Behalve Mattheüs, Markus, Lukas en Johannes zijn er nog andere evangeliën. Deze boeken zijn in de eerste eeuwen na Christus geschreven, maar niet in het Nieuwe Testament opgenomen. Kritische geleerden en populaire schrijvers zoals Dan Brown beweren dat deze andere evangeliën wel in de Bijbel thuishoren. Is dat ook zo?

12 EVANGELIËN OP EEN RIJTJE

De gnostische evangeliën onderscheiden zich van de Evangeliën van Mattheüs, Markus, Lukas en Johannes. Je kunt dat zien aan de datering en de vermoedelijke auteur.

Titel Datering Vermoedelijke auteur
Evangelie van Petrus tweede eeuw onbekend
Evangelie van Maria (Magdalena) tweede eeuw onbekend
Evangelie van Thomas tweede eeuw onbekend
Het Voor-evangelie van Jakobus tweede eeuw onbekend
Evangelie der Waarheid tweede eeuw onbekend
Evangelie van Judas tweede eeuw onbekend
Evangelie van Filippus derde eeuw onbekend
Evangelie van Nicodemus vierde eeuw onbekend
Evangelie van Mattheüs 50-70 n. Chr. Mattheüs (Levi)
Evangelie van Markus 40-60 n. Chr. Johannes Markus
Evangelie van Lukas 50-70 n. Chr. Lukas
Evangelie van Johannes 60-95 n. Chr. Johannes

Na het optreden van Jezus was er niet direct een boek over Hem, laat staan een compleet Nieuwe Testament. Voor zover bekend werd Zijn levensverhaal binnen een generatie na Zijn optreden opgeschreven. Toen ontstonden de Evangeliën van Mattheüs, Markus, Lukas en Johannes, die in de eerste gemeenten werden verspreid, gelezen en erkend. Het duurde echter lang voordat deze Evangeliën, samen met andere boeken, formeel werden opgenomen in de verzameling die het Nieuwe Testament ging heten. Deze verzameling (de canon) werd pas in de vierde eeuw vastgesteld. In de tussentijd werden er ook allerlei andere boeken geschreven, die in de meeste gemeenten níét werden gelezen en die daarom ook niet in de canon van het Nieuwe Testament werden opgenomen.

Wat is een Evangelie?

DE MISSIE VAN DAN BROWN
De Amerikaan Dan Brown (1964) was eerst leraar Engels en popzanger, en is nu de schrijver van een aantal oppervlakkige thrillers. Daarvan is De Da Vinci Code de bekendste. Brown ziet het als zijn missie een alternatieve versie van het ontstaan van het christendom te verspreiden. Hierbij gebruikt hij vaak apocriefe evangeliën en andere apocriefe literatuur om zijn romans van een ‘feitelijke’ basis te voorzien.
De titel ‘evangelie’ wordt gebruikt voor een specifiek soort christelijk boek. Het Griekse woord ‘evangelie’ (euangelion) betekent ‘goed nieuws’, en Markus gebruikt het in de eerste zin van zijn boek. Hij bedoelt er de boodschap van Jezus mee. Maar al snel werd ‘evangelie’ de aanduiding van een nieuw genre: een boek over het leven van Jezus van Nazareth. Behalve de vier Evangeliën die in de Bijbel zijn opgenomen, kwamen er ook andere boeken die het opschrift ‘evangelie’ droegen. Deze apocriefe evangeliën zijn een heel gevarieerde groep geschriften, die weinig onderlinge overeenkomsten vertonen. En misschien wel belangrijker: ze zijn allemaal lang na het leven van Jezus geschreven. Je zou op grond van de titel ‘evangelie’ verwachten dat deze boeken het leven van Jezus beschrijven. Dat gebeurt alleen in het Evangelie van Petrus. Dat is een boek uit de tweede eeuw, waarvan slechts fragmenten over het einde van Jezus’ leven bewaard zijn. Daarin lees je dat op de paasmorgen twee engelen Jezus uit het graf haalden, en dat er een kruis achter hen aan uit het graf kwam. Er is ook een ‘evangelie’ met onderwijs dat aan Jezus wordt toegeschreven, maar zonder geschiedenissen: het Evangelie van Thomas. Wat opvalt aan dit boek is dat de beschrijving van het leven van Jezus ontbreekt. ‘Thomas’ vertelt niets over Jezus’ lijden en opstanding. Ook deze tekst is uit de tweede eeuw en dus niet door de apostel Thomas geschreven (zie voor enkele merkwadige citaten uit dit evangelie het kader op de volgende pagina). En dan zijn er nog ‘evangeliën’ die andere dingen bevatten dan de Bijbelse Evangeliën, vaak zogenaamd onderwijs van de opgestane Jezus. Een voorbeeld is het Evangelie van Filippus (zie kader boven), waarin de menselijkheid van Jezus uit het zicht verdwijnt. Het bevat diepzinnige uitspraken, waarin de kerk enhaar boodschap over Jezus vaak worden bekritiseerd. Andere ‘evangeliën’ bevatten fictieve uitspraken van Jezus uit de periode tussen Zijn opstanding en Zijn hemelvaart. Een voorbeeld hiervan is het Evangelie van Maria (van Magdala).

