De biologie zit vol convergentie – herhaalde ontwerpen in ver van elkaar staande soorten. Bijvoorbeeld bij buideldieren en placentadieren, zoogdieren met verschillende reproductieve ontwerpen. Placentadieren hebben een enorme groei in het embryonale stadium via de voedingsstoffenrijke placenta, terwijl buideldieren geen placenta hebben en na de geboorte een enorme ontwikkeling doormaken. Maar overigens zijn wel bij veel soorten de ontwerpen vergelijkbaar. De suikereekhoorn, een vliegende buideldier en de vliegende eekhoorn, een placenta eekhoorn, hebben bijvoorbeeld opvallende overeenkomsten, inclusief hun huiden die uitgespreid van pols tot enkel, de mogelijkheid bieden over grote afstanden te zweven. Maar evolutionisten moeten geloven dat deze duidelijke overeenkomsten afzonderlijk en onafhankelijk evolueerden. Omdat de ene een buideldier en de ander een placentadier is moeten die twee groepen veel eerder in de evolutionaire geschiedenis uiteen gegaan zijn. Simpel gezegd, evolutionistische willekeurige mutaties moeten tientallen ontwerpen in deze twee groepen hebben gedupliceerd. Lijkt dat niet op bliksem die twee keer op dezelfde plek inslaat?

Het lijkt op bliksem die twee keer inslaat, maar voor evolutionisten – die het idee al hebben aanvaard dat eekhoorns, evenals alle andere soorten trouwens, door toevallige mutaties zijn ontstaan – is dit niet moeilijk te geloven. Het gebeurde eenvoudig twee keer in plaats van één keer (of meerdere keren, als er sprake is van een groot aantal convergenties).

Wat echter dikwijls niet wordt begrepen, zowel door evolutionisten als door hun critici, is dat convergentie een heel ander theoretisch probleem oplevert. Simpel gezegd, een fundamenteel bewijs en motivatie voor evolutie is het patroon van overeenkomsten en verschillen bij verschillende soorten. Volgens de evolutietheorie past een soort heel precies in een evolutionair patroon. Soorten op dezelfde tak in de evolutionaire levensboom hebben een hechte relatie via gemeenschappelijke afstamming. Daarom delen ze overeenkomsten veel consistenter met elkaar dan met soorten in andere takken. Dit is een heel specifiek patroon en het kan gebruikt worden om verschillen en overeenkomsten tussen soorten te voorspellen, als men weet waar in de evolutionaire boom ze zich bevinden.

Convergentie is in strijd met dit patroon. Convergentie onthult opvallende overeenkomsten tussen verschillende takken. Dit laat evolutionisten worstelen om erachter te komen hoe de spreekwoordelijke bliksem twee keer zou kunnen inslaan, zoals geïllustreerd in een recent symposium1

“Wijst convergentie primair op adaptatie of of op noodzakelijkheid? Hoe vaak moet convergentie worden verwacht? Zijn er algemene principes die ons in staat stellen om te voorspellen waar en wanneer en door welke mechanismen de convergente evolutie moet plaatsvinden? Welke rol speelt de natuurlijke historie bij het bevorderen van ons begrip van algemene evolutionaire principes?”

Het is geen goed teken dat in de eenentwintigste eeuw evolutionisten nog in verwarring zijn over convergentie, die wijdverbreid is in de biologie, en over hoe dit plaatsvindt. Dit is beslist een probleem voor de evolutietheorie. Maar een nog groter fundamenteel probleem, waarmee evolutionisten geen rekening hebben gehouden, is dat convergentie het evolutionistische patroon schendt. Ongeacht de verklaringen van aanpassing versus noodzaak, en alle andere mechanismen die evolutionisten kunnen of zullen voorstellen, blijft het fundamentele feit bestaan: een fundamenteel bewijs en voorspelling van de evolutie is gefalsificeerd.

De soorten vallen niet in het verwachte evolutionaire patroon

Het falen van fundamentele voorspellingen – en zeker een ernstige misser – is fataal voor wetenschappelijke theorieën. Het toont aan dat evolutie niet als een wetenschappelijke theorie is maar als een ad hoc verzonnen verhaal. Een soort laat het verwachte evolutionistische patroon zien – behalve wanneer dat niet het geval is. In die gevallen passen ze in een ander patroon.

Dus ongeacht hoe je positie is in het evolutiedebat, begrijp alsjeblieft dat pogingen om convergentie in evolutionistische theorie te verklaren, hoewel belangrijk in de normale wetenschap, niets doet om het onderliggende theoretische probleem, dat desastreus is, te verhelpen. Religie drijft wetenschap, en het is belangrijk.

Dit artikel is met toestemming overgenomen van Darwin’s God. Het originele artikel is hier te vinden.

Voetnoten

  1. https://www.journals.uchicago.edu/doi/abs/10.1086/692111.

LEUK ARTIKEL?
Bent u blij met dit artikel? Het onderhoud en de ontwikkeling van deze website vragen financiële offers. Zou u ons willen steunen met een maandelijkse bijdrage? Dat kan door ons donatieformulier in te vullen of een bijdrage over te schrijven naar NL53 INGB000 7655373 t.n.v. Logos Instituut. Logos Instituut is een ANBI-stichting en dat wil zeggen dat uw gift fiscaal aftrekbaar is.

Written by

Dr. C.G. Hunter heeft een Ph.D. in Biophysics and Computational Biology van de University of Illinois. Hij is momenteel adjunct professor science and religion aan Biola University.