Als jongen verslond ik de boeken van Piet Prins: Snuf de hond, Vier vrienden en een vigilante, Sheltie en de smokkelaars en al het andere wat hij heeft geschreven. Piet Prins was mijn grote ideaal. Ik wilde ook schrijver van spannende jongensboeken worden. Welnu, deze droom is deels uitgekomen want ik mag boeken schrijven! Dat is voor mij een grote Vreugde. Joy! Deels is zij niet uitgekomen omdat het geen spannende jongensboeken zijn geworden. Maar – en ik richt me tot mijn kinderen – misschien komt het daar nog eens van als ik ooit kleinkinderen zou krijgen!

Ik ben altijd bang geweest dat ik als eenzaam schrijverke op een koude zolder met mijn voeten in een bak met warm water alleen voor drie vrienden onleesbare boeken zou schrijven. Maar Wim Kranendonk van uitgeverij de Banier heeft mij van mijn zolder naar buiten getrokken en Anne Exalto redigeert elk boek met grote zorgvuldigheid. Ik ben jullie daar zeer dankbaar voor. Ik dank mijn collega Tom Hage, die deze avond heeft voorbereid en die haar vanavond voorzit. Ik dank mijn oud-collega Ad Mandemakers en mijn oud-student Theo Peters dat zij straks iets willen zeggen naar aanleiding van het boek.

We mogen hier bijeen zijn met mijn vrouw en kinderen en aanstaande schoonzoon, broer, zus en zwager, vrienden, collega’s en studenten (semperianen en 7Uvenaren!) en oud-studenten van de Driestar, kerkgenoten en andere belangstellenden. Helaas kan mijn moeder er vanwege haar broze gezondheid niet bij zijn. Mijn vader is ons vorig jaar ontvallen. Ik weet nog de witte plek tussen twee zinnen in het boek, waar ik het schrijven afbrak, met mijn vader naar de longarts ging en we het bericht kregen dat hij ongeneeslijk ziek was. Aan mijn vader, zaliger nagedachtenis, heb ik dit boek opgedragen.

Ik dank jullie allen dat jullie hier bent. Voor mij heeft deze avond iets van het Gastmaal der vrienden waar de dichteres Ida Gerhardt zo weergaloos mooi over schreef in haar gedicht
Tuin van Epicurus’:

‘Waar vriendschap open als het zonlicht is
Werd ons een ongepeild geluk beschoren’ .

We zijn niet alleen in deze koude en eenzame wereld. Dat is een grote zegen.

Graag neem ik jullie mee op een eerste verkenningstocht door het boek De gedenkbalk van het Grote Huis. Ik doe deze verkenning bij wijze van een drieluik of triptiek. In het eerste luik wil ik iets zeggen over ‘het kleine huis’ ofwel de geschiedenis van mijn voorgeslacht, waarbinnen zich mijn weg tot de geschiedenis heeft geopend. In het tweede luik wil ik iets zeggen over het Grote Huis ofwel de christelijke geloofstraditie als het perspectief of de horizon van waaruit ik naar de geschiedenis kijk. In het derde luik wil ik iets zeggen over de gedenkbalk van dit Grote Huis ofwel mijn beeld van de geschiedenis van Europa – het Avondland – in verbinding met Israël in het Nabije Oosten – het Morgenland.

1. Het kleine huis

Oergeschiedenis

Het kleine huis is niet Het kleine huis op de prairie, maar het kleine huis aan de rivier! Het kleine huis waar ik ben geboren stond en staat in de Corverstoep in Sliedrecht. Een stoep is een loodrecht op de dijk gebouwd straatje aan de binnendijkse kant, waaraan kleine, vochtige huizen staan gebouwd. Deze stoep hing letterlijk aan de dijk en wij woonden precies in ‘het hangen van de stoep’.
Ik groeide hier op in de oerwereld van ons gezin en onze familie, van de reformatorische Johannes Calvijnschool en de Christelijke Gereformeerde Bewaar het Pand Kerk.

