En God Zag dat het goed was. Het nieuwe boek over christelijk geloof en evolutie dat vorige week verscheen heeft als titel het welbekende oordeel dat de Schepper over de Schepping uitsprak. Wat Hij had geschapen was goed. Dat mogen we ook verwachten van God. Van mensen hoeven we dat niet perse te verwachten. We mogen het ten hoogste hopen. Het judicium „goed“ dat God aan Zijn Schepping toekende gaat niet op voor de appendix van dit boek, dat een kort overzicht biedt met de redenen voor de wetenschappelijke consensus rond de evolutietheorie en de ouderdom van het universum. Deze appendix, aangeleverd door dr. René Fransen, de bioloog die tevens fungeert als een van de drie editors van dit werk, staat helaas vol fouten en onjuistheden. Tevens is het opmerkelijk dat Fransen voorbeelden en verouderde interpretaties weergeeft, die puur atheïstisch-darwinistisch zijn, maar niet lang stand houden in het licht van de hedendaagse biologische kennis.

Kosmologische Tijd

Fransen begint zijn betoog met het gegeven dat binnen de natuurwetenschappen een zeer grote consensus bestaat over de realiteit van de miljarden jaren die de geschiedenis van de aarde en het universum kennen (p. 361). Een groot deel van zijn betoog gaat over tijd, over heel veel tijd. En dat is meteen zijn sterkste punt: kosmologische tijd. Hij noemt een ouderdom van 13,8 miljard jaren voor het universum. Als we ons aan de seculiere interpretaties van het universum houden dan hebben we hier inderdaad een probleem. Toch zijn er een aantal goede scheppingsmodellen voorgesteld, die verklaringen aanbieden hoe we een oud universum kunnen waarnemen, terwijl de aarde nog geen 10 duizend jaar oud is. We hoeven dan alleen aan te nemen dat het melkwegstelsel waarin we ons bevinden nabij het centrum van het universum staat. Het voert te ver om deze modellen, die sterk op Einsteins relativiteitstheorie leunen, te bespreken. We volstaan met een citaat van de vooraanstaande kosmoloog George F.R. Ellis: „Mensen moeten zich ervan bewust zijn dat er een reeks modellen bestaat die de [kosmologische] waarnemingen kunnen verklaren. Ik kan bijvoorbeeld een bolvormig en symmetrisch universum construeren met de aarde in het centrum, dusdanig dat niemand het kan weerleggen op basis van waarnemingen. Je kunt het alleen uitsluiten op filosofische gronden. Naar mijn mening is daar absoluut niets mis mee. Wat ik in de openbaarheid wil brengen is dat we filosofische criteria gebruiken bij het kiezen van ons [kosmologische] model.“

Wat we ons terdege bewust moeten zijn is dat veel kosmologische tijd niet vanzelfsprekend tot biologische evolutie voert. In Darwins dagen—tot voor kort nog—kon men geloven dat zeer eenvoudige, zich delende micro-organismen spontaan ontstaan, en als ze eenmaal waren ontstaan zich verder ontwikkelen tot hogere organismen. Tegenwoordig weten we dat simpele organismen niet bestaan. Zelfs de eenvoudigste delende cellen zijn extreem complex. Ze worden niet voortgebracht door enorm veel tijd. Alle organisme die we kennen baseren zich op informatie. Door het werk van informatiedeskundige Werner Gitt weten we, dat genetische informatie niet vanzelf ontstaat. En het werk van geneticus John Sanford toont dat informatie, als het eenmaal bestaat, zich alleen maar downhill kan ontwikkelen. Dat levende organismen vanzelf zouden kunnen ontstaan is een middeleeuws idee, dat nog stevig in het zadel zat ten tijde van Darwin, maar door de moderne wetenschap volledig wordt uitgesloten. De natuurwetten, de chemie, de fysica en de wiskunde sluiten het spontaan ontstaan van leven uit. Zonder een levend, zichzelf reproducerend organisme is evolutie onmogelijk. Als we het eenvoudigste micro-organisme, dat zich nog kan delen, nader beschouwen, dan blijkt dat het minimaal 473 genen nodig heeft [Hutschinson III, CA, 2016]. Heeft het maar eentje minder, dan is het dood. Deze 473 genen worden geschreven met een half miljoen DNA letters, waarvan het overgrote deel in precies de juiste volgorde moet voorkomen. Geen wonder dat het ontstaan van levende organismen niet door Fransen wordt behandeld. “Deep Time“, de miljarden jaren waar Fransen over schrijft helpen namelijk niet: Zelfs één enkel functioneel gen zal nooit vanzelf ontstaan. Genen kunnen niet zonder delende cellen bestaan, en delende cellen kunnen niet bestaan zonder genen.

