Gaat het menselijk embryo door dierlijke stadia heen?

by | mrt 12, 2024 | Evolutie, Evolutie van de mens, Logos Basics

Gaat het menselijk embryo door dierlijke stadia heen?

In hoofdstuk 7 van het boek Hoe bestaat het! gaan de auteurs in op vragen die te maken hebben met overeenkomsten tussen organismen. Pleiten zulke overeenkomsten voor het bestaan van een gemeenschappelijke voorouder? In het vorige deel stonden we stil bij overeenkomsten tussen het DNA van de mens en dat van de chimpansee. Dit tweede deel kijkt naar de ontwikkeling van het menselijk embryo: gaat die door allerlei dierlijke stadia heen? Deel drie gaat over de vraag of ons lichaam nutteloze dierlijke overblijfselen bevat en in het laatste deel brengen we een bezoek aan vermeende familieleden: de ‘aapmens’.

Overeenkomsten tussen embryo’s

Replica Embryo Mens

Replica’s van menselijke embryo’s in verschillende ontwikkelingsstadia.

Vrijwel iedereen heeft wel eens gehoord dat het menselijk embryo tijdens zijn vroege ontwikkeling in de baarmoeder door verschillende evolutionistische/ dierlijke stadia gaat. Zo zou het embryo op een bepaald moment in de ontwikkeling kieuwspleten hebben als een vis, een staart als een aap, enzovoort. Artsen in abortusklinieken gebruiken dit idee wel om het geweten van hun cliënten te sussen, door te zeggen: ‘Het enige wat we uit je lichaam weghalen, is een vis in een vroeg evolutionistisch stadium.’ Dit idee werd populair in de jaren zestig van de negentiende eeuw door het werk van de Duitse evolutionist Ernst Häckel. Hij noemde dit nogal pretentieus de ‘biogenetische wet’. Dit staat ook bekend als ‘embryonale recapitulatie’ of ‘ontogenie recapituleert fylogenie’, wat zoveel betekent als dat een organisme tijdens zijn ontwikkeling zijn veronderstelde evolutionistische geschiedenis opnieuw doorloopt. Dit houdt in dat een menselijk embryo, zo wordt verondersteld, achtereenvolgens een visstadium, amfibiestadium, reptielstadium, enzovoort, doorloopt.

Häckels bedrog

Binnen enkele maanden na de populaire publicatie van Häckels werk in 1868 toonde Rütimeyer, hoogleraar zoölogie en vergelijkende anatomie aan de Universiteit van Basel, aan dat het onderzoek frauduleus was. Wilhelm His bevestigde later de kritiek van Rütimeyer. His was hoogleraar anatomie aan de Universiteit van Leipzig en in die tijd een bekend vergelijkend embryoloog.1 Deze wetenschappers toonden aan dat Häckel op een misleidende manier zijn tekeningen van embryo’s had aangepast om ze meer op elkaar te laten lijken. Häckel drukte zelfs dezelfde gravures verscheidene malen af, en zorgde er zo voor dat de embryo’s absoluut identiek leken. Vervolgens beweerde hij dat dit embryo’s waren van verschillende soorten! Ondanks de ontmaskering van dit bedrog verschenen Häckels gravures jarenlang in lesboeken.2

De ‘biogenetische wet’ doodverklaard… maar nog springlevend?

Is de ‘biogenetische wet’ dan van enige waarde? In 1965 zei de evolutionist George G. Simpson: ‘Het is nu duidelijk vastgesteld dat ontogenese (ontwikkeling van het individu) geen herhaling is van fylogenie (ontwikkeling van de soort).’3 Professor biologie Keith Thompson van de Universiteit van Yale zei4: ’Het is zeker dat de biogenetische wet zo dood is als een pier. Ze werd uiteindelijk in de jaren vijftig geweerd uit de biologieboeken. Als onderwerp van serieus theoretisch onderzoek was ze al afgeschreven in de jaren twintig.’ Maar ook nu worden Häckels onjuiste ideeën nog steeds onderwezen in lesboeken van middelbare scholen en universiteiten:

Er bestaat overeenkomst in de embryonale ontwikkeling bij verschillende diersoorten… Zo heeft een embryo van de mens in een vroeg stadium onder andere kieuwspleten en een staart… Door deze overeenkomsten in de eerste stadia van de embryonale ontwikkeling wordt het aannemelijk dat deze gewervelden een gemeenschappelijke voorouder hebben.5

