Op 29 november was er een studiedag over het boek “En God zag dat het goed was”. In dit boek proberen de meeste van de 25 auteurs te beschrijven wat de gevolgen van de evolutietheorie zijn voor het lezen van de Bijbel en het christelijk geloof. In bijdragen in het RD (4 november 2019, Forum p.16) en het ND (2 december 2019) wordt over deze bedoeling van dit boek door twee auteurs, Rik Peels en Jeroen de Ridder, uitgeweid. Hieronder volgt een commentaar op wat zij te berde brengen.

Bij Rik Peels valt op, dat hij een discussie over de natuurwetenschappelijke status van de evolutietheorie wil vermijden. En wel om drie redenen. Allereerst: vrijwel alle wetenschappers – de experts – waaronder veel christelijke biologen, aanvaarden deze theorie. Plus dat het creationisme de reguliere wetenschap niet heeft overtuigd van de onjuistheid van de evolutietheorie. Tenslotte: het wereld en mensbeeld dat evolutiepaus Richard Dawkins afleidt uit de evolutietheorie heeft niets met biologie te maken en kan als een vorm van sciëntisme worden af geserveerd.

Wat Dawkins betreft: hij trekt inderdaad vergaande levensbeschouwelijke consequenties uit de evolutietheorie. Die zijn, zo stelt Peels terecht, niet dwingend. Toch blijft staan dat Dawkins uitgaat van de standaard wetenschappelijke opvatting over evolutie. Die komt er op neer, dat volstrekt willekeurige mutaties in miljarden jaren tot steeds weer nieuwe vormen van genetische informatie hebben geleid. Door dit totaal ongestuurde, blinde proces zouden alle levensvormen op aarde zich vanuit een eencellig oer organisme hebben ontwikkeld. Dit is de kern van de evolutietheorie.

Het klopt dat je – los van de Bijbel – niet op voorhand kunt uitsluiten dat God op deze manier het leven op aarde zich heeft laten ontwikkelen. Maar met de Bijbel in de hand zie je al snel, dat je met deze deïstische opvatting de notie verliest dat God zelf actief scheppend bezig is geweest. Het constante refrein in Genesis 1 van ‘God sprak en het was er’ suggereert dit in hoge mate.

Wat betreft de geldigheid van de evolutietheorie is het springende punt, of toevallige mutaties inderdaad nieuwe genetische informatie kunnen genereren. Dit is een natuurwetenschappelijke vraag. Rik Peels wil die dus vermijden. Ook in het boek van Gijsbert van den Brink ‘En de aarde bracht voort’ wordt deze kwestie genegeerd.

Dat een destructief mechanisme als toevallige mutaties – in feite kopieerfoutjes in het DNA – de motor van het evolutieproces is: daar staat men klaarblijkelijk liever niet bij stil. Ook zogenaamde wetenschappelijke experts doen dat niet. Waarschijnlijk gebeurt dit niet met opzet. Zij zijn alleen experts op hun zeer specialistische deelterrein. Zij richten zich op specifieke deelhypothesen en houden zich veel minder bezig met macro-aspecten van de evolutietheorie. Die worden als gegeven aangenomen.

Zo wordt verondersteld dat mutaties op lange termijn vanzelf nieuwe genetische info en dus nieuwe levensvormen opleveren (claim 1).

Net zo gaat men er vanuit, dat de volgorde van de fossielen in de aardlagen het macro-evolutieproces aantoont (claim2).

Verdiep je je in de bovenstaande macro-inhouden van de evolutietheorie dan blijkt dat daar echt heel weinig van klopt. Wiskundige analysen laten zien dat een proces van volledig willekeurige mutaties binnen de totale veronderstelde geschiedenis van het leven op aarde van 4,5 miljard jaar hooguit één nieuw gen dat een functioneel eiwit produceert (met maar 150 aminozuren) zal opleveren. En dan ga je al uit van een reeds bestaand gen. Hoe dat er moet zijn gekomen is ook nog eens een groot raadsel. Duidelijk is in ieder geval, dat willekeurige, blinde mutaties niet de miljoenen genen kunnen produceren die de ontwikkeling van alle levensvormen op aarde vereisen. Darwin kon dit in zijn tijd niet weten, hij wist niet eens wat mutaties waren. Wij weten dat nu wel.

