Een aantal jaar geleden vond er bij de Royal Society in Londen van 7 tot 9 november 2016 een belangrijk congres plaats met als thema ‘New Trends in Evolutionary Biology’. Meer dan 300 topwetenschappers uit de hele wereld vergaderden er om de nieuwe trends binnen de evolutionaire biologie te evalueren. Het lijkt erop, dat ook de Royal Society in Londen inziet, dat het Neo-Darwinistisch paradigma (= mutatie gevolgd door natuurlijke selectie) – om het ontstaan van nieuwe soorten te verklaren – in een grote crisis verkeert en dat de ‘klassieke’ Evolutietheorie door steeds meer wetenschappers wordt verworpen. De congressisten arriveerden met twee grote bezorgdheden; ofwel zal het Neo-Darwinisme definitief worden afgevoerd, ofwel zal men het Neo-Darwinisme blijven handhaven. Op het einde van de derde dag van het congres bij de Royal Society in Londen waren vele onderzoekers het er over eens, dat ‘the puzzle of life’s novelties’ (= het ontstaan van nieuwe (morfologische) kenmerken in nieuwe soorten) onopgelost blijft. Alle elementen van de ‘Extended Synthesis’ (= de Nieuwe of Moderne Synthese), met andere woorden, de algemeen geaccepteerde theorie die kennis uit meerdere takken van de biologie, zoals paleontologie, populatiegenetica, de erfelijkheidsleer van Mendel en de evolutietheorie van Charles Darwin, evenals de biologie als wetenschap op zich, die de Evolutionaire Biologie van een degelijk fundament zou moeten voorzien, er niet in slagen het wetenschappelijk deficiet van de Moderne Synthese (= Neo-Darwinisme) weg te werken.

De Oostenrijkse evolutionaire theoreticus Gerd Müller, professor aan de Universiteit van Wenen en hoofd van het departement Theoretische Biologie, somde enkele van de onopgeloste problemen van de Evolutionaire Biologie op: (1) de oorsprong van phenotypische complexiteit, bijvoorbeeld het ontstaan van de ogen, de oren, de algemene lichaambouw an sich, kortom de oorsprong van de anatomische en structurele kenmerken van levende wezens; (2) de oorsprong van phenotypische nieuwheid, dit is de oorsprong van nieuwe vromen en soorten doorheen de ‘geschiedenis van het leven’. Wij denken hier bijvoorbeeld aan de definitieve opkomst en verspreiding van de zoogdieren vanaf 66 miljoen jaar geleden. Deze tijd heet het Cenozoïcum en is de jongste era uit de geologische geschiedenis. Of nog opvallender, de ‘Cambrische Explosie’. Met de ‘Cambrische Explosie’ wordt het ontstaan aangeduid van veel nieuwe bouwplannen – vrijwel zonder antecedenten – in het dierenrijk tijdens het Cambrium (542-488 miljoen jaar geleden). Het wordt soms ook de ‘Oerknal van het leven’ genoemd. Tot slot (3) is er nog het grote, onopgeloste probleem van de niet-graduele vormen of abrupte transitiewijzen, waar men plotse en bruuske onderbrekingen kan vaststellen binnen het fossiele archief tussen de verschillende types en soorten. Kortom, de Neo-Darwinistische mechanismen van mutatie en natuurlijke selectie missen de ‘creatieve kracht’ om nieuwe anatomische kenmerken en levensvormen te generen die blijkbaar ontstaan zijn in de loop van de ‘geschiedenis van het leven’, dit in de veronderstelling dat de huidige chronologieën min of meer adequaat zijn.

De voorstanders van een herziening van het Neo-Darwinisme verwijten de tegenstanders, dat ze de evolutietheorie na Darwin versmald hebben tot enkel maar populatiegenetica; willekeurige, genetische variatie (= mutatie) en natuurlijke selectie. De Evolutietheorie wordt door de Neo-Darwinisten simpelweg gedefinieerd als een verandering van genen in de loop van de tijd met een overdreven nadruk op het genotype. Maar daardoor blijven een heel aantal zaken – die niet herleid kunnen worden tot de genen – buiten beeld zoals: (1) developmental bias (= ontwikkelingspredispositie): de fenotypische variatie wordt ook gestuurd door de embryonale ontwikkelingswijze en is daarom niet willekeurig; (2) fenotypische plasticiteit: de omgeving/milieu bepaalt – buiten de genen om – rechtstreeks het fenotype van het individu; (3) niche-constructie: organismen veranderen zelf hun omgeving en daardoor beïnvloeden ze zelf de natuurlijke selectie en tot slot (4) extra-genetische erfenis (ook wel epigenetica genoemd): organismen erven méér over dan alleen hun genen. Kortom, de genen zijn niet alleen-bepalend voor evolutie. De hervormers verwijten de aanhangers van de Moderne Synthese, dat bij hen alles om genen en DNA draait en dat ze te ‘genen-centrisch’ zijn.