Ondanks de frauduleuze basis van het idee en de vernietigende kritiek van veel vooraanstaande wetenschappers, blijft het idee hardnekkig voortbestaan. Wetenschappers die beter hadden moeten weten, hebben de mythe van embryonale recapitulatie in de jaren negentig van de afgelopen eeuw gepromoot. Carl Sagan, die veel gedaan heeft voor het populariseren van de wetenschap, schreef een populair-wetenschappelijk artikel met de titel ‘Is it possible to be pro-life and pro-choice?’ 6 Daarin stelde hij over de ontwikkeling van het menselijke embryo: ‘Tegen de derde week (…) lijkt het een beetje op een gelede worm (…) Tegen het eind van de vierde week (…) zijn kieuwspleten als van een vis of amfibie duidelijk waarneembaar (…) Het ziet eruit als een salamander of kikkervisje (…) Tegen de zesde week (…) een reptielachtig gelaat (…) Tegen het eind van de zevende week (…) het gelaat als van een zoogdier, maar enigszins varkensachtig (…) Tegen het eind van de achtste week lijkt het gelaat op dat van een aap, maar het lijkt nog niet helemaal op dat van een mens.’ Deze ideeën komen rechtstreeks van Häckel. Een menselijk embryo lijkt nooit reptielachtig of varkensachtig. Een menselijk embryo is altijd een menselijk embryo, vanaf het moment van de conceptie. Het is nooit iets anders, in tegenstelling tot wat Sagan suggereert! Het wordt niet pas menselijk, ergens na acht weken. En dat is precies wat de Bijbel ons leert. Het ongeboren kind is een klein menselijk kind (Gen. 25:21-22; Ps. 139:13-16; Jer. 1:5; Luk. 1:41-44). Dus abortus beëindigt het leven van een onschuldig mens.

Kieuwspleten – als een vis?

Schema embryo

Er worden verkeerde termen gebruikt om het menselijk embryo aan te duiden. Zo worden studenten met het evolutiegeloof geïndoctrineerd.

In universitaire lesboeken, waar eerder naar is verwezen (zie voetnoot 5) wordt beweerd dat ‘menselijke embryo’s kieuwspleten hebben zoals een vis’. Het is echter al vele decennia bekend dat menselijke embryo’s nooit ‘kieuwspleten’ hebben. Het menselijk embryo toont uiterlijke kenmerken die oppervlakkig lijken op de ‘kieuwspleten’ van een embryo van een vis. Deze ‘farynxbogen’, zoals ze feitelijk heten, of ‘keelzakjes’, hebben nooit een ademhalingsfunctie en zijn nooit ‘spleten’ of openingen. Ze ontwikkelen zich tot thymus (zwezerik), bijschildklier en middenoorkanalen. Deze hebben geen van alle iets te maken met de ademhalingsfunctie, onder of boven water! In gespecialiseerde embryologieleerboeken wordt erkend dat menselijke embryo’s geen kieuwspleten hebben. Zo schrijft Langman bijvoorbeeld: ‘Omdat het menselijk embryo nooit kieuwen (branchia) heeft, zijn in dit boek de termen farynxbogen en -kloven opgenomen.’7 Veel evolutionisten blijven echter spreken van ‘kieuwspleten’, in het bijzonder tijdens openbare voordrachten en het lesgeven aan hun leerlingen. De term heeft in de studieboeken de overhand gekregen.

Meer onthullingen over het bedrog van Häckel!

Vurige supporters van de evolutiegedachte zullen na enig aandringen toegeven dat menselijke embryo’s geen kieuwspleten bezitten en dat de tekeningen van Häckel enigszins misleidend waren. Maar zij zullen blijven volhouden dat overeenkomsten tussen embryo’s een bewijs vormen voor evolutie. Of het nu bewust of onbewust is, dit vertrouwen is gestoeld op de indruk die de door Häckel gemaakte gravures wekken en de gehele of gedeeltelijke reproducties daarvan in de vele leerboeken nadien.8

Er wordt algemeen aangenomen dat de tekeningen enige overeenkomst met de werkelijkheid vertonen, maar blijkbaar is er niemand geweest die de moeite heeft genomen dit te controleren. Pas relatief recent is aan het licht gekomen dat de misleiding van Häckel veel ernstiger is geweest dan iedereen zich realiseerde. Embryologisch hoogleraar dr. Michael Richardson heeft met de hulp van biologen uit de hele wereld de typen embryo’s die Häckel tekende, gefotografeerd en verzameld.9 Hij heeft zeer precies vastgelegd dat Häckels tekeningen weinig gelijkenis vertoonden met de echte embryo’s.10 Häckels tekeningen waren niet zomaar een vergissing. Ze kwamen rechtstreeks voort uit zijn verbeelding. Hij heeft ze gemaakt met het doel te misleiden en zo de evolutietheorie te propageren. Häckels tekeningen kunnen op geen enkele manier meer worden gebruikt om het evolutionistische argument te ondersteunen dat overeenkomsten tussen embryo’s op gezamenlijke afstamming wijzen.