Mijn grootouders en ouders vertelden me de verhalen van hun ouders en grootouders. Ik werd door die verhalen gegrepen. ‘Opa, vertel nog eens van vroeger’ was de vraag waarmee ik hen gek moet hebben gemaakt.

Maar altijd kwam er weer een verhaal! Over hoe mijn opa zes jaar thuis heeft gezeten in de ‘waerekelozentijd’ ofwel de economische wereldcrisis van de jaren dertig. Over de winters die zo koud waren dat er op de Merwede geschaatst kon worden.

Het liefst hoorde ik de verhalen over de oorlog. Mijn oma Mackay vertelde hoe tijdens een razzia – er was een Duitser gedood door het verzet in de Biesbosch – mijn opa in een kast in de gang was gekropen. Die kast was gemakkelijk te vinden, maar de ogen van de Duitsers werden verblind en ze hebben hem niet gevonden. Nadien zongen mijn grootouders aan het harmonium ‘Maar de Heer zal uitkomst geven’. Gods hand lag over deze geschiedenissen, dat werd al vroeg geëtst in mijn ziel.

Mijn grootouders hebben mijn hang naar het verleden wakker geschud. Ik wil de dingen vasthouden omdat ik niet goed overweg kan met de vergankelijkheid aller dingen. En vooral wil ik ook de nameloze geschiedenis van gewone mensen zoals mijn grootouders vasthouden. Zij komen nooit in de geschiedenisboeken, maar wel de groten der aarde en meestal zijn dat schurken. Er zit voor mij ook iets van gerechtigheid in dit gedenken van de nameloze namen. ‘Uw tranen heb ik in Mijn fles vergaard’, zegt God.

Persoonlijk perspectief

In mijn boek heb ik deze oergeschiedenis van mijn familie in het eerste hoofdstuk beschreven omdat ik wil dat zij wordt bewaard, maar ook omdat zij de bedding is van mijn geschiedbeoefening. Geschiedwetenschap is geen steriele, objectieve bezigheid. De historicus vertelt een verhaal en hij is zelf deel van dat verhaal. De historicus maakt geen foto, hij maakt een schilderij. Dat mag ook, dat maakt het verhaal en het schilderij levend in wetenschap én onderwijs. Zeker het onderwijs heeft dit persoonlijke perspectief heel hard nodig, want juist dan daalt datgene wat wij de nieuwe generatie leren neer in hun ziel.

In wezen voel ik me net als de verhalenvertellers uit de oertijd, die bij het kampvuur de geschiedenissen van hun stam vertelden. ‘Er was ééns’. ‘En toen, en toen …’. Deze zinsneden komen in alle talen en culturen voor. Ze markeren de universele oerervaring van ons mensen.

We vertellen verhalen en geschiedenissen aan elkaar om zo betekenis te geven aan het wondere en huiveringwekkende gegeven dat we hier zijn en dat we niet niet zijn. We vertellen verhalen en geschiedenissen om betekenis te geven aan de reis door de tijd, die we hier maken. Hiermee ontsnappen we aan de waan van de dag, aan een toevallig en momentaan heden wen gaan we leven in een groter zinsverband.

Ik hoop zeer dat de jonge generatie van onze leerlingen en studenten en dat ook jullie, lieve kinderen en schoonzoon – Joanne en Ron, Walther en Thomas – dit alles bewaart en voortdraagt en markeert op jullie gedenkbalk!

In dankbaarheid graveer ik dit alles in de gedenkbalk van mijn kleine huis aan de rivier.

2. Het Grote Huis

Zoektocht

Op de middelbare school – de Guido de Bres te Rotterdam – is mijn belangstelling voor geschiedenis verder gevoed. Op deze school hadden we voor geschiedenis en verschillende andere vakken eminente leraren – waarvan tot mijn vreugde sommigen hier aanwezig zijn. We dronken deze lessen in en verslonden de boeken die we ontdekten. Voor het mondeling geschiedenis lazen we de boeken van G. Groen van Prinsterer, W. Aalders, H. Berkhof, F. de Graaff en anderen. In al deze boeken gaat het over Gods hand in de geschiedenis. Die problematiek ging voor mij meer en meer leven en aldus is het verlangen gerezen om verder te gaan met geschiedenis.