Gnostisch

TWEE CITATEN UIT HET EVANGELIE VAN THOMAS
Zalig de leeuw, die een mens zal opeten, en de leeuw zal mens worden.’ (Spreuk 7)

Iedere vrouw die een man wordt, kan ingaan in het koninkrijk der hemelen.’ (Spreuk 114b)

Een aantal apocriefe evangeliën zijn gnostisch. Dit betekent dat je er een dwaalleer in vindt die in de tweede eeuw opdook als gevolg van de ontmoeting tussen christenen en het Griekse denken van die tijd. De gnostiek was ook een reactie op de kerk, waarvan mensen van allerlei rangen en standen lid waren. Gnostiek had iets elitairs over zich, met inzichten die alleen voor ingewijden bekend waren. Wie zich deze inzichten eigen maakte, had geen verlossing door het kruis meer nodig, maar werd gered door zijn eigen kennis. ‘Gnostiek’ komt van het Griekse woord ‘gnosis’, dat kennis betekent. Gnostici geloofden dat als je maar begrijpt wie je bent en hoe de wereld in elkaar zit, je jezelf kunt redden. Jezus is in dit denken slechts de brenger van de juiste, hemelse informatie. ‘Heil de mens die tot zichzelf komt en ontwaakt’, staat in het zogenoemde ‘Evangelie der Waarheid’. Een belangrijk gnostisch inzicht was dat mensen niet op aarde thuishoren en dat de schepping een foutje was van een lagere god. Mensen horen in de hemel. Wie de juiste kennis heeft, kan zich losmaken van het aardse leven. Dit denkbeeld (dualisme), een valse tegenstelling tussen hemel en aarde, komt rechtstreeks uit de filosofieën van Plato. Overigens zijn niet alle apocriefe evangeliën gnostisch, zoals het Voor-evangelie van Jakobus, waarin je ‘informatie’ krijgt over Jezus’ moeder en haar ouders. Ook zijn er fragmenten van het Evangelie van de Ebionieten, een Joodschristelijke sekte, en een zogenoemd Evangelie van de Hebreeën, waarin de Heilige Geest de moeder van Jezus wordt genoemd.

Wie besliste?

Kritische geleerden stellen dat de kerk niet het recht had om bepaalde evangeliën buiten de canon te houden, en dat de gnostiek ten onrechte werd onderdrukt. Deze kritiek is om een aantal redenen onzinnig. In de tijd waarin de beslissingen vielen, was de kerk nog een kleine, zwakke groep, die door de Romeinse overheid soms werd vervolgd en vaak werd tegengewerkt. Moderne complottheorieën zeggen dat de kerk iets te verbergen had. In werkelijkheid wilde de kerk haar leden beschermen tegen verkeerde ideeën over Jezus. Daartoe had ze het volste recht. Het is maar goed dat niet alle evangeliën in je Bijbel staan!

WAAROM NIET IN DE CANON?
De vroege kerk moest keuzes maken. Er waren allerlei evangeliën, maar welke hoorden in de canon thuis? Dat was geen moeilijke keuze, er is destijds nooit serieus aan getwijfeld. Als je de bronnen leest, zie je dat de kerk drie criteria had:

  1. Algemeen gebruik. Vier van de Evangeliën werden overal in de gemeenten gebruikt en geloofd – de andere hadden alleen de steun van sektarische groepen. Geen wonder dat deze vier in de canon bleven en de rest niet werd toegelaten.
  2. Apostoliciteit. Boeken van het Nieuwe Testament moesten geschreven zijn door een apostel, een directe volgeling van Jezus, of door iemand vlakbij een apostel. De Evangeliën van Mattheüs en Johannes werden toegeschreven aan apostelen, dus dat zat wel goed. Het Evangelie van Markus was verbonden aan Johannes Markus, die in het Nieuwe Testament wordt genoemd en bekendstond als de tolk van de apostel Petrus (Handelingen 12:12, 25, Filemon vers 24 en 1 Petrus 5:13). Zodoende droeg zijn Evangelie het gezag van Petrus. Op dezelfde manier werd het derde Evangelie toegeschreven aan een reisgenoot van Paulus, de arts Lukas (Kolossenzen 4:14, Filemon vers 24, 2 Timotheüs 4:11) en had dus diens gezag.
  3. Goede inhoud (orthodoxie). Sommige apocriefe ‘evangeliën’ wekten de indruk dat Jezus niet echt mens was geworden. Bijna allemaal doen ze afbreuk aan de waarde van Zijn aardse leven.

Dit artikel is met toestemming overgenomen uit Weet Magazine. De volledige bronvermelding luidt: Lalleman, P.J., 2018, Heeft Jezus dat echt gezegd? Waarom andere ‘Evangeliën’ niet in de Bijbel thuishoren, Weet 54: 44-46 (PDF).

LEUK ARTIKEL?
Bent u blij met dit artikel? Het onderhoud en de ontwikkeling van deze website vragen financiële offers. Zou u ons willen steunen met een maandelijkse bijdrage? Dat kan door ons donatieformulier in te vullen of een bijdrage over te schrijven naar NL53 INGB000 7655373 t.n.v. Logos Instituut. Logos Instituut is een ANBI-stichting en dat wil zeggen dat uw gift fiscaal aftrekbaar is.

Written by en

Dr Pieter J. Lalleman is een nieuwtestamenticus die sedert 2000 in Londen woont en werkt, waar hij doceert aan Spurgeon’s College en “Academic Dean” is. Hij studeerde theologie in Utrecht en Groningen. Hij promoveerde op een apocriefe tekst, de Handelingen van Johannes. Hij doceerde Nieuwe Testament aan de Evangelische Hogeschool en aan het Seminarium van de Unie van Baptistengemeenten. Hij werkte mee aan de Studiebijbel en het tijdschrift Ellips.