Hackels bedrog ontmaskerd

Haeckels misleidende tekeningen (boven) en foto’s van de embryo’s zoals ze er in werkelijkheid uitzien (onder). Naar Richardson e.a., gebruikt met toestemming.

Is het onvermijdelijk om in een vroeg stadium lichte overeenkomsten in embryo’s te vinden?

Wie iets in elkaar zet, begint met iets zonder vorm of met een basisvorm, van waaruit verder wordt gewerkt. Om te begrijpen waar we heen willen, illustreren we dit aan de hand van een voorbeeld: Een pottenbakker begint met een homp klei. Voor een bierpul of een smalle vaas zal de pottenbakker beginnen met het maken van een cilindrische vorm. In dit stadium lijken de bierpul en de smalle vaas op elkaar; ze hebben dezelfde basis. Verdere bewerkingen zullen leiden tot een bierpul en een vaas die steeds meer van elkaar gaan verschillen. De vergelijking met de ontwikkeling van een embryo gaat echter niet helemaal op, omdat de pottenbakker op enig moment bij het bereiken van het eind van het basisplan kan besluiten om óf een vaas óf een bierpul te maken. Een embryo van een vis kan daarentegen nooit een embryo van een mens worden, of andersom, omdat een embryo van een vis gecodeerde instructies bevat voor het maken van een vis, en niet voor iets anders.

De wetten van Von Baer

De wetten van Von Baer, genoemd naar hun ontdekker Karl Ernst von Baer, geven invulling aan dit concept van embryonale ontwikkeling. Hij zegt dat de algemene eigenschappen van een grote groep dieren eerder zichtbaar worden in een embryo dan de gespecialiseerde eigenschappen. Minder algemene eigenschappen zijn ontwikkeld vanuit de meer algemene, en zo verder, totdat uiteindelijk de meest gespecialiseerde zichtbaar worden. Tijdens de ontwikkeling raakt elk embryo van een bepaalde soort steeds meer van een embryo van een andere soort verwijderd.

Dit staat dus haaks op de gedachte dat een embryo vergelijkbare stadia doormaakt als die van embryo’s van andere dieren. De wetten van Von Baer geven aan dat hoe priller het embryonale stadium is, hoe meer organismen overeenkomsten lijken te vertonen. Dit komt doordat ze de meer algemene eigenschappen met elkaar delen, die ook het eerste zichtbaar zijn. De embryonale ontwikkeling kan wat dat betreft worden vergeleken met de spaken van een wiel. Ze beginnen in het hart, waaieren uit naar buiten en raken steeds verder van elkaar verwijderd.

Onregelmatigheden (anomalieën) wijzen op schepping!

Er zijn enkele interessante uitzonderingen op de wetten van Von Baer. Als we embryo’s van gewervelde organismen met elkaar vergelijken in het faryngula-stadium (het stadium waarin de faryngische bogen zichtbaar zijn), kunnen sommige embryo’s enigszins op elkaar lijken. Maar in eerdere stadia zijn ze behoorlijk verschillend! W. Ballard schreef hierover: ‘…vanuit zeer verschillende soorten eieren gaan de embryo’s van gewervelden door afzonderlijke splitsingsstadia, waarbij ze er elk heel anders uitzien. Vervolgens maken ze een periode van morfogenese door, waarin een vorm of structuur ontstaat. In deze tijd vertonen de embryo’s migratiepatronen en tijdelijke structuren die uniek zijn voor elke klasse. Alle (embryo’s) komen dan terecht in het faryngula-stadium, dat opmerkelijk gelijkvormig is in het subfylum (dit is een bepaalde rang in de hiërarchische tabel waarmee de biologie organismen indeelt). Daarbij valt op dat vergelijkbare orgaanbeginselen gelijkvormig zijn gerangschikt (hoewel ze in sommige opzichten anders gevormd zijn en aangepast aan leefomgeving en voedselvoorziening).’11

Nadat de aanvankelijke beweging van de embryo’s in ontwikkeling dus naar elkaar toe was, drijven ze in het volgende stadium qua eigenschappen steeds verder van elkaar weg. Hiermee wordt weer het zojuist beschreven klassieke Von Baer-patroon gevolgd. Hoe kan dit door evolutie worden verklaard? ReMine12 betoogt dat dit wijst op een intelligente Ontwerper, die levende dingen ontwierp. God maakte de dingen met bepaalde overeenkomsten om te tonen dat er één Schepper is, zoals de overeenkomsten in het faryngula-stadium laten zien, maar met een zodanig patroon dat deze overeenkomsten niet het resultaat kunnen zijn van gemeenschappelijke voorouders (evolutie), omdat de vroege stadia van ontwikkeling van de embryo’s sterk verschillen. De naturalistische verklaring voor de overeenkomsten in het latere faryngula-stadium (als zou er sprake zijn van een gemeenschappelijke voorouder) wordt niet ondersteund door de verschillen in de vroege stadia.