Wat de fossielen betreft. Het archief van fossielen in de aardlagen is het toonbeeld van non-evolutie. Darwin wist dat al. Hij zag het ontbreken van overgangsvormen als het grootste bezwaar dat tegen zijn theorie kon worden ingebracht. Hij had de hoop dat de overgangsvormen later nog wel gevonden zouden worden. Dat blijkt niet of nauwelijks het geval. Het fossielenarchief wordt gedomineerd door zogenaamde radiaties. Opeens duiken er compleet nieuwe fauna’s in de aardlagen op die totaal niet te herleiden zijn tot organismen in lager gelegen aardlagen. Enkele voorbeelden: de Cambrische explosie, de insecten revolutie in het Carboon en de Big Bang van de zoogdieren in het Tertiair. In al deze gevallen – en er zijn er veel meer te noemen – wordt evolutie niet door fossielen aangetoond, sterker nog, evolutie is hier zelfs ondenkbaar.

Idealiter gaat (natuur)wetenschap om het testen, falsificeren van hypothesen en theorieën. Toegepast op de evolutietheorie zou die al lang verworpen moeten zijn. Het is (om een oude metafoor van de natuurkundige Arie van den Beukel te gebruiken) een glas pils met een zeer smal voetje: veel schuim, weinig pils. Dus veel gespeculeer op basis van weinig feiten. Dat in de gevestigde wetenschap deze theorie nog steeds leidend is, heeft vooral te maken met het naturalistisch uitgangspunt van deze theorie. Darwin en het merendeel van de wetenschappers willen het ontstaan van de levensvormen op aarde louter vanuit autonome natuurlijke processen verklaren. Dat wil zeggen: zonder verwijzing naar God of de Bijbel. Omdat de evolutietheorie het enige alternatief is voor een scheppende God blijft ze binnen het wetenschappelijk naturalistisch paradigma overeind. Ook al wordt ze door cruciale feiten weersproken.

Het is opmerkelijk dat de evolutionistische filosoof Michael Ruse voluit erkent, dat de aanvaarding van de evolutietheorie niet primair bepaald wordt door vakwetenschappelijke feiten of argumenten. Nee, hij stelt expliciet dat het wereldbeeld dat iemand aanhangt beslissend is (‘The Evolution Wars’, 2000, p.244). Deze dominante rol van het naturalistisch uitgangspunt verklaart grotendeels waarom feiten en argumenten die creationistische en niet- creationistische wetenschappers tegen de evolutietheorie inbrengen zo weinig impact hebben op de acceptatie van de evolutietheorie door de meeste wetenschappers.

Een aanvullende factor is sociologisch van aard. Wetenschap is een groepsproces. Er zijn weinig wetenschappers die het zich kunnen permitteren om zich kritisch over de evolutietheorie uit te laten als die door het hele wetenschappelijke establishment als enig juiste visie op de oorsprong van het leven wordt gezien. Je loopt dan het risico als ketter aan de kant te worden geschoven. Dit werkt net zo als, wanneer je binnen de supportersgroep van Feyenoord zou beweren dat Ajax toch een betere voetbalclub is.

Rik Peels wil het dus niet over dit soort kritische beschouwingen m.b.t. de evolutietheorie hebben. Terwijl hij in zijn artikel in het RD wel beweert, dat christenen “zich grondig in de natuurwetenschap moeten verdiepen” en op de hoogte dienen te zijn van “de bewijsvoering voor en tegen” de evolutietheorie.

Welnu, als ik lees hoe Gijsbert van den Brink, Rik Peels en René Fransen over evolutie schrijven, dan valt mij op dat ik geen enkel punt van kritiek hoor. Er is de afgelopen 30 jaar een keur aan boeken van niet-creationisten verschenen die met een karrenvracht aan feiten en argumenten de vloer aanvegen met het idee van gemeenschappelijke afstamming van alle levensvormen door het proces van random mutaties. (Dit is zo’n beetje waar macro-evolutie op neer komt). Zoals daar zijn: Michael Denton (Evolution: a Theory in Crisis), Richard Milton (The Facts of Life), Phillip Johnson (Darwin in Trial), Stephan Meyer (Darwins Doubt), Michael Behe (Darwins Black Box, The Edge of Evolution, Darwin Devolves), J.P. Moreland e.a. (Theistic Evolution: a Scientific, Philosophical and Theological critique). Als je maar voor een deel van deze boeken hebt kennisgenomen is het, zeker als orthodox christen, bijna onmogelijk om geen grote reserves te hebben m.b.t. de evolutietheorie. Ik mis bij Peels, Van den Brink en Fransen deze reserve, deze kritische distantie, de houding van het diep bevragen en doordenken van de geldigheid van de evolutietheorie. Gijsbert van den Brink is op dit punt een mooi voorbeeld. In zijn boek ‘De aarde bracht voort’ zegt hij van zichzelf dat hij een leek is op het gebied van evolutie (p.19), maar dat hij er vanuit gaat dat deze theorie toch klopt. Hoe onkritisch ben je dan?

