Honderden meters dikke steenzoutformaties lijken als magma te zijn gestold in kilometersdikke modderlagen. Daarentegen verdedigt de reguliere geologie de zienswijze dat zout is afgezet uit zeewater door indamping. Er wordt verondersteld dat de zoutlagen daarna langzaam zijn begraven onder kilometersdikke lagen sediment. Door het gewicht hiervan zou het zout op tal van locaties langzaam opwaarts geëxtrudeerd zijn in kilometershoge pijlers.

zout_afgraving.pixabayDit ontstaansmodel gaat typisch gepaard met geologische periodes van honderden miljoenen jaren. Het indampingsmodel kan echter niet goed overweg met twee opvallende kenmerken van deze zoutformaties: de puurheid van het zout en het gebrek aan fossielen. Ook blijken de sedimentaire gesteenten niet in staat het zout opwaarts te extruderen. Een vulkanische oorsprong van zout en een snel verlopend proces zouden daarentegen wél een verklaring kunnen geven voor deze observaties. Het Bijbelse verslag van de verwoesting van Sodom en Gomorra geeft mogelijk een beschrijving van een dergelijke vulkanische uitbarsting. Een zoute lava is dun vloeibaar en kan door dichtheidsverschillen snel opwaarts dringen in kilometersdikke modderlagen – modderlagen die een oorsprong in een waterige catastrofe gehad kunnen hebben. De geologische observaties getuigen zo van een vulkanisch ontstaan tijdens een grootschalige watervloed. Een dergelijke catastrofe zou de zekerheid waarmee mainstream wetenschappers de typische geologische periodes poneren, sterk onder druk zetten.

Steenzout

Onder Noord-Nederland bevindt zich een steenzoutformatie die zich over 500.000 vierkante kilometer uitstrekt vanaf Engeland tot in Polen. Deze formatie is volgens de reguliere geologie uit water gedeponeerd middels indamping in de periode van 272 tot 253 miljoen jaar geleden. Daarna zijn er kilometersdikke lagen sediment op afgezet uit water. Door de druk van deze sedimenten is de 500 tot 1000 meter dikke zoutlaag gaan vloeien. Op tal van locaties is het vanuit de diepte opwaarts geëxtrudeerd, kilometers hoog tot vlak onder het maaiveld. Zie de pijler onder het Groningse Zuidwending in Figuur 1. Incidenteel zijn de pijlers zelfs tot boven het maaiveld verrezen. De Segeberger Kalkberg in Noord-Duitsland is hier een voorbeeld van – deze rijst boven de vlakke omgeving uit. Dit zijn twee voorbeelden uit de honderden pijlers oprijzend uit de Noord-Europese Zechsteinformatie. Wereldwijd komen er vele van soortgelijke zoutformaties voor. Ze zijn honderden tot duizenden meters dik en bedekken de bodem van geologische bassins van honderdduizenden vierkante kilometers groot. De formaties bestaan uit dikke lagen diverse zouten, waaronder natriumchloride (NaCl), calciumsulfaat (CaSO4), calciumcarbonaat (CaCO3), magnesiumchloride (MgCl2) en kaliumchloride (KCl). Wereldwijd zijn op de formaties zoutpijlers gevormd in interactie met de sedimenten er boven.

Indamping gefalsificeerd

Figuur 1
zuidwending
De kilometers hoge zoutpijler onder Zuidwending reikt tot enkele honderden meters onder het maaiveld. De pijler is onder diverse sedimentlagen verborgen en met seismisch onderzoek zichtbaar gemaakt. Bron: TNO – Geological Survey of the Netherlands.

Het gros van de geologen veronderstelt een langdurige indampingsgeschiedenis ter verklaring van deze zoutlagen. Toch roept dit de nodige vragen op. Een kilometer dikke laag zout impliceert de indamping van een 60 kilometer hoog zeewaterniveau in het bassin. In geval van het Zechstein wordt dat hypothetisch verdeeld over zeven indampingscycli, maar de resulterende diepte voor iedere sequentie blijft formidabel.
Een tweede probleem is de experimentele observatie dat in de zoutformatie dikke lagen puur NaCl1 gevonden worden waarin geen zand, klei, schelpen, krabben, zeewier, fossielen of vogelpoep te vinden zijn. Deze lagen kunnen tientallen tot honderden meters dik zijn en kristalhelder. Hetzelfde geldt voor de meestal dunnere CaSO4 en CaCO3 zoutlagen. Een dergelijke puurheid is onvoorstelbaar binnen het gehanteerde indampingsmodel. Van een bassin waaruit al het water verdampt en dat vervolgens gevoed wordt met zeewater vol leven, mag immers worden verwacht dat het volop (fossiele) sporen van dat leven zal bevatten. Als verklaring voor het gemis aan fossielen wordt vaak gewezen op de Dode Zee, waarin geen leven mogelijk is. Dat is echter geen valide argument, omdat deze ’zee’ het zout verkrijgt door het oplossen van de dikke onderliggende zoutformatie. Deze formatie is 10 km dik.2 Een bron van zout hier is ook het hemelwater dat van de pure zoute Mount Sodom afstroomt. Deze zoutberg rijst hoog op boven de Dode Zee en ontvangt geen zout maar, integendeel, erodeert in de Dode Zee. Het zout dat door indamping uit het water wordt afgezet is dus een voorbeeld van een secundair proces en niet van het primair ontstaan van de dikke zoutformatie zelf. De Dode Zee is niet met oceanen verbonden en is ook wat dat betreft dus geen correct voorbeeld. Ook kan vanuit het indampingsmodel niet verklaard worden dat er hygroscopische zoutlagen voorkomen in de formaties.3 MgCl2 bijvoorbeeld is bijzonder hygroscopisch, wat betekent dat het zelfs water aantrekt uit de lucht. Om een dergelijk zout neer te doen slaan, moet het allerlaatste beetje water uit het bassin verdampen. Om de ontstane laag daarna succesvol op te sluiten onder een laag zout van een volgende cyclus, zal echter nieuw zeewater in het bassin moeten vloeien. Uiteraard gaat het MgCl2 dan onmiddellijk weer in oplossing. Zo kan het vermeende indampingsproces nooit hygroscopische zoutlagen in de formaties gerealiseerd hebben.

Vloei van vaste gesteenten vanwege dichtheidsverschil gefalsificeerd

De zoutformaties vinden we nu begraven onder kilometers dikke lagen sediment. In het reguliere model is het nodig te poneren dat de exclusieve depositie van zouten plotsklaps omslaat in miljoenen jaren exclusieve depositie van zand, klei, kalk en fossielen uit water. Onder het gewicht van deze sedimentaire gesteenten is het zout gaan vloeien en hebben zich talloze zoutpijlers gevormd. Dat is de gangbare gedachte, zoals bijvoorbeeld verwoord door Wong et al.4:

Rock salt compacts already during early stages of burial to a tight mass with a constant density of 2168 kg/m3. Other sediments show an increase in density with depth owing to cementation and the reduction of pore volume as a function of overburden and pore pressures. Consequently, in near-surface positions, where sand and clay typically show densities of 1200 to 1400 kg/m3, halite is relatively heavy, whilst below 500 m it is lighter than surrounding rocks. This results in an unstable situation.