Ik ging naar Leiden. Het was hier alles liberaal wat de klok sloeg. Er was niets christelijks te bespeuren. De studie had iets onpersoonlijks en steriels. Geschiedenis was louter menselijk gebeuren. Gods hand was geheel afwezig. Het ging om de zogeheten feitenonderzoeken van het type ‘de vlashandel in de Sont tussen 1565 en 1566’.

Ik vond dit alles schokkend. Ik miste de wereld van mijn grootouders en ik miste de Guido de Bres. Ik heb hier uiteindelijk toch maar het vak geleerd. Om voldoendes te halen heb ik me maar aan de regels gehouden. Alleen in de onderwerpskeuze heb ik mijn religieuze belangstelling een plaats gegeven. Ik ben me gaan verdiepen in de positie van de Kerk in het Midden Oosten, in het bijzonder de Koptische Orthodoxe Kerk van Egypte. Ik besloot om mijn doctoraalscriptie over de positie van de Koptische Kerk in de onafhankelijkheidsstrijd van Egypte te schrijven.

Egypte

Ik ben op studiereis naar Egypte gegaan. U ziet dat mijn grenzen toen verder weg lagen dan de drie kilometer die ik nu maximaal reis tijdens vakanties! In Egypte heb ik een ervaring gehad die voor mijn eigen staan in de Kerk én in de geschiedwetenschap beslissend was. Ik wil die ervaring graag vertellen.

Op een dag was ik naar een Koptisch Orthodox klooster gegaan midden in de woestijn, in de Wadi el Natrun. Ik zou daar een week vertoeven om het kloosterleven mee te maken en materiaal te zoeken voor mijn scriptie. Toen ik daar was aangekomen, vertelde de gastenpater me dat juist dat weekend de patriarch van de Koptische Kerk, Shenuda III, in retraite zou zijn in dit klooster. Wat ik nu niet meer zou durven, deed ik als studentje gewoon wel: ik heb de gastenpater gevraagd of ik de patriarch mocht interviewen en dat mocht zomaar.

Op zaterdagmiddag werd ik naar de binnenplaats van het klooster gebracht en daar zat de patriarch aan een kleine tafel. Hij stond op en omhelsde mij. Ik heb nog nooit een man gezien zoals hij. Zijn aangezicht glansde gelijk dat van Mozes. We gingen zitten en hij vertelde over hoe hij als monnik door het werpen van het lot tot patriarch was gekozen – iets wat hij helemaal niet gewild had. Hij vertelde over de geschiedenis van de Koptische Kerk en over hoe moeilijk de Kopten het in het heden hadden vanwege de dreiging van de Moslimbroeders.

Terwijl ik daar zat zag ik voor mijn innerlijk oog de geschiedenis van Egypte als het ware voor mij. Ik zag Mozes die het volk uitleidde uit de slavernij van Egypte en de woestijn in trok. Ik zag Jozef en Maria en het kindeke Jezus op de vlucht in Egypte. Ik zag Markus de evangelist, die de Koptische Kerk stichtte en de eerste patriarch van deze kerk werd. Ik zag de grote Athanasius naar wie onze Geloofsbelijdenis van Athanasius is genoemd en die te Alexandrië patriarch was en tegen Arius streed. Ik zag dit alles voor me en de tijd bestond niet meer.

Pas nadien heb ik beseft wat hier gebeurde. Ik werd als reformatorisch studentje uit de twintigste eeuw opgetild en ervoer hier iets van de Kerk van alle tijden en plaatsen. Patriarch Shenuda III staat in een lijn van opvolging met de evangelist Markus: Shenuda III is de 117e patriarch in deze lijn! We zijn hier niet toevallig, in een momentaan heden, om te verdwijnen in de mist, maar er is een keten van generaties. We zijn deel van de catholica, de geloofstraditie van de Kerk: het Grote Huis waarin wij mogen wonen. En, om het met de hervormde hoogleraar Van Ruler te zeggen: ‘De Reformatie is deel van de traditie van de catholica’. Ik ben nog steeds protestants en zal dat ook blijven, maar wel vanuit deze katholieke traditie!