Het is duidelijk, dat deze nieuwe inzichten doen denken aan het zo verguisde ‘Lamarckisme’. Deze theorie stelde, dat organismen kenmerken, die ze verwierven tijdens hun leven, konden doorgeven aan hun nageslacht. Hiervoor steunde Jean-Baptiste Lamarck op twee waarnemingen die destijds algemeen als waar gezien werden: (1) Het al of niet gebruiken van bepaalde kenmerken zorgt ervoor dat ze verder ontwikkeld worden of juist verloren gaan en (2) kenmerken van voorouders worden doorgegeven aan het nageslacht. De hoofdgedachte is dus, dat een verandering in het milieu een veranderde behoefte veroorzaakt, die een gedragsverandering en zo een veranderd orgaangebruik tot gevolg heeft. Dit zorgt dan weer voor een geleidelijke verandering van het orgaan en zo ook van het ras waartoe het individu behoort. Het ‘Lamarckisme’ staat ook bekend als de theorie van de ‘erfelijkheid van verworven kenmerken’ of de ‘zachte evolutie’, die men tegenwoordig als ‘micro-evolutie’ zou omschrijven. Echter, ‘micro-evolutie’ kan enkel maar de kleinere ontwikkelingen binnen soorten verklaren en niet de sprongen van soort naar soort (= ‘macro-evolutie’).
Het ‘Lamarckisme’ was een baanbrekende theorie over biologische evolutie die in de vroege 19de eeuw door de Franse bioloog Jean-Baptiste Lamarck werd voorgesteld, maar die sinds Darwins publicatie over de theorie van natuurlijke selectie academisch – ten onrechte – in diskrediet werd gebracht, omdat Lamarck geen mechanisme had om die overerving tot stand te brengen. Lamarck was echter wel de eerste die met het concept van biologische evolutie op de proppen kwam, eerder dan met een overervingsmechanisme van die biologische evolutie, dat aan Charles Darwin zou worden toegeschreven. Echter, zowel het Lamarckisme als de Evolutietheorie van Darwin misten en missen beiden de onderbouw van een aanvaardbaar overervingsmechanisme. Het zou nog tot 1866 duren tot de Oostenrijkse Pater Augustijn Gregor Mendel dit beschreef. Het duurde nog tot de vroege jaren 1900 tot het belang van Mendels theorie werd ingezien. Hoe dan ook lijken zowel het Lamarckisme en de Evolutietheorie erg op mekaar en slagen ze er beiden niet in om afdoende bewijs te leveren voor het ontstaan van nieuwe soorten of ‘macro-evolutie’.

Uiteindelijk vormde dit probleem de crux tijdens het congres van de Royal Society in Londen, dat langer dan een eeuw de evolutionaire biologie de sensibiliteit en het reactievermogen van organismen – in real time – heeft verwaarloosd. Het blijkt nu, dat 200 jaar geleden Lamarck gelijk had, ondanks dat hij achteraf letterlijk uit de wetenschappelijke wereld werd weggelachen. Destijds was Darwin zich hier van bewust en het is dan ook des te ironischer, dat het Neo-Darwinisme, de zwakke punten van het Darwinisme onder het tapijt heeft proberen te vegen. En het zijn natuurlijk net de tekortkomingen en de onvolkomenheden van het Neo-Darwinisme, dat zich intussen tot een soort van ‘pop-religie voor atheïsten’ heeft ontwikkeld, die nu na meer dan 100 jaar uit de doofpot tevoorschijn komen, en het Neo-Darwinisme op losse schroeven zetten. De Neo-Darwinistische mechanismen van mutatie gevolgd door natuurlijke selectie missen eenvoudigweg de ‘creatieve’ kracht om nieuwe anatomische karakteristieken en nieuwe soorten te ontwikkelen. Maar ook de evolutionaire biologen die dit inzien en nu op zoek zijn naar ‘De Derde Weg’ (= The Third Way / TTW) binnen de evolutionaire biologie hebben op de problemen binnen het paradigma van het Neo-Darwinisme – problemen die ze trouwens zelf aankaarten – (voorlopig) nog geen enkel antwoord.

Dit artikel is met toestemming overgenomen van het Katholiek Forum. Het originele artikel is hier te vinden.

LEUK ARTIKEL?
Bent u blij met dit artikel? Het onderhoud en de ontwikkeling van deze website vragen financiële offers. Zou u ons willen steunen met een maandelijkse bijdrage? Dat kan door ons donatieformulier in te vullen of een bijdrage over te schrijven naar NL53 INGB000 7655373 t.n.v. Logos Instituut. Logos Instituut is een ANBI-stichting en dat wil zeggen dat uw gift fiscaal aftrekbaar is.

Written by

Een aantal jaar geleden vond er bij de Royal Society in Londen van 7 tot 9 november 2016 een belangrijk congres plaats met als thema ‘New Trends in Evolutionary Biology’. Meer dan 300 topwetenschappers uit de hele wereld vergaderden er om de nieuwe trends binnen de evolutionaire biologie te evalueren.

...
Read more