De gedachte is dus dat de poriën tussen de sedimenten worden opgevuld door chemische processen (cementation) en door verdichting onder het gewicht van het bovenliggende sediment. Daardoor neemt de dichtheid van de sedimentaire gesteenten toe met de diepte. Al beneden een diepte van 500 meter wordt het zout lichter ingeschat dan het sedimentaire gesteente, waardoor het zout opwaarts gedreven wordt. Dat de cementatie het gesteente zo hard zou maken als cement en waarschijnlijk de opwaartse beweging niet toe zou laten, blijft ongenoemd.

In de Petroleum Geological Atlas of the Southern Permian Basin Area wordt deze zienswijze bevestigd door Doornenbal et al. 5:6

The density of most rocks increases with depth of burial but salt (halite) does not. At depth, therefore, halite is relatively less dense and more buoyant than its cover, leading to instability. Salt can also flow, so in unstable conditions, a bed of salt may move sideways and locally bulge vertically like a pillow, thus deforming overlying strata into domes and anticlines. Cylindrical salt domes and linear salt walls are created if the rising salt pierces the overlying strata. This process is known as diapirism [zoutpijlervorming]; its product is a diapir.

Opvallend is dat in beide citaten het begrip ‘steenzout’ wordt versmald tot puur halite, oftewel NaCl, met de bijbehorende dichtheid van 2.168 kg/m3. Deze vereenvoudiging doet geen recht aan de werkelijkheid, waar sprake is van significante hoeveelheden CaSO4, CaCO3 en andere zouten in steenzout. Met name CaSO4 en CaCO3 lagen zijn aanzienlijk zwaarder. De gemeten dichtheden van deze laatste lagen zijn onderzocht. 7 Uit 354 metingen blijkt een gemiddelde dichtheid van 2.702 kg/m3. Tysma et al. 8 schrijft aan steenzout, de mix van alle zouten in de formaties, dan ook terecht een gemiddelde dichtheid toe van 2.300-2.400 kg/m3. Dit is aanzienlijk zwaarder dan de in het reguliere verklaringsmodel gehanteerde dichtheid van steenzout van 2.168 kg/m3.

Figuur 2
segeberger_kalkbergDe zoutpijler onder Segeberg in Duitsland wordt bovengronds de Segeberger Kalkberg genoemd. De dichtheden van de gesteenten laten zien dat de pijler zelf zwaarder is dan de gesteenten rondom. Deze cilindrische pijler kan onmogelijk als vast gesteente omhoog zijn geperst vanwege de druk van de bovenliggende of omringende gesteenten.

Ook is, middels 2042 metingen, de dichtheid van sedimentaire gesteenten boven zoutformaties fors lichter bevonden dan verondersteld in de modellen.9 De metingen laten zien dat het omslagpunt waar sedimentair gesteente zwaarder wordt dan steenzout niet ligt op de door Wong et al. genoemde 0,5 km, maar op 2,5 km diepte. De dichtheid van sedimentaire gesteenten neemt toe van ca. 1.300 kg/m3 aan de oppervlakte tot ca. 2.100 kg/m3 op 0,5 km diepte tot ca. 2.350 kg/m3 op 2,5 km diepte. Dus pas na bedekking door 2,5 km sedimentair gesteente kan steenzout door dichtheidsverschillen een opwaartse kracht beginnen te ervaren. Als dichtheidsverschillen in vaste gesteenten inderdaad een rol zouden spelen, dan zouden de kilometers hoge zoutpijlers onder Noord-Nederland naar beneden zakken. Deze raken bijna het maaiveld en zijn zwaarder dan de sedimenten waarin ze zijn ingepakt. De feitelijk geobserveerde situatie is dus tegengesteld aan wat in het reguliere model wordt verondersteld. Dit wordt geïllustreerd in figuur 2.

Om pijlers te vormen moet in het reguliere model het zout door 2,5 kilometers dikke lagen geconsolideerd gesteente met de sterkte van beton breken. In tegenstelling tot NaCl vertoont geconsolideerd sedimentair gesteente, met de eigenschappen van beton, volstrekt geen vloeigedrag. Een synchrone beweging van het zout en het sedimentaire gesteente is echter wel noodzakelijk. De veronderstelling is immers, dat de sedimentaire gesteenten ruimte geven die door zoutvloei wordt opgevuld. Deze beweging is onmogelijk, wat tot de conclusie leidt dat het reguliere ontstaansmodel niet houdbaar is op grond van experimentele observatie.

Catastrofale ontstaansgeschiedenis van zout

Zoals in eerder opgemerkt, bevindt zich onder de Dode Zee een 10 km dikke zoutformatie. In het reguliere wetenschappelijke model is daar al miljoenen jaren een proces van indamping gaande in een desolate omgeving. In dit onderzoek veronderstel ik een catastrofale, vulkanische oorsprong van zout. Hoewel deze veronderstelling nieuw is in de reguliere wetenschap, is de gedachte voor de hand liggend als je het verslag leest in een breed beschikbare en eeuwenoude historische bron, nl. de Bijbel:

Genesis 19, 28: Toen hij [Abraham] uitkeek over Sodom en Gomorra en over de hele vallei, zag hij dikke rookwolken van het land opstijgen als uit een smeltoven.

Deze beschrijving doet denken aan een vulkanische eruptie. In het hierna volgende beargumenteer ik dat een catastrofale oorsprong, zoals in de context van een vulkanische eruptie, een plausibele beschrijving geeft van het ontstaan van zoutformaties.
Zout kan smelten: NaCl bijvoorbeeld heeft een smeltpunt bij 801 °C (bij atmosferische druk). Naarmate er meer zouten (en/of andere stoffen) in een zogenoemde ionische vloeistof oplossen, wordt het smeltpunt lager. Let wel, in een dergelijke vloeistof is geen water te bekennen! Het kan natuurlijk wel water bevatten, maar noodzakelijk voor de vloeibare staat is dat niet.

De Ol Doinyo Lengai (Berg van God, Tanzania) is een voorbeeld van een zoutvulkaan met een bijzonder lage smelttemperatuur van rond de 500 °C. In de smelt van deze vulkaan komen alle ionen voor die ook in de grote zoutformaties zijn uitgekristalliseerd. Echter in andere verhoudingen en Mitchell et al. 10 rapporteren veel vermenging met siliciumhoudend gesteente (ijolite, geen zout). De afwijkende kristallisaties die daarvan het gevolg zijn en de veel kleinere hoeveelheden lava maken de lava lastig vergelijkbaar met steenzout. Maar het laat onverlet dat wel alle ionen die in zoutformaties worden gevonden, ook in deze lava te vinden zijn.