Deze ervaring in het klooster was voor mij niet alleen belangrijk voor mijn staan in de Kerk, maar ook voor mijn staan in de geschiedwetenschap. De traditie van deze Kerk heeft immers alle eeuwen door naar een verbinding gezocht van geloven en weten. De traditie van de Kerk is de traditie van het gelovend denken van de kerkvader Augustinus en de middeleeuwer Anselmus en vele anderen. Ik wil in deze traditie staan. Te mogen wonen in het Grote Huis! Deze geloofstraditie van de Kerk is voor mij naar hart en ziel en verstand een vorm van thuiskomen.

Deze traditie van gelovend denken bracht me ertoe om weer bezig te gaan met de vraag naar de verhouding van christelijk geloof en geschiedwetenschap. Dat alles heeft ertoe geleid dat ik bij Antoon Vos en Hans de Knijff een proefschrift ben gaan schrijven, Geschiedenis bij de Bron. In 1997 heb ik dit proefschrift aan de Theologische Faculteit van de Universiteit Utrecht – die was toen nog niet opgeheven door de barbaren van de huidige tijd! – verdedigd.

De kern van dit proefschrift is dat alle wetenschap interpretatie is van de werkelijkheid vanuit een verstaanshorizon of perspectief. Deze verstaanshorizon is ten diepste een vorm van geloof. Zij is een aanname die in zichzelf rust. Wanneer dit zo is, mag ik binnen de wetenschap de werkelijkheid ook interpreteren vanuit een christelijke verstaanshorizon.

Ik verdedig me in dit proefschrift tegen de moderne seculiere wetenschap: het zogeheten naturalisme of methodologisch atheïsme. Ik verdedig me ook tegen christelijke wetenschappers, die tot mijn verbazing vinden dat geloof en wetenschap twee totaal gescheiden gebieden zijn: het zogeheten dualisme. Ik beschouw mezelf als een theïst en ik geloof niet in dualisme maar in monisme. Het gaat om een fundamentele eenheid van alle dingen. Uiteraard is geloof veel meer dan wetenschap. Geloof is iets dat we door de genade Gods mogen ontvangen in een weg van wedergeboorte en bekering. Geloof gaat alle verstand te boven. Maar geloof gaat niet tegen de door God verlichte rede in. Het geloof raakt ook ons denken aan. In Gods licht zien wij het licht.

Mijn verstaanshorizon is aldus de geloofstraditie van de Kerk: het Grote Huis. De reis naar dit Grote Huis was een immense zoektocht, die via Egypte naar Sliedrecht liep – de omweg is altijd de kortste weg!

Ik markeer deze ontdekking van het Grote Huis, als perspectief voor een christelijk verstaan van de geschiedenis, in immense dankbaarheid op de gedenkbalk.

3. De Gedenkbalk

Algemeen beeld

Het beeld van de gedenkbalk heb ik aan één van de boeken van Piet Prins ontleend: Vier vrienden op de kloosterhoeve. Dit boek is dus eigenlijk ook een ode aan mijn held uit de kinderjaren! In dat boek zijn Jaap Hoogeveen en zijn vrienden op vakantie in de boerderij van de familie Hoogeveen. In die boerderij is een gedenkbalk. Een dikke, eeuwenoude eiken balk waarin de hoogtepunten van de geschiedenis van de Hoogeveens staan gekerfd. De grootvader vertelt ’s avonds bij het haardvuur de verhalen die achter de inkervingen op de gedenkbalk schuil gaan. Zeer indrukwekkend is het verhaal van een Hoogeveen die het geloof vaarwel zei en de idealen van de Franse Revolutie was toegedaan. Hij ging mee op Napoleons veldtocht naar Rusland. In de diepste nood heeft God hem aangeraakt en is hij teruggekeerd naar huis, waar zijn vader hem van verre zag komen. In de balk staat de inkerving: ‘1812 – 1813: En als hij nog verre was, zag hem zijn Vader en werd met innerlijke ontferming bewogen’.