Fransen impliceert evolutie als hij beweert dat de wetenschap de stamboom van de mens terug weet te voeren tot een eerste cel (p. 361). Een stamboom van de mens die 500 miljoen jaar terug gaat? Zulke stambomen bestaan niet. Wat Fransen hier bedoelt, is dat er een klein aantal genen universeel in alle organismen wordt aangetroffen. Met evolutie heeft dit echter niks te maken, wel met design. Het betreft hier genen die een functionele interactie met nucleotiden sequenties (RNA of DNA) aangaan. De biochemie legt hier functionele restricties aan, waardoor zulke genen in mens, dier en micro-organisme gelijkvormig zijn. Het probleem is hier dat verwantschap (d.w.z. gelijkvormigheid) door functionele restricties met afstamming wordt verward. Alle moderne vliegtuigen lijken op elkaar omdat het design ervan wordt bepaald door thermodynamische restricties. Alle r-RNA genen lijken op elkaar omdat ze allemaal op dezelfde manier functioneel betrokken zijn in de eiwitsynthese. Hun design wordt beperkt—en bepaald—door hun functie.

Daarna komt Fransen dichter bij huis: dendrochronologie (p. 363). Deze methode baseert zich op het tellen van boomjaarringen. Hij zegt dat wanneer je ruwweg 5730 boomjaarringen terug gaat je de helft van de hoeveelheid koolstof-14 (14C) meet dan de huidige (p. 364). En, aldus Fransen, de toepassing van deze verschillende methoden— de 14C methode en dendrochronologie—leiden tot hetzelfde resultaat. Omdat de nu levende bomen maximaal 4500 jaar oud zijn, baseert het grootste deel van de dendrochronologische reeksen—die zich soms tot 10 duizend jaar voor Christus uitstrekken—op gegevens van dode boomstammen [Kotulla 2019]. Van deze bomen weten we de ouderdom niet en we weten ook niet waar ze in de dendrochronologische reeksen zouden kunnen passen. Men probeert dit probleem te omzeilen door te kijken of de verschillende bomen een overlap hebben. De statistiek hiervan is niet erg betrouwbaar. Bovendien moeten deze bomen gedateerd worden om ze een plaats te kunnen geven. En dat wordt gedaan met, jawel, de 14C methode. We hebben hier dus helemaal niet met twee onafhankelijke methoden te maken. Uit de Egyptische archeologie weten we dat de 14C methode vanaf ongeveer 1800 voor Christus sterk begint af te wijken en oudere dateringen geeft dan de archeologen verwachten. Radiodateringen lijken dus niet absoluut betrouwbaar en wijken af naarmate de dateringen verder in het verleden liggen.

Dan komt de geologie aan bod (p. 365). Ook hier vinden we het gewone, mainstream actualistische model van de 19e eeuwse geologen. Het actualistische model, dat ervan uitgaat dat gesteenten werden gevormd door dezelfde processen die we tegenwoordig zien, wordt echter hand over hand vervangen door neocatastrofistische modellen, waarbinnen de afzettingen catastrofisch worden verklaard en er veel tijd zit tussen de afzettingen. De vooraanstaande geoloog Derek V. Ager formuleerde het zo: ‘een veel nauwkeuriger beeld van de stratigrafische data is dat van een lang hiaat met slechts zeer incidentele sedimentatie.’ De enorme tijdspannen moeten dus gepostuleerd worden, want ze zijn niet herkenbaar in de afzettingen. De ruimte ontbreekt om hier verder op in te gaan, maar de discrepantie staat bekend als ‘Sadler effect’.