Ook de positionering van deze vulkaan is opvallend, namelijk in The Great Rift (de Grote Slenk), de 6000 km lange scheur dwars door Afrika die via de Rode Zee en de Dode Zee doorloopt tot in Syrië. De tien kilometer diepe zoutformatie onder de Dode Zee ligt precies in deze vulkanisch actieve scheur in de aardkorst. En in dezelfde Rift vinden we nog een reusachtige zoutformatie onder de Rode Zee en een vijf kilometer diepe zoutformatie onder de Danakil woestijn. Dat tezamen maakt het zeer aannemelijk dat deze breuk in de continentale korst een route is waarlangs gesmolten zouten uit de mantel kunnen opwellen. Inderdaad zien Chen et al.11 en Mitchell et al. 12 de mantel als bron van dergelijke magma’s. Gesmolten zouten onderscheiden zich van siliciumhoudende lava’s door de lage temperatuur en door de uitzonderlijke vloeibaarheid. Gesmolten keukenzout (NaCl), bijvoorbeeld, heeft een lage viscositeit en vloeit zo dun als water.

Zout magma drong opwaarts in de sedimenten van een vloed

Roberts et al.13 stellen dat geologen de formatie van de grillig gevormde zoutformaties wel eens hebben vergeleken met het proces dat te zien is in een lavalamp.14 In een lavalamp stijgt verwarmde wax op in een vloeistof. Dit proces is puur dichtheidsgedreven en mag als weerstandsloos worden beschouwd. De vloeistoffen bewegen volstrekt synchroon. Zoutformaties en de sedimenten rondom lijken ook zo vanuit vloeibare fase te zijn gevormd. In figuur 1 is bijvoorbeeld te zien dat de sedimentlagen tegen de pijler opwaarts taps toelopen. Ze lijken te zijn uitgerekt, hetgeen onmogelijk is voor een vast gesteente, maar vloeibare modder kan uitstekend zo worden uitgesmeerd. Dit proces, dat het gemakkelijkst kan worden vergeleken met hetgeen gebeurt in een lavalamp, is dus een redelijk verklaringsproces die door observatie van de vormen wordt ondersteund. Deze observatie impliceert dat de steenzout formaties en de bovenliggende sedimentaire gesteenten zich beide in vloeibare fase bevonden tijdens het ontstaan van de zoutpijlers. Er is dus sprake van magma en modder. Voor het zoute magma betekent dit dat de procestijd beperkt is vanaf het eruptiemoment tot het moment dat stolling plaats vindt. Het afkoelen en stollen van tenminste een stevig omhulsel voor de honderdduizenden kubieke kilometers zout zal enige tijd vergen, maar gezien de aanwezigheid van grote hoeveelheden (koel)water in de betrokken modder lijkt het aannemelijk dat daarvoor niet meer dan enkele maanden nodig zijn geweest. In die korte periode moeten dan echter ook de kilometersdikke lagen sediment zijn aangevoerd in het proces. Water is een dipool met veel oplossend vermogen. Veel mineralen zijn er desondanks slecht in oplosbaar bij atmosferische druk. Bijvoorbeeld CaCO3 is maar in zeer geringe mate oplosbaar. Op grote dieptes, groter dan vier á vijf kilometer, bij de daarbij behorende druk, is dit mineraal echter goed oplosbaar. Deze diepte staat bekend als de Carbonate Compensation Depth. Het is daarom niet aannemelijk dat het water van een catastrofale vloed bestond uit louter water. Indien dat water vanuit grote diepte kwam, kan worden aangenomen dat het hier ging om enorme hoeveelheden water dat verzadigd was met mineralen. Bij het wegvallen van de druk zouden de mineralen dan kristalliseren tot sedimenten.

In de reguliere geologie worden sedimenten vrijwel uitsluitend geacht gevormd te zijn door erosieprocessen. Bij sedimentaire bassins worden daarom geërodeerde bergketens gepostuleerd, inclusief de bijbehorende langdurige erosieprocessen. Wanneer in werkelijkheid echter sprake is geweest van kristallisatieprocessen in een catastrofale vloed, dan zouden zulke grote hoeveelheden water ook grote hoeveelheden sediment hebben opgeleverd. Vanuit natuurwetenschappelijk oogpunt is dit een plausibel verklaringsmodel. Het is bovendien (historisch) interessant op te merken dat een dergelijk model in lijn zou zijn met de beschrijving van de vloed in Genesis 7, 11 waar een grote diepte wordt beschreven als bron van het water. Ik postuleer daarom dat de observaties aantonen dat zoutformaties het meest waarschijnlijk als magma zijn geërupteerd. De pijlers zijn vervolgens gevormd door dichtheidsverschillen met sedimenten in een proces vergelijkbaar met het proces in een lavalamp, waarbij aangetekend wordt dat het zoute magma in vloeibare fase een aanzienlijk lagere dichtheid heeft dan vast steenzout. Dit droeg bij aan de opwaartse beweging van het zoute magma in de modderlagen.

Slot

Zoutformaties worden in de reguliere geologie verklaard vanuit een veronderstelde langdurige ontstaansgeschiedenis van indamping, begraving en pijlervorming. Een dergelijk model blijkt echter geheel niet verklarend te zijn. De observaties ondersteunen een model waarin de zoutformaties vulkanisch zijn ontstaan tijdens een catastrofale vloed. Het water leverde kilometersdikke sedimentlagen, waarin vulkanische zout magma zich een weg baande. Het zout vulde de bodems van bassins en door dichtheidsverschillen gedreven drong het opwaarts. Zo werden te midden van de sedimenten de zoutpijlers al stollend gevormd. Een dergelijk proces zou in een relatief korte tijd plaatsvinden, sluit beter aan bij de experimentele observaties en maakt het derhalve onnodig een langdurige ontstaansgeschiedenis aan te nemen.

Literatuur

Chen, W., Kamenetsky, V.S., Simonetti, A. (2013) Evidence for the alkaline nature of parental carbonatite melts at Oka complex in Canada, Nature communications 4.

Doornenbal, J.C., & Stevenson, A.G. (2010). Petroleum Geological Atlas of the Southern Permian Basin Area. TNO. EAGE Publications b.v.

Heerema, S.J. (2015). De dichtheid van gesteenten in relatie tot zouttektoniek; zoute magma drong opwaarts vanwege dichtheidsverschil. Grondboor & Hamer. Nr.4.

Mitchell, R.H., & Belton, F.A. (2008) Cuspidine-sodalite natrocarbonatite from Oldoinyo Lengai, Tanzania: a novel hybrid carbonatite formed by assimilation of ijolite, Mineralogical Magazine. Vol. 72(6), p1261–1277

Roberts, D.G., & Bally, A.W. (2012) Regional Geology and Tectonics: Phanerozoic Passive Margins, Cratonic Basins and Global Tectonic Maps.

Tysma, S., et al. (1993). Poly Technisch Zakboekje. Royal PBNA. 45th edition. ISBN 90-6228-217-2. Hoofdstuk E1. Table 1.25.