Ik heb deze gedenkbalk breder getrokken. Zij hangt niet alleen in het kleine huis van de Hoogeveens of van mijn voorgeslacht, maar zij hangt in het Grote Huis van de geloofstraditie van de Kerk. Ik mag mijn persoonlijke, door de christelijke geloofstraditie gekleurde inkervingen in de gedenkbalk van de geschiedenis maken. Ik doe dat op een breed vlak van kerk en staat, filosofie en wetenschap, kunst, muziek en letteren.
Ik wijs niet zozeer Gods hand aan – behalve op sommige momenten waar ik die werkelijk meen te zien – maar geef een christelijk gekleurd beeld van de geschiedenis.

Waar zien we iets van Gods licht schijnen over onze geschiedenis en waar iets van de duisternis van het kwaad? De geschiedenis heeft aldus iets van een schaduwland – Shadowlands – want schaduw impliceert licht!

Welke plaats heeft de Kerk der eeuwen gehad in Europa? Over de Kerk wordt momenteel zeer negatief gesproken, maar hoe zou de wereld eruit zien zonder haar? Waar zou dan de barmhartigheid zijn? Dan waren we nog steeds de Germanen, die we nu meer en meer weer aan het worden zijn!

Net als de Middeleeuwers begin ik de gedenkbalk ‘ab Adamo’, vanaf Adam. God schiep deze werkelijkheid. God schiep Adam en Eva en plaatste hen in het paradijs. God had ook niet kunnen scheppen. Het meest wonderlijke is dat de werkelijkheid is en dat zij niet niet is.

God schiep de werkelijkheid overeenkomstig Zijn liefde. God is liefde. Liefde is het grondmotief van de schepping. Liefde wil wederbemind worden.
Liefde veronderstelt echter ook de mogelijkheid van de niet-liefde, van het nee, van het kwaad, anders zou liefde geprogrammeerd en onvrij zijn. God schiep niet het kwaad, maar Hij schiep de mogelijkheid van het kwaad. Een schepping der liefde is een riskante schepping: het kan fout gaan. Het had ook goed kunnen gaan: hoe zou het dan geweest zijn?

Maar, zo wij allen weten, het is niet goed gegaan. Het paradijs is verworden tot een waste land, een jungle, een wereld waarin het kwaad dagelijks toeneemt. Wat een ontzaglijke werkelijkheid. Dag voor dag worden wij hiermee geconfronteerd. Wat een lijden is er in de geschiedenis. Het had er niet hoeven zijn.

Zo is na de week der schepping de week der geschiedenis begonnen. Augustinus spreekt in zijn magistrale boek De stad Gods van de zeven dagen of tijden der geschiedenis. De eerste vijf dagen zijn de tijd van Adam tot Christus, de zesde dag is de tijd vanaf Christus tot heden en de zevende dag de eeuwige sabbat, de komst van Gods koninkrijk.

Wij werken helaas al lang niet meer met deze indeling en volgen de moderne, autonome, zakelijke indeling van Jean Bodin (16e eeuw): oudheid, middeleeuwen en nieuwe tijd. Ik hanteer die nieuwe indeling ook wel, maar tegelijkertijd gebruik ik ook de indeling van Augustinus.

Rode draad

De rode draad van mijn markeringen op de gedenkbalk is de relatie tussen Gods eeuwig koninkrijk en de aardse geschiedenis. Dit immense spanningsveld tekent heel de geschiedenis van de joods-christelijke wereld: Gods koninkrijk is niet van deze wereld en tegelijk krijgt het wel een bepaalde gestalte in deze wereld. Het gevaar aan de ene kant is dat de Kerk verwereldlijkt en autonoom wordt: zichzelf lossnijdt van God. Het gevaar aan de andere kant is dat zij Gods rijk hier op aarde reeds wil vestigen en vooruitloopt op de toekomstige werkelijkheid Gods. Anders gezegd: het is het spanningsveld tussen een verdwijnende hemel en een hemel die te dicht bij komt. Tussen die twee uitersten ligt de smalle marge van de heteronomie, de afhankelijkheid van God, die we hier op aarde hebben als mensen die hier niet wonen maar reizen en vertoeven.