Dan schrijft Fransen dat vermeende zondvloedsporen door ijstijden zijn achtergelaten (p. 366). Als Fransen zich had ingelezen in deze materie, dan had hij kunnen weten dat het vloedmodel, dat tegenwoordig door de meeste zondvloed-geologen wordt voorgestaan, juist een ijstijd voorspelt. Het „runaway subduction“ model van Baumgardner heeft opgewarmde oceanen tot gevolg met enorme neerslag in de vorm van sneeuw aan de polen. In tegenstelling tot de seculiere geologie heeft de zondvloedgeologie geen probleem met het ontstaan van poolijskappen en gletsjers. En dat er enorm veel tijd gemoeid zou zijn met het afsmelten ervan wordt door de hedendaagse snelle klimaatverandering weerlegd. Dat er meerdere ijstijden zouden zijn geweest is dan weer een kwestie van interpretatie.

Evolutie

Een van de gebeurtenissen die zich in Fransens „Deep Time“ heeft afgespeeld is de ontwikkeling van het leven op aarde: evolutie (p. 368). Helaas wordt de term—evolutie—niet nader gedefinieerd. Charles Darwin en Alfred Russel Wallace worden opgevoerd als de mensen die als eerste met een evolutietheorie kwamen. Voor het gemak wordt er niet bij verteld, dat het hier om een speciale evolutietheorie gaat, waarbij natuurlijke selectie van variatie het aandrijfmechanisme is. Maar Fransen ontpopt zich hier toch als selectionist — ook al moeten we het tussen de regels lezen. We lezen niet dat dertig jaar voor Darwin deze speciale selectietheorie reeds door Edward Blyth was onderzocht en als irrelevant voor evolutie was verworpen. Ook lezen we niet dat Wallace afstand nam van de selectietheorie als verklaring voor evolutie, omdat hij inzag dat natuurlijke selectie geen nieuwe structuren kan voortbrengen. Deze fatale tekortkoming werd ook door St. George Jackson Mivart, biologieprofessor en tijdgenoot van Darwin, uitvoerig beschreven in het boek “On the Genesis of Species”. Deze kritiek gold in Darwins dagen en ze geldt nog steeds. Tegenwoordig zouden we zeggen: Selectie kan geen nieuwe biologische informatie creëren, geen nieuwe bouwplannen, en kan aldus geen rol van betekenis spelen in evolutieprocessen.