Warren, J.K. (2006). Evaporites – Sediments, Resources and Hydrocarbons. Springer.

Wong, Th.E., Batjes D.A.J., & de Jager, J. (2007) Geology of the Netherlands, Royal Netherlands Academy of Arts and Sciences. Chapter concerning Salt edited by Geluk, M.C., Paar, W.A., Fokker, P.A.

Voetnoten

  1. Het geologische jargon voor NaCl, oftewel keukenzout, is halite (engels) of haliet (nederlands).
  2. Warren 2006, 265
  3. MgCl2wordt bijvoorbeeld gewonnen uit het Zechstein door NedMag Industries Mining & Manufacturing in Veendam.
  4. 2007: 284
  5. 2010: 301
  6. De Zechstein formatie ligt in het Southern Permian Basin dat in deze atlas wordt beschreven.
  7. Heerema 2015: 138
  8. 1993: 29
  9. Heerema 2015
  10. 2008
  11. 2013
  12. 2008
  13. 2012, 24
  14. Roberts et al. wijzen er overigens op, dat de lavalamp als verklaringsmodel voor de verplaatsing van vaste gesteenten is afgewezen in de mainstream geologie sinds de tachtiger jaren van de vorige eeuw. Toch volgen Wong et al. (2007) en Doornenbal et al. (2010) precies dit lavalamp model. Zie de eerdere citaten uit hun werk in dit artikel.

LEUK ARTIKEL?
Bent u blij met dit artikel? Het onderhoud en de ontwikkeling van deze website vragen financiële offers. Zou u ons willen steunen met een maandelijkse bijdrage? Dat kan door ons donatieformulier in te vullen of een bijdrage over te schrijven naar NL53 INGB000 7655373 t.n.v. Logos Instituut. Logos Instituut is een ANBI-stichting en dat wil zeggen dat uw gift fiscaal aftrekbaar is.

Stef Heerema

Written by

Stef Heerema doet sinds 2006 structureel onderzoek naar het ontstaan van zoutformaties en ijstijd verschijnselen. Zijn eerste wetenschappelijke publicatie dateert van 2009. Hij is lid van de Nederlandse Geologische Vereniging en van het Koninklijk Nederlands Geologisch Mijnbouwkundig Genootschap. Stef Heerema heeft nieuwe ontdekkingen gedaan over het ontstaan van de zoutlagen onder Noord-Nederland en ontdekte hoe de Bijbelse zondvloed hierdoor wordt bevestigd.

55 Comments

Leon van den Berg

De benadering van Stef kent, mijns inziens, vele mankementen. Aangezien ik of anderen de meeste mankementen daarvan al aan hem voorgelegd hebben zal ik mij hier tot de meelezers richten en ze één voor één kort behandelen. Voor een uitgebreidere behandeling nodig ik u uit een bezoek te brengen aan de bibliotheek van de Faculteit van Aardwetenschappen in Utrecht.

Puurheid van zout.
Stef zegt dat het indampingsmodel niet goed overweg kan met de puurheid van het zout. Dat is niets anders dan een stelling van Stef. De diapieren waarin wij het vrijwel zuivere steenzout vinden ontstaan voornamelijk, wat het Zechstein bekken betreft, in het midden van het bekken waar de zoutlagen het dikste zijn, en in het midden van de bekkens is de kust ver weg: geen aanvoer van zand, leven is niet mogelijk midden in zo een pekelzee, dus daar geen schelpen of vissen, en dus ook geen vogelpoep. Pollen worden door de lucht aangevoerd en die worden dan ook gevonden, netjes gesorteerd : https://gq.pgi.gov.pl/article/viewFile/8332/pdf_427

Onzuiver zout of zouthoudende klei wordt wel degelijk gevonden, bijvoorbeeld : “Salt Clay” https://www.dinoloket.nl/zechstein-group-ze of lees het artikel http://rockfractureandstress.com/Burnett%20Ranch/Evolution%20of%20Permian%20Evaporite%20Basin%20in%20Texas%20Panhandle.pdf waarin duidelijk gesproken wordt over vermenging van zout en mudstone.

Reply
Stef Heerema

Leon gelooft in de indampingsgeschiedenis. Op de universiteit meegekregen, maar hij had er meer kritische vragen bij moeten stellen:
– Hij gelooft dat het mogelijk is midden in een bassin dikke pure zoutlagen zonder vervuiling te doen neerslaan uit water. Zonder hedendaagse observatie is dit geen argument.
– De pollen waarnaar hij verwijst zijn gevonden in de kalkrand rondom de Zechsteinformatie. Het meest dominante en vulkanische Zechsteinzout NaCl is hier niet afgezet, we zijn dus in de periferie beland. Deze rand is ontstaan door interactie van kalkhoudend water met de hitte van de zoutmagma. Logisch dat deze uit water afgezette kalk ook fossielen bevat. Dit bevestigt juist mijn bevindingen. Het ontkracht daarentegen [de] indampings[theorie] waar de in water en lucht mobiele pollen ook in de NaCl-lagen te vinden hadden moeten zijn.
– Palo Duro in de Texas Panhandle is totaal anders dan het Zechstein. Ten eerste is het qua afmetingen slechts 5% van de Zechsteinformatie. Ten tweede is het NaCl-gehalte slechts 40%, waar NaCl in het Zechstein ruim 60% van de formatie uitmaakt. Ten derde bestaat de formatie voor 25% uit SiO2, terwijl dit in het Zechstein verwaarloosbaar aanwezig is. Ten vierde zijn er geen zoutpijlers te vinden en bevindt formatie zich boven de zeespiegel, waar het Zechstein tot 10 km beneden zeeniveau begraven ligt. De klei en zandlagen in Palo Duro tonen zich roodgebakken. Mijn vermoeden is dat deze formatie zich heeft gevormd uit een met SiO2 vervuilde magma, laat in het vloedjaar. SiO2 is goed oplosbaar in een ionische vloeistof, getuige de lava van de Ol Doinyo Lengai. Palo Duro is moeilijk te harmoniseren met het indampingsmodel, omdat uit identiek zeewater ook identieke zoutverhoudingen moeten worden ingedampt. Steenzoutformaties wijken echter onderling totaal af qua compositie. Dit is juist wat van vulkanen bekend is, ze hebben allemaal hun eigen ‘signature’. Ook deze observatie onderstreept dus een vulkanisch ontstaan