Hetzelfde geldt voor de manier waarop de voetbeenderen in de embryo’s van amfibieën en zoogdieren zich ontwikkelen. Uiteindelijk zullen ze erg op elkaar kunnen lijken, maar de tenen van een zoogdier ontwikkelen zich vanuit een plaat, waarbij het materiaal tussen de tenen oplost. Dit in tegenstelling tot de tenen van een amfibie, die van binnen naar buiten groeien en zich ontwikkelen vanuit kleine knopjes. Deze verschillende manieren van ontwikkeling sluiten evolutie als verklaring uit en laten zien dat de overeenkomst veeleer toe te schrijven is aan een gemeenschappelijke Schepper/Ontwerper en niet aan gemeenschappelijke voorouders.

De embryoloog Sir Gavin de Beer is voormalig directeur van het British Museum of Natural History. Hij besprak het probleem van het ontbreken van een genetische of embryologische basis voor de homologie al meer dan dertig jaar geleden in een publicatie met de titel ‘Homology, an Unsolved Problem’13. Hoewel De Beer in evolutie geloofde, liet hij zien dat overeenkomsten vaak slechts ogenschijnlijk aanwezig zijn, en niet samengaan met gemeenschappelijke voorouders. De patronen van embryonale ontwikkeling wijzen op schepping en niet op evolutie! Wij zijn inderdaad ‘wonderbaarlijk gemaakt’ (Ps. 139:14).

Lees verder in deel 3

Voetnoten

  1. W.H. Rusch sr., ‘Ontogeny recapitulates phylogeny’, in: CRSQ 6/1(1969), p. 27-34.
  2. R. Grigg, ‘Ernst Häckel: evangelist for evolution and apostle of deceit’, in: Creation 18/2 (1996), p.33-36.
  3. Simpson, Beck, An introduction to biology, 1965, p. 241.
  4. K. Thompson, ‘Ontogeny and phylogeny recapitulated’ in: American Scientist 76 (1988), p. 273.
  5. Biologie voor jou, 6 VWO, 4e druk,’s-Hertogenbosch, 2003, Vergelijkbare teksten zijn te vinden in bijvoorbeeld Biologie voor jou, vmbo en havo, en Dictaat Evolutie van de Open Universiteit Nederland. Vaak gaat de tekst vergezeld van de foutieve afbeeldingen van Häckel of vergelijkbare.
  6. Parade Magazine, 22-04-1990.
  7. J. Langman,. Medical embryology, 3e ed., 1975, p. 262.
  8. Bijvoorbeeld S. Gilbert, Developmental biology, 5e ed., Sinauer Associates, Ma., 1997, p. 254, 900. Gilbert schrijft de tekeningen onterecht toe aan ‘Romanes, 1901’. Dergelijke afbeeldingen zijn bijvoorbeeld ook terug te vinden in eerdergenoemde studieboeken en dictaten (zie voetnoot 5).
  9. M. Richardson, e.a.,. ‘There is no highly conserved stage in the vertebrates: implications for current theories of evolution and development’ in: Anatomy and Embryology 196/2 (1997), p. 91-106, Springer-Verlag GmbH & Co., Heidelberg.
  10. R. Grigg, ‘Fraud rediscovered’ in: Creation 20/2 (1998), p. 49-51; www.creation.com/article/747.
  11. W.W. Ballard, 1976. Problems of gastrulation: real and verbal. Bioscience 26(1):36-39.
  12. W.J. ReMine, The Biotic Message: Evolution versus Message Theory, St Paul Science, St. Paul, Minn., VS, 1993, p. 370.
  13. Voor meer informatie over embryo’s, zie: G. Parker, Creation facts of life, Green Forest 1994; J. Vetter, ‘Hands and feet-uniquely human, right from the start!’ in: Creation 13/1 (1991) p. 16-17; www.creation.com/article/1288; W. Glover, K. Ham, ‘A surgeon looks at creation’, in Creation 14/3 (1992), p 46-49; www.creation.com/glover. (Oxford Biology Reader, Oxford University Press, 1971)

Abonneer je op onze maandelijkse nieuwsbrief!