De schelpen van de Amerikaanse boormossel zijn algemeen op onze stranden te vinden. Ze zijn redelijk fragiel, en daarom gaan ze vrij snel kapot. Deze soort is een exoot, en werd samen met de Amerikaanse oesters eind 19de eeuw geïntroduceerd in het Kanaal en de Noordzee. Net zoals het muiltje (Crepidula fornicata) trouwens. Beide soorten werden voor het eerst omstreeks 1906 waargenomen in de Noordzee. Vandaar dat verkleurde exemplaren op het strand niet ouder kunnen zijn dan 113 jaar. Verrassend was dan ook toen in 1996 de Rijks Geologische Dienst in in Nederland in een opgevulde geul in de Waddenzee, wel dertig meter onder de zeebodem, in het sediment, Amerikaanse boormossels aantrof. Eerst dacht men dat dit fossiel materiaal was, maar gezien dit een exoot is die vóór 1906 bij ons onbekend was, kon die 30-meter dikke zandlaag in die geul niet ouder zijn dan 90 jaar!

Van de Amerikaanse zwaardschede (Ensis americanus), nog zo’n exoot, kan men op het strand zelfs bruin tot zwart gekleurde doubletten vinden. Dat wil dus zeggen dat die exemplaren nog zeer recent zijn, ondanks de heel sterke verkleuring.

Toch krijgen verkleurde kokkels, nonnetjes en bonte mantels die op onze stranden worden gevonden door de “wetenschap” een leeftijd van ca 120.000 jaar opgeplakt. Ze worden gedateerd in het Eemien, een zogezegd interglaciaal vóór de zogenaamde ‘laatste ijstijd’. Bruin of blauw-zwart verkleurd materiaal wordt altijd als fossiel bestempeld – ALTIJD. En een gerenommeerde zeebioloog werkzaam aan het KBIN, waar ik contacten mee had en waar ik mijn stage bij deed, zei net hetzelfde. Zelfs toen ik recent uitziend materiaal toonde van soorten die nu iets meer zuidelijker leven zei hij onmiddellijk: “Dat is fossiel, uit het Eemien.”

Als men 30 meter onder de zeebodem recent materiaal aantreft, waarvan men eerst dacht dat het fossiel was, wat dan te denken van al dat ander zogenaamde “fossiele schelpenmateriaal”? Zeker als we weten dat recent materiaal al heel snel kan verkleuren (of ontkleuren, want ik trof ooit eens geheel witte kokkels aan in klei van maximaal 1000 jaar oud). En dat zeer fragiele schelpjes nog steeds intact zouden zijn na meer dan 100.000 jaar, zonder dat ze vastzitten in een verhard sediment? Dat zou allang tot zand moeten zijn gereduceerd!

Daarnaast kan men op onze stranden zwinkokkels (Venericor planicostra) aantreffen, gewoon tussen het ander schelpmateriaal. Dat waren grote kokkels met een dikke schelp, waarvan we nu nog enkel fragmenten terugvinden, vaak vol met gaatjes ten gevolg van activiteit van de boorspons. En rara, in welk tijdstip worden die schelpen gedateerd? Het Eoceen, zo’n 40 miljoen jaar geleden… Bewijs daarvoor? Nul komma nul.
Dat materiaal is gewoon allemaal zo oud niet, hoogstens een paar eeuwen, tot misschien een paar duizend jaar. Maar zéker geen 120.000 jaar. Er wordt met tijd gespeeld en gegooid alsof het niets is.

Dit artikel is met toestemming overgenomen van de website Evolutietheorie ontkracht. Het originele artikel is hier te vinden.

LEUK ARTIKEL?
Bent u blij met dit artikel? Het onderhoud en de ontwikkeling van deze website vragen financiële offers. Zou u ons willen steunen met een maandelijkse bijdrage? Dat kan door ons donatieformulier in te vullen of een bijdrage over te schrijven naar NL53 INGB000 7655373 t.n.v. Logos Instituut. Logos Instituut is een ANBI-stichting en dat wil zeggen dat uw gift fiscaal aftrekbaar is.

Written by

De schelpen van de Amerikaanse boormossel zijn algemeen op onze stranden te vinden. Ze zijn redelijk fragiel, en daarom gaan ze vrij snel kapot. Deze soort is een exoot, en werd samen met de Amerikaanse oesters eind 19de eeuw geïntroduceerd in het Kanaal en de Noordzee. Net zoals het muiltje (Crepidula fornicata) trouwens.

...
Read more