Na de zondeval is God met Israël een weg gegaan van herstel en herschepping. Op meerdere plaatsen in het Oude Testament wordt Israël als tuin, hof of paradijs geschetst. Helaas keerde Israël zich vaak van God af en liet de hof verwilderen.

Ten laatste zond God Zijn Zoon, Christus. Jezus van Nazareth trad binnen in de geschiedenis. Welk een grondeloos diep mysterie ligt hier! Christus ging door de hof van Getsemané tot op het groene hout van het kruis ter verzoening, verlossing en herschepping. Hij werd in de tuin van Jozef van Arimathea begraven. Toen Maria Magdalena vroeg op de sabbat, toen het nog morgen was, Hem zag, dacht zij dat het de Tuinman was. In wezen was Hij dat ook. De nieuwe Adam, de Eersteling der herschapen tuin.

Vanuit het Morgenland werd het licht van Christus naar het Avondland gebracht. ‘Europa’ is een Griekse godin en het woord ‘Europa’ is waarschijnlijk afgeleid van het Fenicische woord ‘ereb’ dat ‘Avondland’ betekent .

Europa werd christelijk. Het licht kwam uit het oosten: Ex Oriente Lux. Onvoorstelbaar dat ook hier het licht Gods ging schijnen en de weg naar ons is toegekomen.

In de eerste drie eeuwen werd de kerk hier ernstig vervolgd door het antichristelijke Romeinse rijk. In de vierde eeuw werd de Romeinse keizer, Constantijn de Grote, bekeerd. Wat betekende dit? Hoe moest je duiden dat Rome christelijk werd? Was dit het begin van het Godsrijk of van het duizendjarig vrederijk?

Men greep terug op de oude profetie van Daniël aangaande Nebukadnezars droom van het beeld over de toekomstige wereldrijken Babel, Medië-Perzië, Griekenland en Rome. Men ging het zo zien dat sinds Rome christelijk was geworden de macht van Rome is overgedragen op Christus: ‘Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde’. Er ontstond aldus een christelijk rijk waarin de keizer en de patriarch van Rome in wereld en kerk aan het hoofd stonden.

Deze leer van de overdracht van de rijksmacht heet de translatio imperii. Vaak worden bepaalde symbolen aan deze rijksmacht gekoppeld, zoals het kruis, de lans waarmee Christus doorstoken werd door de Romeinse soldaat Longinus en de graal of beker van Christus.

Ik heb in mijn boek op deze machtsoverdracht een groot accent gelegd. Volgens mij is zij een rode draad of Leitmotiv in heel de Europese geschiedenis. Via Constantijn de Grote ging de rijksmacht over op de Merovingen en de Karolingen, met name Karel de Grote is een zeer intrigerende persoon in dezen. Via hem ging de macht over op de Duitse keizers. Al deze vorsten zagen Europa als het rijk van Christus. Zij beschermden dit tegen het gevaar van de Islam, die voortdurend de grenzen wilden binnendringen. Volgens verschillende tradities bezaten de christelijke keizers de lans van Longinus.

In de zestiende eeuw was het keizer Karel V die als laatste deze Europese idee heeft geprobeerd te handhaven. Maar het ene Europa geraakte religieus en politiek verdeeld. Het lichaam van Christus was in tweeën gescheurd. In Trente (1545 – 1563) wilde men dit oude rijk nog herstellen en nadien heeft Ferdinand II van Habsburg dit daadwerkelijk geprobeerd tijdens de Dertigjarige Oorlog (1618 – 1648), maar het is mislukt.

Vooral in de 17e en 18e eeuw trad de moderniteit binnen in Europa. In de Franse Revolutie kreeg de Kerk het zeer zwaar, meer dan 4000 kerken en kloosters werden verwoest. Niet langer droeg Christus de macht, maar de godin der Rede – gespeeld door een actrice – betrad de troon. Deze revolutie had een Europese revolutie moeten worden, maar zij heeft zichzelf vernietigd.