Stef Heerema

In juli 2014 schreef ik (http://logosnl.wpengine.com/ongezouten-kritiek): “En als het [stuifmeel] vanuit het vloedwater in contact zou komen met het vulkanische zout, is het onwaarschijnlijk dat het in de vulkanische smelt opgenomen zou worden, hoewel aan stuifmeel een bijzondere houdbaarheid wordt toegedicht. Onderzoekers claimen dat stuifmeel in ieder geval 14.000 bar en 360 graden C kan overleven (Bron: Precambrian pollen in the Grand Canyon, Arthur V. Chadwick, Ph.D., Southwestern Adventist University, Keene, Texas, 2009.).” Nu blijkt er in een NaCl-zoutlaag onder Hengelo wel degelijk stuifmeel te zijn aangetroffen. Leon heeft een onderzoeksrapport overlegd (Freudenthal, 1964). Diverse pollen zijn aangetroffen in ‘drilling 69’, nu bekend als TWR-069 (nlog.nl).
Het betreft een viertal NaCl-lagen die tesamen inclusief de scheidende ‘sandy shale’ ruim 30 meter dik zijn op een diepte vanaf 310 meter in het Lower Triassic (Röt). De naam verwijst naar de roodgebakken kleur. De mij beschikbare informatie verstrekt geen gegevens of de lagen een uitvloeiing zijn van een Zechstein zoutpijler, of dat het zoutmagma uit andere bron is toegevloeid. Qua afmetingen is het slechts een fractie van het dieper, uitgestrekter en noordelijker gelegen Zechstein.
Een snelle eruptie van grote hoeveelheden ionische vloeistof uit de mantel, vervuilt onderweg minder dan een klein volume. Hoe meer vervuild, hoe lager het smeltpunt. Dat betekent ook dat naarmate een magma langer onderweg is de samenstelling verandert en het smeltpunt daalt! Vooral een toenemend waterpercentage in de magma is uiterst effectief in het verlagen van het smeltpunt. Water was in de modder van de zondvloed volop aanwezig. Kennelijk is het smeltpunt hierdoor beneden de 360 graden C beland. De pollen zijn uit de omringende modder in de magma terechtgekomen.

Leon van den Berg

“Steenzoutformatie”

Stef praat over het “zout” alsof er in de (Nederlandse) ondergrond één zoutlaag zit. Dat is niet het geval, in de ondergrond, in het “Zechstein” zitten een heleboel verschillende en afwisselende lagen van steenzout (haliet of keukenzout) klei, zoutklei, kalk, anhydriet (gips), zandsteen. Er zijn wel 7 lagen van steenzout aan te wijzen, zie plaatje en voor meer details ook https://www.dinoloket.nl/zechstein-group-ze. Stef suggereert ook dat alle zouten in de (Nederlandse) ondergrond van vulkanische oorsprong zijn.

Om dit in zijn vulkanisch model te passen moeten we aannemen dat er onderzees een heleboel verschillende uitbarstingen zijn geweest waarbij tijdens elke uitbarsting steeds onderzees zouten tientallen, honderden kilometers horizontaal uitvloeiden, waarna het steeds overdekt werd door sedimenten terwijl die soms dunne zoutlagen vloeibaar bleven, pas na de laatste uitbarsting werd er in één keer bijna 3 kilometer sediment dik afgezet en pas dan ontstaan de diapieren van al die zouten die allemaal vloeibaar gebleven zijn. Een vulkaan (of vulkanen) die de ene keer puur steenzout uitspuwt, een andere keer puur anhydriet, dan weer puur calciumcarbonaat, dan weer puur magnesiumchloride en dat 7 keer achter elkaar. Hoe kan een magmakamer steeds wisselend gesmolten pure zouten aanleveren? Hoe kunnen deze soms dunne lagen zout onderzees over afstanden van vele kilometers uitlvoeien zonder te stollen? Nergens behandelt Stef deze problematiek.

Reply
Stef Heerema

Het indampingsmodel is ongeloofwaardig en niet gebaseerd op observaties. (…) [IJverig] bestrijdt Leon al jaren mijn bevindingen. Ik heb nooit een plaatje geschetst alsof er louter één laag NaCl in zoutformaties zit. Leon zelf daarentegen beweert op zijn website (bezocht 16 maart 2016): “Het zijn uitsluitend de lagen van het lichte Haliet die diapirisme vertonen”. Dat is on[juist], zoals de doorsnede van de Segeberger Kalkberg in bovenstaand artikel (figuur 2) laat zien. Alle zouten in de formaties, vinden we in de zoutpijlers, dus niet “uitsluitend” NaCl. (…) Meermalen heb ik uitgelegd dat we te maken hebben met een vulkanische eruptie van zoutmagma. In die magma vinden we een mix van zouten. Dit is een ionische vloeistof, dun als water (niet stroperig!) en twee keer zo zwaar als water. Wat kan een dergelijke vloeistof met een volume van vijfhonderdduizend kubieke kilometer anders doen dan op de bodem van een basin horizontaal uitvloeien? De gelaagdheid ontstaat enerzijds door stollingsverschijnselen die bepaald worden door de wetten van de thermodynamica geldig voor een eutecticum. Anderzijds moet ook rekening worden gehouden met meerdere erupties, vloeigedrag en versleping (erosie), stolling in laminaire en turbulente stromingen, zwaartekracht, stoomvorming, enzovoorts. Een zeer complex gebeuren die leidt tot verschijnselen zoals bijvoorbeeld: een stringer “graveyard” in figuur 3 (van Gent et al, 2010), waar brokken zwaar anhydriet (stringer) door de smelt omlaag zijn gevallen en zijn gestapeld. Deze graveyard (begraafplaats) en andere grillige verschijnselen zijn niet vanuit het indampings[model] gevolgd door gesteentevloei verklaarbaar.

Leon van den Berg

“de indamping van een 60 kilometer hoog zeewaterniveau in het bassin”

Dit is in het regulier geologisch model absoluut niet het geval want dat gaat uit van een verdamping van “een hoeveelheid zeewater dat overeenkomt met 60 kilometer”, dat is heel iets anders. Het reguliere geologisch model gaat uit van, in het simpelste geval, een bekken, een door een drempel vrijwel afgesloten binnenzee van honderden bij duizenden kilometers (!) groot dat continu gevoed wordt door zeewater, zeewater dat in dat bekken continu verdampt, een verdamping die niet bijgehouden wordt door de instroom van zeewater, rivier-aanvoer en regen zodat het, op enige afstand van de drempel, een pekelzee wordt. Zie plaatje. Er worden via de drempel en rivieren (voor zover die niet drooggevallen zijn) vissen, klei en zand aangevoerd maar dat komt allemaal niet veel verder dan een enkele tientallen kilometers, dan zijn alle vissen dood door het te hoge zout gehalte en is al het klei en zand gesedimenteerd.