In het algemeen is te zien dat soorten verwant zijn aan nabije soorten, schrijft Fransen (p. 369). Fransen bedoelt hier dat verwante soorten vaak in elkaars nabijheid of geïsoleerd voorkomen: de verklaring die ook Darwin reeds gebruikte. Neem het voorbeeld van de buideldieren. Fransen schrijft dat ze alleen maar worden aangetroffen in Australië en Zuid-Amerika. Omdat deze continenten ooit aan elkaar vast zaten hebben ze zich hier onafhankelijk van de andere organismen kunnen ontwikkelen. Als ze van een ark in het midden oosten naar hun huidige woongebieden zouden zijn geëmigreerd, dan zouden we ze elders ook moeten aantreffen. In tegenstelling tot wat Fransen impliceert, worden fossiele buideldieren ook op de noordelijke hemisfeer gevonden. Ze waren daar zelfs veel eerder dan in Australië en Zuid-Amerika. Dat er op verschillende continenten dezelfde niches door gelijksoortige organismen worden bezet heeft een verklaring nodig, maar dat gegeven alleen kan niet als bewijs voor evolutie worden gepresenteerd. Het eiland argument op zichzelf ook niet, want organismen zijn extreem plastisch door ingebouwde epigenetische aanpassingsmechanismen (zie hieronder). Dat er in Zuid-Amerika en de Indonesische archipel zeer nauw verwante tapirs leven behoeft ook een verklaring. Helaas schrijft Fransen daar niet over. Wel over het fossielenverslag. Hier heeft Fransen wat mij betreft een geldig punt. Waarom wordt vrijwel altijd dezelfde geologische volgorde gevonden? Ondanks dat het fossielenverslag nog steeds niet waterdicht kan worden verklaard vanuit het zondvloedmodel, zien we wel dat het ontstaan van afzonderlijke soorten steeds verder terug moet worden verschoven naar het verleden. Meteen na afkoeling van onze planeet, dat ongeveer 4,2 miljard jaren geleden plaatsvond volgens de seculiere wetenschap, was er vrijwel meteen leven. En de Cambrische explosie—ook bekend als de „Biological Big Bang“—toont ons nog steeds het zeer plotselinge ontstaan van alle hoofdgroepen der dieren. Waar kwam de informatie voor al die unieke dierlijke bouwplannen vandaan? De evolutieleer heeft geen antwoord.

„De vondst van konijnen in het pre-Cambrium zou de evolutieleer serieus ondergraven“ citeert Fransen evolutiebioloog J.B.S. Haldane (p. 371). Haldane was een van de wiskundige grondleggers van Neodarwinisme en is bekend door het dilemma dat zijn naam draagt: Haldane’s Dilemma. Het dilemma is dat er sinds de gemeenschappelijke voorouder van mens en chimpanzee (die 5 miljoen jaar geleden geleefd zou hebben) niet meer dan 1700 mutaties geselecteerd hadden kunnen worden. Gezien het feit dat de overgrote meerderheid van mutaties enkelvoudige nucleotiden zijn, legt deze limiet van 1700 een ernstige beperking op wat er evolutionistisch mogelijk is: niet meer dan één gen van gemiddelde grootte kan worden geselecteerd! Het genetische verschil tussen mens en chimpansee is met honderden unieke genen en duizenden unieke sequenties in beide organismen vele malen groter (er is 16% verschil!). Haldane’s dilemma is tot op de dag van vandaag een onopgelost probleem voor darwinistisch selectionisme.

Dinosauriërs ontwikkelden vleugels en vliegen nu gewoon rond als vogels. Deze algemeen geaccepteerde visie wordt ook door Fransen onderschreven. Wat is er met de meteoriet aan de hand die alle dino’s 65 miljoen geleden deed uitsterven? Had die een selectief destructieve kracht? Of werden de dinovogels gered door hun verenpakket? Door hun vleugels? Alles is mogelijk in evoland, we kunnen er toch geen enkele hypothese toetsen. Veren en vleugels worden door nieuwe genetische informatie voortgebracht. Het betreft honderden, duizenden samenwerkende genen; Miljoenen DNA-letters in precies de juiste volgorde, die het bouwplan schrijven. Wie of wat voegde deze informatie aan het genoom van de Dinosauriërs toe? De tijd? Er is geen tijd genoeg om ook maar één enkel gen te laten ontstaan, dat relevantie heeft voor het ontstaan van veren.