In de algehele chaos die volgde, kwam Napoleon op. Hij wilde de oude, Europese rijksmacht naar zichzelf toe trekken. Zeer opmerkelijk is dat hij zich als een Merovinger zag en kleedde. Hij zou ook de lans van Longinus hebben bezeten. Bij Waterloo werd Napoleon in 1815 verslagen en ging de lans naar alle waarschijnlijkheid over in handen van keizer Franz-Joseph van Oostenrijk-Hongarije, die de lans bewaarde in de Hofburg te Wenen.

Tegenover Napoleons moderne, autonome idee van Europa werd op instigatie van tsaar Alexander I en Mw. de Krüdener een Heilige Alliantie gesmeed, waarin christelijk Rusland en christelijk West-Europa zij aan zij stonden. Tsaar Alexander I zag zichzelf in feite als de nieuwe drager van de rijksmacht. De Kerk poogde middels het katholieke en het protestantse Réveil het oude ideaal van een christelijk Europa te doen herleven. Helaas is dit niet meer gelukt.

Terwijl bovengronds i Europa de verlichting en de Franse Revolutie doorwerkten, groeide en bloeide ondergronds een eosterische of verborgen traditie in bijvoorbeeld de theosofie en het spiritisme. In de late 19e en de vroege 20e eeuw bloeide hier ook de Ariosofie. Binnen deze geheime leer geloofde men dat er een Indo-Germaans lichtrijk – licht uit het Oosten – zou komen onder leiding van een wereldheerser of Messias. De swastika ofwel het hakenkruis was hiervan het symbool. Er ligt een nauwe relatie tussen deze Ariosofie en het latere Nazisme. Verschillende kopstukken van de Nazi’s zoals Himmler en Eckhart hadden ariosofische leermeesters zoals Von Seebottendorf en Lanz von Lebenfels.

De jonge Adolf Hitler maakte in Wenen, waar hij als gesjeesde kunstenaar over de straten zwierf en op bankjes in het park sliep, kennis met de Ariosofie. Hij ging zich sindsdien langzaam maar zeker zien als deze Messias van het lichtrijk. Hitler was geobsedeerd door de lans van Longinus. Bij de inval in Oostenrijk in 1938 zou hij de lans hebben weggenomen en naar Berlijn hebben gebracht.

In mijn ogen is Hitler een tegengestalte van Gods Koninkrijk, een antichristelijke macht. Hij wilde het rijk van Christus vernietigen en vervangen door een pre-christelijk, Indogermaans rijk. Het is mijns inziens om die reden dat hij de Joden wilde vermoorden – Gods volk en oogappel immers – en ook kritische christenen als Bonhoeffer en Von Haeften heeft vervolgd en vermoord. Uiteindelijk pleegde Hitler zelfmoord tijdens de Walpurgisnacht op 30 april – tot op heden wordt deze nacht door satanisten gevierd – en is zijn rijk gevallen. De duisternis is aan het licht gebracht. Gods licht overwon.

Na de Tweede Wereldoorlog is Europa uiteen gevallen langs de scheidslijn van communisme en kapitalisme. In Oost-Europa is de Kerk genadeloos vervolgd door antichristelijke dictators als Stalin en Brezjnev. Met name Stalin heeft vele kerken vernietigd of laten sluiten. Miljoenen mensen zijn vermoord. Vele christelijke en andere dissidenten zijn in de Goelacharchipel verdwenen. De communisten wilden het Godsrijk geheel losgemaakt van God op aarde vestigen: de communistische hemel.

Het moderne West-Europa heeft na de oorlog middels de EEG en de EU de Europese idee een volstrekt seculiere kleur gegeven. Het oude, christelijke idee van Europa is vrijwel geheel verdwenen. Europa is een aards rijk geworden. Het is verzwakt en Amerika – in hoge mate een smeltkroes van Europese en christelijke elementen – vormt tot heden het nieuwe centrum van de macht. De lans van Longinus schijnt door de geallieerden in 1945 vanuit Neurenberg naar Amerika te zijn gebracht.