Reply
Stef Heerema

Bedenk dat voor 500.000 km3 zout het 60-voudige aan zeewater het bassin moet instromen:
– De drempel zou weg eroderen;
– Het bassin ondiepe bassin zou vollopen met het afgezette zout, wat immers een dikte van een kilometer heeft bereikt;
– Met vloed dondert het water binnen en bij eb stagneert de toevoer. Het zeewater vol leven zou zich op het wateroppervlak van het gehele bassin verspreiden tijdens vloed (en zeker ’s nachts), het is immers van een lagere dichtheid dan het zware zoute water; tijdens eb stagneert de toevoer en verdampt het binnengestroomde water, waardoor dus overal het dode materiaal zou worden gedeponeerd (maar we vinden het niet overal);
– Aan het Zechstein is geen toevoerzijde te identificeren, de fossielhoudende kalkrand bevindt zich namelijk geheel rondom;
– In plaats van zeven indampingscycli voor het gehele Zechstein, zouden ontelbare eb en vloed sequenties gevonden moeten worden (waaronder springvloed);
– Absurd om te veronderstellen dat een dergelijk proces ongestoord gedurende miljoenen jaren(!) gefunctioneerd kan hebben.
We zien heden ten dage precies het tegenovergestelde. Er worden geen formaties uit zee gevormd, maar de zoutformaties eroderen en maken de zee steeds zouter.

Radagast

Stef Heerema vergeet nog altijd zijn 500.000 km3 te delen door zeven. Want het zijn nog altijd zeven afzonderlijke lagen. Dus niet 500.000 km3 zout stroomde uit, maar een zevende van dat. Dat zout moet van onder gekomen zijn (volgens Heerema) en dwars door de al aanwezige zoutlaag zijn gedrongen, die immers al over de scheur in de aardkorst, waar het zout was uitgekomen, lag. Ik zie dat nog niet echt voor me en voor zover ik weet zijn er ook geen aanwijzingen voor.

Stef heeft het ook steeds over een hedendaags voorbeeld, maar vergeet daarbij dat de wereld er 250 miljoen jaar geleden anders uitzag. Het klimaat en de ligging van de continenten waren toen gunstiger voor zoutlaagvorming. Een goed hedendaags voorbeeld is overigens Kara Bogaz, waar een zoutlaag naar Leons model is gevormd.

Stef Heerema

Kara Bogaz is een voorbeeld van secundaire indamping, vergelijkbaar met wat ik in bovenstaand artikel heb geschreven over de Dode Zee. Het zout is primair vulkanisch afgezet, lost op in hemelwater, stroomt naar de Kaspische Zee, waar het door secundaire indamping wordt afgezet. De Kaspische Zee heeft geen verbinding met de oceanen en is ook wat dat betreft geen voorbeeld.

Radagast

Interessant dat u niet reageert op het feit dat, wanneer je zeven zoutlagen boven elkaar hebt, de bovenste door zes zoutlagen heen moet zijn gedrongen zonder een spoor achter te laten. Wat betreft Kara Bogaz: een prima voorbeeld dat laat zien dat uw kritiek van dekens van zoeter water en uitstroom naar zee niet klopt. Het is gewoon een feit dat je door middel van indamping met een gedeeltelijk afgesloten bassin, zoutlagen kunt vormen.

Radagst

Heerema’s model is niet alleen een probleem voor de seculiere geologie, maar ook voor de creationistische. Heerema’s model van diapiervorming vereist dat alle aardlagen tot en met het Tertiair door de zondvloed zijn afgezet. Ook het feit dat we zoutlagen in het Tertiair vinden zorgt ervoor dat Heerema wel moet zeggen dat het Tertiair door de zondvloed is afgezet. Dit brengt veel interessante problemen met zich mee. Denk hierbij aan speciatie, meteorietinslagen waarvan de maandenlange nasleep te zien is, windafzettingen, meerafzettingen en nog veel meer. Ik ben zeer benieuwd hoe de heer Heerema denkt al deze problemen op te lossen voordat hij zijn eigen model (…) presenteert.

Reply
Stef Heerema

Bedankt Radagst voor de instemming dat het vulkanische model een probleem is voor het seculiere geologische model. Inderdaad lijdt het vulkanische model er toe dat ook het Tertiair tijdens de vloed is afgezet. Dat is juist wat de meeste Bijbelvaste wetenschappers van oudsher al gezegd hebben. Denk bijvoorbeeld aan het boek van Rehwinkel (de Zondvloed, 1951).

Radagast

Stef,
Als het vulkanische model er toe leidt dat het Mesozoïcum en het Tertiair door de zondvloed zijn afgezet, moet het mijns inziens verworpen worden. Redenen daarvoor heb ik hierboven gegeven. Bovendien heb je in Opheusden mijn vraag omzeild, dus zal ik hem nog een keer stellen:

In zeewater komen bepaalde zouten wel voor (zoals natriumchloride) en bepaalde zouten niet. Nu wil het geval dat we precies díe zouten die veel in zeewater voorkomen ook in zoutlagen vinden. Volgens Heerema’s model zouden zouten in de aardmantel gevormd worden. In dat geval kunnen er allerlei willekeurige zouten ontstaan, aangezien een zout gewoon een combinatie van een metaal en een niet-metaal is. Kan Stef mij een zoutlaag aanwijzen met zouten die niets met zeewater te maken heeft en kan Stef mij uitleggen of het toeval is dat NaCl zowel in zeewater als in zoutlagen veel voorkomt.

Stef Heerema

Ik ben benieuwd hoe je gaat onderbouwen dat er problemen bestaan met een zondvloedgrens boven het Tertiair.
Ja, ik kan je meerdere zoutdeposities aanwijzen die aantoonbaar niets met indamping te maken hebben en waar alle seculiere geologen het over eens zijn, dat ze vulkanisch zijn. Denk bijvoorbeeld aan natrocarbonatite vulkanen, zoals de Ol Doinyo Lengai. En sinds 1982 hebben seculiere geologen eindelijk (!) ontdekt dat anhydriet een vulkanische oorsprong kan hebben. (Luhr, J.F., Primary igneous anhydrite: Progress since its recognition in the 1982 El Chichón trachyandesite, Journal of Volcanology and Geothermal Research 175(4):394–407, 2008). Het is zeker geen toeval dat NaCl veel voorkomt in de zee. Dat is het gevolg van erosie van zoutformaties door hemelwater. De zee wordt hierdoor steeds zouter. Ook dit is een aanwijzing tegen het indampingsmodel. We zien nu erosie van zoutformaties door water. Het omgekeerde, dat er een dikke zoutformatie uit zee ontstaat, zien we nergens.

Radagast

Ik heb al aangegeven welke processen die we in aardlagen terug zien, lange tijd nodig hebben. Neem nu de eind-Krijtinslag. De krater in Mexico, tektieten, ejecta, zustermeteorieten en fossielen zeggen allemaal hetzelfde verhaal. De maanden- en jarenlange gevolgen zijn terug te zien in de aardlagen.

Ik zou graag een voorbeeld willen van een zoutlaag die zouten bevat die niet in zeewater voorkomen. De Ol Doinyo Lengai vormt geen uitgestrekte zoutformaties. Inderdaad kan anhydriet een magmatische oorsprong hebben, maar in dat geval verschilt de δ34S van het sulfaat aanzienlijk met dat van zeewater en, jawel, zoutlagen (J.K. Warren, Evaporites, Figure 2.23). Ook heeft u nog geen antwoord gegeven op Nelstead, toen hij zei dat Carnalliet en Bischofiet niet vulkanisch gevormd kunnen worden.