Ook de meeste auteurs van het boek ‘En God zag dat het goed was’ lijken voorbij te gaan aan de hierboven genoemde fundamentele problemen van de evolutie theorie (haar eenzijdig wereldbeschouwelijk uitgangspunt, de cruciale feiten die haar falsificeren en de groepsdwang die tot onkritische acceptatie leid). Deze auteurs zijn op zoek naar de theologische consequenties van de evolutietheorie voor het verstaan van de Bijbel: hoe moeten we Genesis 1 lezen? Wat verstaat God onder goed? Heeft Adam bestaan? Wat moeten we onder de zondeval verstaan als er al honderdduizenden jaren voor het paradijs mensen los van God leefden? Allemaal pogingen (door Peels eufemistisch als ‘in gesprek gaan met de wetenschap’ aangeduid) om evident Bijbelse inhouden aan te passen aan een dubieuze theorie.

Ter legitimatie van deze pogingen wordt aangevoerd, dat de acceptatie door christenen van de evolutietheorie van een zelfde orde is als wat er in de zeventiende eeuw gebeurde. Toen werd door christenen de Bijbelse voorstelling, dat de zon om de aarde draait, vervangen door het heliocentrisch model dat wetenschappers op basis van waarnemingen hadden geconstrueerd. Deze vergelijking miskent echter, dat dit laatst genoemde inzicht geen enkel gevolg heeft voor christelijke geloofsopvattingen. Terwijl bij de auteurs die uitgaan van de geldigheid van de evolutietheorie een flink aantal traditionele geloofsvoorstellingen op de schop gaan. Marc J. de Vries spreekt in dit verband zelfs van ‘’aardverschuivingen in de lezing van de Bijbel die nodig zijn om de Bijbel en de evolutietheorie te verenigen” (De Week 45, p.35).

Dat blijkt ook uit het artikel in het ND van Jeroen de Ridder. Boven deze bijdrage stond de titel: ‘Aanvaard elkaar in het evolutiedebat”’. Een betere kop zou volgens mij zijn geweest: “Weg met het traditionele christelijke geloof!”. Want dat is waar de Ridder op doelt. Hij noemt de christelijke dogmatiek, de belijdenisgeschriften, de traditionele bijbelinterpretaties, specifieke theorieën over schriftgezag, erfzonde, verzoening of andere leerstukken. Al deze traditionele inhouden van het christelijk geloof staan ter discussie als je de evolutietheorie als juist aanneemt. Kortom: hier staan de zaken toch echt op scherp; aanvaarding van de evolutietheorie resulteert in een ander geloof. En dat allemaal als gevolg van een knieval voor een naturalistische, zeg maar atheïstische oorsprongstheorie van een maatschappelijk instituut waar men in de regel weinig op heeft met God en de Bijbel.

Zien we hier een illustratie van de verleiding van christenen door een ongelovige meerderheid, waarvoor de Bijbel waarschuwt in Openbaring 13: 3,4, Exodus 23: 2 en 2 Thessalonicenzen 2:11?

LEUK ARTIKEL?
Bent u blij met dit artikel? Het onderhoud en de ontwikkeling van deze website vragen financiële offers. Zou u ons willen steunen met een maandelijkse bijdrage? Dat kan door ons donatieformulier in te vullen of een bijdrage over te schrijven naar NL53 INGB000 7655373 t.n.v. Logos Instituut. Logos Instituut is een ANBI-stichting en dat wil zeggen dat uw gift fiscaal aftrekbaar is.

Written by

Op 29 november was er een studiedag over het boek “En God zag dat het goed was”. In dit boek proberen de meeste van de 25 auteurs te beschrijven wat de gevolgen van de evolutietheorie zijn voor het lezen van de Bijbel en het christelijk geloof. In bijdragen in het RD (4 november 2019,

...
Read more