DNA

De rest van zijn betoog besteedt Fransen aan DNA. Hij weet dat het DNA molecuul „de DNA code“ herbergt. Hij bedoelt de eiwitcode. Ondertussen weten we dat het DNA naast de eiwitcode ook nog vele andere codes herbergt. De activator code, de coactivator code, de splicing code, de histon code en de epigenetische code zijn allemaal vrij recent ontdekte nieuwe DNA codes. Bovendien bestaan er codes voor RNA moleculen, waaronder micro-RNA-codes, lnc-RNA-codes, piwi-RNA codes, enzovoort, enzovoort. Er zijn wel twintig verschillende soorten RNA’s! Fransen zegt dat de eiwitcode universeel is. Daarmee bedoelt hij dat alle organismen dezelfde genetische code gebruiken om eiwitten te specificeren. Dit was tot 2001 het beste argument voor universele gemeenschappelijk afstamming, maar sindsdien is het ook het beste argument voor intelligent design. De code die we overal aantreffen is namelijk optimaal ontworpen om mutaties te bufferen en is er op gericht om veranderingen tegen te gaan. De eiwitcode is anti-evolutie! De nieuwste data tonen echter dat de code niet universeel is. Er zijn inmiddels 33 alternatieve eiwitcodes ontdekt, die ook allemaal optimaal zijn [https://www.ncbi.nlm.nih.gov/Taxonomy/Utils/wprintgc.cgi]. De eiwitcode als argument voor universele gemeenschappelijke afstamming gaat dus om meerdere reden niet op (details staan in het boek Terug naar de Oorsprong, Borger 2009). Fransen beroept zich hier op achterhaalde, verouderde informatie.

Dan begint Fransen over „weesgenen“. Hij schrijft dat veel organismen „een of meer“ genen bezitten die niet zijn terug te vinden bij verwant organismen. Een of meer genen? Fransen bedoelt hier: meer, veel meer. We weten sinds enige jaren dat de genomen van alle soorten gekenmerkt worden door genetische informatie die nergens anders wordt aangetroffen: weesgenen. Mens en chimpanzee verschillen door 1600 eiwit-coderende genen en ongeveer net zoveel microRNA-coderende genen, waarvan 130 families werden bevestigd als unieke menselijke informatie. Een vergelijking van het DNA van planten laat 1179 genfamilies zien, die alleen te vinden zijn in angiospermen (naaktzadigen). Wetenschappers ontdekten meer dan 28 duizend genen die uniek zijn voor mieren en niet in andere insecten voorkomen. De genomen van de pijlinktvissen worden gekenmerkt door honderden unieke genen. De genomen van de zangvogels beschikken over een enorme hoeveelheid unieke genen om het zangorgaan, de Syrinx, te bouwen. In alle tot op heden geanalyseerde genomen zijn „weesgenen“ verantwoordelijk voor ongeveer 10-30% van de geïdentificeerde genen. De plotselinge verschijning van nieuwe genetische informatie, de functionele complexiteit en de integratie ervan in het genoom hebben geen plausibele Darwinistische verklaring. Deze unieke informatie zonder ontwikkelingsgeschiedenis sluit een stapsgewijze, selectiegedreven evolutieproces uit.