Uw theorie die het veel voorkomen van NaCl in zowel zoutlagen als zeewater wil verklaren, is [m.i.] minder sterk dan zij lijkt. We weten namelijk van waterinclusies de samenstelling van zeewater uit geologische perioden en daaruit blijkt dat zeewater vroeger ook zout was. Hieruit kunnen we ook begrijpen waarom verschillende zoutlagen verschillende samenstellingen hebben: door de tijd heen veranderde de verhouding van verschillende zouten in zeewater ten opzichte van elkaar. Zo blijkt dat in het Siluur er meer Ca in zeewater zat dan tegenwoordig (Warren, p. 102).

Stef Heerema

Het lijkt me niet eenvoudig om een zoutlaag aan te wijzen die zouten bevat die niet in zeewater voorkomen, aangezien zoutlagen eroderen en zodoende het zout leveren aan zeewater. Dat was mijn eerste gedachte toen ik je bericht las. Het leuke is dat je zelf een voorbeeld geeft: “Inderdaad kan anhydriet een magmatische oorsprong hebben, maar in dat geval verschilt de δ34S van het sulfaat aanzienlijk met dat van zeewater en, jawel, zoutlagen (J.K. Warren, Evaporites, Figure 2.23).” Ik heb het betreffende boek in mijn boekenkast en lees inderdaad dat de CaSO4 in limestone (onderdeel zoutformaties) overeenkomt met ‘volcanic sulphur’ en zich onderscheidt van sulfaat in zeewater. Waarmee je vondst mijn bevindingen verder ondersteunt en het indampingsmodel ontkracht. Let wel: anhydriet is slecht oplosbaar in water, waardoor het niet of nauwelijks uitspoelt naar de zee.

Radagast

Eroderen zoutlagen? Ik kan me dat voorstellen bij zoutlagen die zeer dicht aan de oppervlakte liggen, maar ik kan me daar weinig bij voorstellen als we het hebben over zoutlagen die drie kilometer onder de grond liggen.

Volgens mij geeft u geen antwoord op mijn opmerking. Alle verhoudingen δ34S van steenzouten liggen rond die van zeewater. Wat betreft schalie: ik neem aan dat u niet gelooft dat schalie vulkanisch is afgezet? Het is namelijk een sedimentair gesteente. Bovendien is de reikwijdte van δ34S in schalie veel groter dan die van lava of vulkanische gesteenten.

Stef Heerema

Dit plaatje maakt juist zeer duidelijk dat het SO4 in de zee afwijkt van alle andere bronnen van SO4. En ja, vulkanische zoutlagen lossen op in hemelwater en grondwater, waarna het wordt afgevoerd naar de zee. Dat is in Iran en Amerika gewoon te zien in zoutwater beken. Maar ook in de bodem wordt het grondwater rondom zoutformaties steeds zouter. Dit zoutere water vermengt zich, zei het langzaam, met bovenliggend grondwater tot het uiteindelijk het oppervlaktewater verzilt.

Radagast

Drie dingen;
1. Het verschil in δ34S tussen zeewater en zoutformaties is opnieuw te verklaren door verandering in de loop van de tijd. Zo zien we dat de meest recente zoutlagen wat betreft samenstelling het meest op modern zeewater lijken. De andere zoutlagen verschillen, maar liggen rond de waarde voor modern zeewater en niet rond de waarde voor vulkanisch gesteente. Vulkanische gesteenten hebben een δ34S van ong. 0-15. Zoutlagen ongeveer van 12-32 en zeewater ligt mooi midden tussen de zoutlagen met een δ34S van 20.

2. Niet alle zoutformaties eroderen. De formaties van Iran en Amerika zullen waarschijnlijk aan de oppervlakte liggen, maar zoutformaties op drie kilometer diepte zijn buiten bereik van hemelwater en grondwater.

3. Bent u het met mij eens dat schalie nooit een vulkanisch gesteente kan zijn? Bent u het met mij eens dat Bischofiet en Carnalliet nooit vulkanisch gevormd worden?

Stef Heerema

Zullen we maar ophouden over δ34S? De δ34S in zeewater wijkt enorm af van de δ34S in zoutformaties. Dat je daarmee toch wilt aantonen dat de zoutformaties uit water zijn ontstaan, is voor mij niet te volgen. Er zijn veel zoutformaties boven zeeniveau gedeponeerd. Deze eroderen sindsdien. En de formaties beneden zeeniveau hebben vaak zoutpijlers die er boven reiken, waar ze onderhevig zijn aan erosie. Zo wordt de zee steeds zouter. Bischofiet en Carnalliet kunnen uitsluitend vulkanisch gevormd zijn, omdat deze zouten niet onder afzettingen uit water bedolven kunnen worden. Ze zouden er namelijk meteen in oplossen en verdwijnen. De water-component in deze zouten kan worden verklaard door het deel water in de zoutmagma en/of door grondwater, dat in de duizenden jaren na depositie is doorgesijpeld.

Radagast

Volgens mij heb ik al uitgelegd waarom de δ34S van zeewater afwijkt van die van zoutlagen. Overigens wijkt het niet ‘enorm’ af, het ligt juist vlak bij elkaar. Dit in tegenstelling tot de δ34S lava, maar ook, wat nog belangrijker is, van ‘igneous rocks’, die volgens u tegelijk met de zoutlagen tijdens de zondvloed zijn afgezet.

Wat betreft zoutlagen die niets met zeewater te maken hebben: dezelfde δ34S laat ook zien dat zouten in zeewater niet afkomstig zijn van zoutlagen. Er zijn zoutlagen die niet eroderen. Er zijn zouten die niet oplossen en dus nooit in zeewater kunnen zitten.

Het is interessant dat u Bischofiet en Carnalliet geen vulkanische oorsprong toekent. Er zijn namelijk afzettingen met grote hoeveelheden bischofiet: https://en.wikipedia.org/wiki/Bischofite#Deposits. Daaronder ook zeer diepe zoutlagen die niet in contact gekomen zijn met grondwater. Helaas voor uw hypothese zit er geen K en Mg in magmatisch water, maar wel in Carnalliet en Bischofiet: https://en.wikipedia.org/wiki/Magmatic_water#Water_in_silicate_melts.

Stef Heerema

Nogmaals, ik citeer mezelf even: “Bischofiet en Carnalliet kunnen uitsluitend vulkanisch gevormd zijn, omdat deze zouten niet onder afzettingen uit water bedolven kunnen worden. Ze zouden er namelijk meteen in oplossen en verdwijnen.” De formaties waar je naar verwijst ondersteunen dus een vulkanisch ontstaan van zoutlagen.

Radagast

“(…) Deze zouten niet onder afzettingen uit water bedolven kunnen worden.(…)”

Wat u hier zegt is m.a.w. dat deze zouten niet kunnen afgedekt worden door een laag sediment. Bedoelt u dat te zeggen?

