkritiek. Bijbelkritiek is het afwijzen van delen van de inhoud van de Bijbel. Kritiek kan namelijk twee dingen betekenen:
° iets bekritiseren. Dat gebeurt in de Bijbelkritiek, die wij overigens verwerpen.
° iets onderscheiden of beoordelen. Dat gebeurt in de tekstkritiek. Daar wordt onderscheiden en beoordeeld, wat de waarde is van de verschillen in de handschriften.
Was Erasmus de grondlegger van de tekstkritiek? Zeker niet. In de eeuwen na Alexander de Grote bestond de beroemde bibliotheek in Alexandrië. Daar werd onder andere tekstkritiek bedreven met de werken van Homerus, de Griekse tragedieschrijvers en komedieschrijvers. De naam Aristarchus moet hier volstaan (8).
Het Nieuwe Testament werd al tekstkritisch behandeld in de eerste eeuwen. Hieronymus heeft het in zijn commentaren op Bijbelboeken herhaaldelijk over verschillen tussen handschriften. Ook in edities van het Griekse Nieuwe Testament vinden we aangeduid, dat volgens bepaalde kerkvaders verschillen bestonden in de tekst tussen verschillende handschriften. Zowel voor die kerkvaders als voor Erasmus was het aantal beschikbare handschriften beperkt. Waarin is Erasmus dan uniek? Alleen in het feit, dat zijn werk onmiddellijk gedrukt is en dat van die kerkvaders niet.

Tegenstrijdige mededelingen

Van Peer (p. 31) verbaast zich erover, dat de Bijbel enerzijds verklaart, dat wie de naam van de Heer aanroept, behouden zal worden (Romeinen 10: 13, Handelingen 2: 21), terwijl Jezus aan de andere kant zegt, dat niet ieder die Hem Heer noemt, het Koninkrijk zal binnengaan (Mattheüs 7: 21).

Over dergelijke gevallen heb ik gehandeld in een artikel: https://www.academia.edu/38322179/Regel_en_uitzondering_in_de_Bijbeluitleg

Het blijkt daar, dat in heel wat gevallen op de ene plaats een algemene regel wordt gegeven, terwijl de andere plaats een uitzondering geeft. Paulus geeft wat bovenstaande kwestie betreft, in de Romeinenbrief duidelijk een algemene regel. Wanneer we de context van Jezus’ woorden bekijken, zien we, dat er huichelaars in het spel zijn. Jezus zegt dus, dat huichelaars niet kunnen rekenen op een toepassing van de algemene regel, dat je behouden wordt, als je de naam van de Heer aanroept. De naam van de Heer aanroepen is geen kwestie van magie !

Over verschillende gebieden van gelding gaat het ook inzake het gebod van naastenliefde tegenover de opdracht om de vijanden uit te roeien (p. 32). Privé geldt het gebod van naastenliefde, terwijl de overheid andere bevoegdheden heeft: verdediging van het grondgebied en justitie. Johannes de Doper raadt soldaten ook niet aan om het leger te verlaten. Hij zegt alleen, dat de soldaat zich correct moet gedragen:

Ook soldaten stelden hem de vraag: “En wij, wat moeten wij doen?”. Tegen hen zei Hij: “Pers niemand geld af, ook niet onder valse voorwendsels, maar wees tevreden met uw soldij”. Lucas 3: 14, Willibrordvertaling

God heeft zelf uiteraard de bevoegdheid om maatregelen te laten nemen tegenover zijn vijanden (9). Over de motivatie van de harde aanpak van de aanwezige bevolking bij de verovering van het Beloofde Land onder Jozua schrijft Siegbert Riecker (10) verstandige woorden. Het zou te ver voeren deze hier volledig te citeren .

In een derde en laatste artikel hoop ik nog een aantal punten te bespreken en een conclusie te schrijven.

1 Ik gebruik de index van de uitgave van de Apostolische vaders van F.X. Funk – K. Bihlmeyer – W. Schneemelcher, Die apostolischen Väter, I, Tübingen 1956

2 Mattheüs 1: 1 vv.

3 Bijvoorbeeld in A.S. Hunt – C.C. Edgar, Select Papyri, II Non-literary Papyri, Public Documents, Loeb Classical Library, London – Cambridge Mass. 1963, de nummers 312 en 313

4 V. Ehrenberg – A. H. M. Jones, Documents illustrating the Reigns of Augustus & Tiberius, Oxford 19552, p. 40

5 E. Gabba, Iscrizioni greche e latine per lo studio della Bibbia, Torino 1958, p. 60: “e sembra meglio concludere con un non liquet.”

6 Kidger heeft ook een boek geschreven The Star of Bethlehem, Princeton 1999, wat ik niet heb gezien.

7 B. M. Metzger, A textual Commentary on the Greek New Testament, zonder plaats van uitgave 1971, p. 221.

8 A. Lesky, Geschichte der griechischen Literatur, Bern – München 19632, p. 93 vv., geeft uitvoerige inlichtingen over de tekstkritiek van de Alexandrijnen in verband met Homerus.

9 Over Gods soevereiniteit handelt mijn artikel https://logos.nl/gods-soevereiniteit-voor-onze-tijdsgeest-onaanvaardbaar/

10 S. Riecker, De belofte van het zaad van de vrouw en de roeping van Abraham tot zegen voor alle volken, in H. Koorevaar – M.J. Paul (red.), Theologie van het Oude Testament, Zoetermeer 2013, p. 282v. Deze studie is ook te vinden op internet: https://www.academia.edu/2963973/De_belofte_van_het_zaad_van_de_vrouw_en_de_roeping_van_Abraham_to_zegen_voor_alle_volken_Gen_3_14-15_12_1-3_

LEUK ARTIKEL?
Bent u blij met dit artikel? Het onderhoud en de ontwikkeling van deze website vragen financiële offers. Zou u ons willen steunen met een maandelijkse bijdrage? Dat kan door ons donatieformulier in te vullen of een bijdrage over te schrijven naar NL53 INGB000 7655373 t.n.v. Logos Instituut. Logos Instituut is een ANBI-stichting en dat wil zeggen dat uw gift fiscaal aftrekbaar is.

Written by

Dr. A. Dirkzwager studeerde klassieke filologie aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. Het hoofdvak was Grieks, de bijvakken Oude Geschiedenis en Latijn. Van de Griekse en Latijnse teksten die hij te bestuderen had, stamde 40% van christelijke auteurs. Zijn doctoraatsthesis was een inhoudelijke commentaar op de beschrijving van de Romeinse provincie Gallia Narbonensis door de Griekse aardrijkskundige Strabo. De titel was 'Strabo über Gallia Narbonensis', uitgegeven door Brill, Leiden 1975. Hij was werkzaam als leraar in Nederland en Vlaanderen, later als onderwijsinspecteur. Ook gaf hij colleges exegese Nieuwe Testament en hermeneutiek aan de Evangelische Theologische Faculteit van Heverlee. De exegetische kolom van 1 Timotheus, 2 Timotheus, Filemon en Judas in de Studiebijbel van het Centrum voor Bijbelonderzoek is van zijn hand, na retouches door de redactie.

1 Comment

Comments are closed.