Als we deze 10-30% unieke genen serieus nemen, dan kan er geen sprake zijn van universele gemeenschappelijk afstamming en zit de evolutietheorie er naast. Toch zijn er enkele observaties die op gemeenschappelijke afstamming duiden, waaronder observaties aan het GLO gen (GLO is de verouderde afkorting, de officiële afkorting is GULO). Het GLO gen werd altijd graag door atheisten, en nu dus ook door de theïstische evolutionisten, aangehaald om evolutie te bewijzen. Of beter gezegd: om aan te tonen dat we een gemeenschappelijke voorouder met de moderne apen hebben. Dat zo’n voorouder wordt uitgesloten op basis van de enorme hoeveelheid nieuwe en unieke genetische informatie (weesgenen) wil maar niet worden geaccepteerd. En dus moet men op zoek naar tegenargumenten: het GLO gen. De waarneming is dat mensen en mensapen precies dezelfde inactiverende mutatie in het GLO gen hebben zitten. Dat kan geen toeval zijn! Als je een oppervlakkige analyse uitvoert met alleen maar darwinistische aannames, dan lijken de mutaties in het GLO gen inderdaad te wijzen op een gemeenschappelijke afstamming met de apen. Maar zoals hierboven opgemerkt is dat uitgesloten. Er moet dus een andere, betere verklaring zijn voor de mutaties in het GLO gen. Die kan inderdaad worden gevonden in de moderne, hedendaagse moleculaire genetica: hotspots. Dit zijn posities in genetische sequenties, waar mutaties vrijwel altijd optreden. In 2007 werd aangetoond, dat de betreffende mutaties in het GLO gen een hotspot voor mutaties is [Borger & Truman 2007]. Door de grote genoomprojecten van het afgelopen decennium, weten we nu dat een groot deel van de mutaties op hotspots terecht komt—een waarneming die niemand had verwacht [http://exac.broadinstitute.org]. In de genomen van mens en rhesusaap werd zelfs waargenomen dat mutaties onafhankelijk op precies dezelfde plaatsen accumuleren en zo een illusie van gemeenschappelijke afstamming wekken [Rhesus Macaque Genome Sequencing and Analysis Consortium 2007]. Datzelfde is er aan de hand in het GLO gen. De hotspots veroorzaken een illusie van genetische verwantschap [Truman 2007; Borger 2019]. Dat het hotspots moeten zijn blijkt uit een diepere genetische analyse van de afzonderlijke exonen waaruit het GLO gen bestaat. De afzonderlijke coderende onderdelen van het GLO gen (6 exonen zijn er in het genoom van de mens aanwezig ), pleiten heel sterk tegen een evolutionaire afstamming. Ze lijken nog het meest op die van een halfaapje, de lierneus vleermuis, een bladneus vleermuis, een knaagdiertje, de savanneolifant en de witte neushoorn.1 Fransen beroept zich dus op verouderde informatie. Dat er geen alternatieve verklaringen zouden bestaan, zoals Fransen beweert (p. 374), is eveneens onjuist.

Mijn eigen onderzoek toont aan dat het overgrote deel van het genoom fungeert als genetische schakelaars, ook het zogenaamde junk DNA. We vonden bijna 200 miljoen schakelaars die ook daadwerkelijk biologisch functioneel zijn [Nikitin 2019]. In 2012 publiceerde een consortium internationale wetenschappers (bekend als ENCODE) dat het menselijke genoom voor meer dan 80% functioneel is [ENCODE Project Consortium 2012]. Opmerkelijk genoeg stonden de evolutiebiologen onder aanvoering van Dan Graur meteen klaar, om deze resultaten aan te vechten. Sindsdien probeert Graur, die zich heeft ontpopt als de hardnekkigste opponent van de ENCODE wetenschappers, aan te tonen dat het genoom niet meer dan 25% functioneel kan zijn. Hij begrijpt maar al te goed dat een 80% functioneel genoom de doodsteek is voor evolutie. „Als ENCODE gelijk heeft, dan is evolutie fout“, zei hij in 2012. Evolutie moet koste wat kost verdedigd worden, blijkbaar. Het is bevreemdend, dat de evangelisch christelijke René Fransen de atheïstische darwinisten volgt en niet de wetenschappers van ENCODE. Het onafhankelijke ENCODE Consortium gaat, zoals dat gewoon is binnen de wetenschap, ongestoord door met het ontrafelen van steeds meer functies die in de donkere regionen van het genoom zij verstopt.