Tegelijk is in 1948 de staat Israël gesticht: de vijgeboom bloeit. De internationale strijd lijkt zich heden te concentreren rond het Westen, Israël en de Islamitische wereld. Het communisme is gevallen en de Russische Kerk bloeit weer als ooit tevoren. Is het herstel van de tuin Gods aanstaande? Gaan we nog meemaken in onze tijd dat heel Israël zal zalig worden en dat Avondland en Morgenland elkaar werkelijk gaan ontmoeten in Christus? We weten het niet. Hoe het ook zij, we moeten waken op de muren.

Al deze tekenen van het licht Gods en van de duisternis der eeuwen zijn in verwondering en verbijstering op de gedenkbalk gemarkeerd.

Conclusie

We hebben onze verkenningstocht gemaakt. Het kleine huis, het grote Huis en de gedenkbalk van de geschiedenis zijn in enkele grondtrekken getekend. De kern daarvan is dat we in onderwijs en wetenschap vanuit een persoonlijk, christelijk perspectief onze inkervingen mogen maken op de gedenkbalk van het Grote Huis.

Heel deze geschiedenis is een schaduwland. Zij is een strijd tussen licht en anti-licht. Er is onnoemelijk veel lijden, verdriet en dood in de geschiedenis gekomen. Zonder het licht Gods dat schijnt in het Grote Huis zou de geschiedenis zelfs geen schaduwland zijn, maar een Egyptische duisternis of een duisternis als de drie-urige duisternis op Golgotha.

Maar Gode zij dank is Christus door dit alles heen gegaan. ‘En de vader zag Hem van verre komen’. Door Hem en in Hem is er een nieuwe dageraad der geschiedenis: het herschapen paradijs, Gods eeuwig Koninkrijk. Dan zal er geen moeite en verdriet, ziekte en gekrijt, dood en rouw meer zijn, want God maakt alle dingen nieuw.

Sliedrecht, 29 X – 5 XI 2018 A.D.

Afsluitend gebed

Gebed van Ambrosius – ‘O Lux, beata Trinitas’.

O zalig licht, Drievuldigheid,
die één in hart en wezen zijt,
de grote zon daalt in de nacht,
o licht, houd in ons hart de wacht.
U loven we in de dageraad,
U smeken wij deze avond laat,
geef dat ons lied uw lof verspreidt
van eeuwigheid tot eeuwigheid.
Aan God de Vader zij de eer,
aan God de Zoon voor immermeer,
aan God de Geest die troost en leidt
Zij lof tot in der eeuwigheid.

Avondgebed van Maarten Luther

HEER, blijf bij ons, want het is avond en de nacht zal komen.
Blijf bij ons en bij uw ganse kerk aan de avond van de dag,
aan de avond van het leven, aan de avond van de wereld.
Blijf bij ons met uw genade en goedheid,
met uw troost en zegen,
met uw woord en sacrament.
Blijf bij ons wanneer over ons komt
de nacht van beproeving en van angst,
de nacht van twijfel en aanvechting,
de nacht van de strenge, bittere dood.
Blijf bij ons in leven en in sterven,
in tijd en eeuwigheid.

Het boek De gedenkbalk van het Grote Huis van dr. Mackay wordt in onze webshop te koop aangeboden. Deze lezing werd uitgesproken tijdens de boekpresentatie op 9 november 2018.

LEUK ARTIKEL?
Bent u blij met dit artikel? Het onderhoud en de ontwikkeling van deze website vragen financiële offers. Zou u ons willen steunen met een maandelijkse bijdrage? Dat kan door ons donatieformulier in te vullen of een bijdrage over te schrijven naar NL53 INGB000 7655373 t.n.v. Logos Instituut. Logos Instituut is een ANBI-stichting en dat wil zeggen dat uw gift fiscaal aftrekbaar is.

Written by

Als jongen verslond ik de boeken van Piet Prins: Snuf de hond, Vier vrienden en een vigilante, Sheltie en de smokkelaars en al het andere wat hij heeft geschreven. Piet Prins was mijn grote ideaal. Ik wilde ook schrijver van spannende jongensboeken worden. Welnu, deze droom is deels uitgekomen want ik mag boeken schrijven!

...
Read more