„Natuurlijke selectie van spontane variatie speelt een belangrijke rol bij evolutie (al zijn er zeker ook andere mechanismen)“, weet Fransen (p.374). De spontane variatie van Fransen is de willekeurige mutatie van de Neodarwinist. Wie bekend is met willekeurige mutaties weet dat ze niks met een evolutieproces te maken hebben. Zo’n proces heeft namelijk nieuwe genetische informatie nodig. En dat kunnen willekeurige mutaties niet voor elkaar krijgen. Zelfs de mutaties die het genoom zelf induceert door speciaal ontworpen mechanismen (zoals tranposons) brengen geen nieuwe genetische informatie voort. Wie het nieuwste boek van Michael Behe heeft gelezen, Darwin Devolves, weet dat alle adaptaties (door spontane variatie) gepaard gaan met verlies van genetische informatie. Zelfs de ijsbeer met zijn mooie witte vacht is het resultaat van informatieverlies! Malariaresistentie? Verlies van informatie! Antibioticumresistentie? Verlies van Informatie (of gelijkblijven van informatie als het de overdracht van een plasmide betreft). Industrieel melanisme, het bekende voorbeeld uit de schoolboeken, waarbij een witgrijze Berkenspanner in een zwarte evolueerde: verlies van informatie door de integratie van een transposon in het gen dat de melanine productie regelt [Van‘t Hof 2016]. En met dat voorbeeld raken we aan het gebied van de epigenetica, dat Fransen als het enige andere evolutiemechanisme aanvoert. Epigenetica als evolutiemechanisme? Epigenetica heeft helemaal niks met „de evolutietheorie“ te maken, maar juist met overerfbare veranderingen die niet op DNA mutaties terug te voeren zijn. We begrijpen zulke veranderingen door het aan- en uitzetten van genetische programmatuur die al in het genoom aanwezig is. Het is een pas ontdekt en uitermate verfijnd regulatiesysteem dat met zijn eigen unieke schakelcodes werkt. De epigenetica leert ons dat organismen een geïntegreerd aanpassingsmechanisme bezitten waarmee ze zich niet alleen onmiddellijk kunnen aanpassen als een adaptieve reactie op een veranderende omgeving, ze kunnen deze aanpassing ook aan hun nakomelingen doorgeven. Dit is niets anders dan Lamarck’s evolutie! Vele waarnemingen waarvan we dachten het is Darwinistische evolutie, blijken gewoon te herleiden op epigenetische aanpassingen. De epigenetica biedt een interne aangeboren oorzaak voor spontane variatie zonder evolutie erin te hoeven betrekken.

Naturalisme boven alles

Evolutie is de beste verklaring voor de ontwikkeling van het leven op aarde, schrijft Fransen (p. 362). Dat is fout geformuleerd. Hij bedoelt: Evolutie is de beste naturalistische verklaring. En dat naturalistische filosofen het hierover eens zijn en consensus hebben (p. 374) is niet verwonderlijk. Het is immers hun filosofie en het is hun wereldbeeld dat deze consensus bewerkt. Natuurlijk zijn er ook christenen, zoals Fransen, die deze filosofie tot de hunne hebben gemaakt, maar betekent dat andere christenen moeten volgen? Hebben christenen een beste naturalistische verklaring nodig om de schepping te verklaren? Hebben christenen een theorie nodig, die zich baseert op een 19e eeuwse filosofie die God bij voorbaat uitsluit? Moeten we dat als christenen accepteren en in ons christelijke denken integreren? Neen, we hoeven dat niet. We zijn niet gedwongen om naturalistische filosofie, die onder het credo „survival of the fittest“ gepopulariseerd werd te verenigen met Christus‘ „heb je naaste lief als jezelf“. We hoeven evolutietheorie niet te accepteren en in ons wereldbeeld te integreren, want deze leer is nooit verenigbaar geweest met de wetenschappelijke waarnemingen. Dat was zo in de 19e eeuw, dat was zo in de 20e eeuw, en in de 21e eeuw werd de evolutieleer gewoon door de waarnemingen weerlegd. De biologische argumenten die Fransen anno 2019 aanhaalt om zijn geloof in evolutie te onderbouwen werden in 2009 alle in het boek „Terug naar de Oorsprong“ behandeld. In tegenstelling tot wat Fransen beweert (p. 375), werden wel degelijke goede biologische alternatieven aangeboden. Deze alternatieven, die op de nieuwste biologische inzichten m.b.t mutatie en variatie baseren, werden het afgelopen decennium steeds verder onderbouwd door de moleculaire biologie. Fransen kent deze alternatieven, die baseren op de huidige biologische kennis. Dat hij er geen enkele in de Appendix noemt is oneerlijk en misleidend. Hij volgt hier de strategie van de darwinisten, die al 150 jaar doen alsof er geen oppositie bestaat, doen alsof hun theorie alle testen heeft doorstaan, en doen alsof er geen alternatieven zijn. Niks is minder waar.

De discipline die het leven bestudeert (de biologie) heeft zich de afgelopen jaren steeds meer richting informatie-technologie ontwikkeld. Een cel wordt tegenwoordig gezien als een informatieopslag en –verwerkingssysteem: De cel is een RNA-computer met eiwit-output. De waarneming dat het leven baseert op informatie is de doodsteek voor elke evolutietheorie, die poneert dat het leven vanuit de materie te verklaren is. De oppervlakkige en eenzijdige beschouwing van Fransen zal menigeen voor zijn materialistische visie doen zwichten. Dat is jammer, want een iets grondiger analyse van de data die hij bespreekt toont dat we met Schepping (creatio ex nihilo van informatiesystemen) te maken hebben. Het biologische scheppingsmodel, hoewel nog steeds onvolledig, zit hier dus op de goede (en smalle) weg.

Referenties

Borger P. Terug naar de Oorsprong. De Oude Wereld, The Netherlands. 2009. ISBN/EAN 9789057982989.
Borger P. Artübergreifende wiederkehrende Mutationen. Oder: Die Illusion der Verwandtschaft. Studium Integrale Journal 2019, (in press).
ENCODE Project Consortium. An integrated encyclopedia of DNA elements in the human genome. Nature 2012, 489(7414):57-74.
Hutschinson III CA, et al. Design and synthesis of a minimal bacterial genome. Science 2016, 351(6280):aad6253.
Kotulla M. Verkohlte Baumstämme in Tephra-Ablagerungen des Laacher-See-Vulkans: Neue Radiokarbon-Bestimmungen und ihre Altersinterpretation. (W&W Special paper G-19-1)
Nikitin D, et al. Retroelement-Linked Transcription Factor Binding Patterns Point to Quickly Developing Molecular Pathways in Human Evolution. Cells 2019, Feb 6; 8(2).
Rhesus Macaque Genome Sequencing and Analysis Consortium, Evolutionary and Biomedical Insights from the Rhesus Macaque Genome. Science 2007, 316: 222–234.
Truman R, Borger P. Why the shared mutations in the Hominidae exon X GULO pseudogene are not evidence for common descent. Journal of Creation 2007, 21(3).
Van’t Hof AE, et al. The industrial melanism mutation in British peppered moths is a transposable element. Nature 2016, 534, 102–105.

Voetnoten

  1. Tomkins JP. The Human GULO Pseudogene—Evidence for Evolutionary Discontinuity and Genetic Entropy. Answers Research Journal 2014, 7: 91–101.

LEUK ARTIKEL?
Bent u blij met dit artikel? Het onderhoud en de ontwikkeling van deze website vragen financiële offers. Zou u ons willen steunen met een maandelijkse bijdrage? Dat kan door ons donatieformulier in te vullen of een bijdrage over te schrijven naar NL53 INGB000 7655373 t.n.v. Logos Instituut. Logos Instituut is een ANBI-stichting en dat wil zeggen dat uw gift fiscaal aftrekbaar is.

Peter Borger

Written by

Peter Borger is moleculair bioloog, specialist in signaaltransductienetwerken en genregulatie-systemen, tevens auteur van Terug naar de Oorsprong. Hij is één van de grensverleggende wetenschappers binnen de nieuwe biologie. Daarin staat onder meer centraal dat soortenvorming daadwerkelijk plaatsvindt, omdat het genoom daarvoor is geprogrammeerd, maar dat alle verschillende soorten niet allemaal dezelfde voorouder hebben. Ook wordt vanuit deze tak van de biologie duidelijk dat er geen genetische informatie-toename nodig is om nieuwe soorten voort te brengen. Alle informatie om nieuwe soorten te vormen was reeds aanwezig in het genoom vanaf de tijd dat de oervormen werden geschapen.

1 Comment

Comments are closed.