Radagast

“De formaties waar je naar verwijst ondersteunen dus een vulkanisch ontstaan van zoutlagen.”
Dan moet u me uitleggen hoe je door een vulkanische eruptie een zoutlaag van niet-magmatische oorsprong kunt krijgen. Een volledige zoutlaag, geen bijafzettingen.

peter b

Als ik erover nadenk…Kilometerdikke zoutlagen pleit redelijkerwijs tegen de indampingshypothese. Hoe diep moeten deze zoutmeren geweest zijn? En waar zien we het vandaag de dag plaatsvinden? Liggen er kilometerdikke ononderbroken zoutlagen onder hedendaagse zoutmeren die bezig zijn met indampen? Zijn er zulke waarnemingen? Ik denk altijd maar zo…wat vandaag de dag niet gebeurt, gebeurde vroeger ook niet. Dat is geheel conform het uniformiteitsprincipe, lijkt me.

Reply
Leon van den Berg

Beste Peter B.

De zoutbekkens zijn meestal slenken die tijdens de slenkvorming opgevuld worden. In het geval van het Zechstein is het bekken 1 km (regelmatig onderbroken ) zout plus 3 km sediment = 4 km diep. Thans zien wij dit proces nergens op Aarde plaatsvinden, de Dode Zee lijkt er nog het meeste op (10 km zout !) maar daar komt het water grotendeels van rivieren.

Het uniformiteitsprincipe betekent (tegenwoordig) uitlsuitend dat chemische en natuurkundige wetten die vandaag gelden in het verleden ook golden.

Eppie

Beste Leon,
Je schetst naar aanleiding van de hypothese van dhr. Heerema een bepaald scenario en werpt daar een aantal bezwaren tegen op. Inderdaad zijn er een aantal bezwaren tegen het scenario in te brengen, zoals die ook zijn in te brengen tegen het evaporatie model. Daar hebben we elders van gedachten over gewisseld. Mijns inziens ga je te makkelijk voorbij aan de bevinding dat de haliet zuiver is. Naast het scenario dat je schetst zouden ook andere mogelijke scenario’s opgesteld kunnen worden. Wat mij het meest boeit is de vondst van pollen in haliet. Immers, pollen hebben een lage dichtheid en het is niet de verwachting dat als ze in halien water terecht komen (volgens het evaporatiemodel) ze op de bodem zouden belanden, dat zou veel eerder van ingewaaid stof verwacht worden wat een hogere dichtheid heeft. Toch worden inderdaad pollen gevonden (Stan, Encyclopedia of Geobiology, 2011). Sterker nog, er worden levende bacteriën uit steenzout gekweekt. Levende bacteriën! Gekweekt! Uit steenzout van vermeend miljoenen jaren oud. Het betreft bacteriën die geen sporen kunnen vormen. Daarnaast wordt DNA geïsoleerd uit steenzout tot vermeend 425 miljoen jaar oud. We weten dat de halfwaardetijd van DNA 512 jaar is (Kaplan, Nature 2012), zodat materiaal met een ouderdom van meer dan 1.5 miljoen jaar geen DNA meer kan bevatten. De vondst van pollen en bacteriën zou contaminatie kunnen zijn, dan pleit het niet tegen een magmatische oorsprong. Als het geen contaminatie is, dan pleit het enerzijds tegen een magmatische oorsprong van de haliet maar anderzijds ook tegen de vermeende ouderdom van de zoutlagen van miljoenen jaren. Intrigerend.

Reply
Stef Heerema

Eddie,
De bacteriën (bijvoorbeeld in de Salado formatie) zijn aangetroffen in een ‘dissolution pipe’. Zie het artikel van Holt et al, 2011, ‘Synsedimentary dissolution pipes and the isolation of ancient bacteria and cellulose’. Hier is na primaire depositie en stolling van de zoutmagma een waterstroom door het zout opwaarts gedrongen. Natuurkundig zou dit proces alsvolgt hebben kunnen werken: een waterbel lost bovenliggend zout op, wat onder in de waterbel weer wordt afgezet. Zo dringt de waterbel opwaarts in de zoutlaag. Dit levert een herkenbare ‘dissolution pipe’ op, een verticale pijp van hergekristalliseerd zout. Tussen de nieuwgevormde kristallen kan dit water ingesloten raken. Dat het water rondom zoutformaties zoutminnende bacteriën bevatte is logisch. Deze kunnen zo in de ‘dissolution pipe’ terecht komen. Deze bacteriën worden dus ten onrechte gekenschetst als autochtoon (zoals door EvdHeide is betoogd in de JoC, 2002, Bacterial life in ancient salt). Ze zijn allochtoon, want door diagenese naderhand van buiten aangevoerd. Wel terecht heeft Evert van der Heide geconcludeerd dat de sporen van bacteriën niet zo lang levensvatbaar kunnen blijven in verzadigd zout water. Hij heeft een uitstekende bijdrage aan het debat geleverd met deze studie.

Leon van den Berg

De omslag van (vrijwel) exclusieve zouten naar “gewone” sedimenten, om te beginnen de beroemde “Buntsandstein”, een veelgebruikte zandsteen, het begin van het Mesozoicum, is inderdaad opvallend.

Verschillende gebeurtenissen kunnen dit veroorzaakt hebben: a) het werd nog wat warmer en droger (die rode zandstenen wijzen daar op), de ijskappen smeltten nog verder en de zeespiegel steeg zodat het bekken volledig volliep met zeewater met een normaal zoutgehalte b) er ontstond een verbinding met de Tethys oceaan waardoor het bekken geen vrijwel afgesloten bekken meer was. [Dat is] eerste jaars historische geologie en daarmee is dat niet waar maar wel alreeds geponeerd.

Reply
peter b

“Het uniformiteitsprincipe betekent (tegenwoordig) uitlsuitend dat chemische en natuurkundige wetten die vandaag gelden in het verleden ook golden.” zegt Leon.

Het uniformiteitspricipe gaat niet over chemische en fysische wetten, het gaat over waarnemingen. Over dingen die we kunnen zien, meten en observeren. We hoeven dus niet te verwachten, noch te poneren, dat indamping een rol van betekenis speelde in het verleden omdat we het nu nergens waarnemen.

Leon van den Berg

“Dat de cementatie het gesteente zo hard zou maken als cement en waarschijnlijk de opwaartse beweging niet toe zou laten, blijft ongenoemd.”

Stef heeft het over cementatie, hij concludeert dat (al) het gesteente daarmee zo hard zou worden als cement en vervolgens heeft hij steeds over “beton”. Verdere analyse van de gesteentemechanica van zijn kant ontbreekt.

Welnu, gesteente, of het nu (zoals in Limburg) mergel is, schalie, zandsteen, cement of beton, heeft een relatief hoge druksterkte maar een lage buigsterkte, vandaar dat betonnen overspanningen altijd met ijzer gewapend worden. Bovendien is gesteente vaak dun gelaagd, dat maakt het nog breekbaarder. Kijkt u eens naar het plaatje, dan ziet u dat de lagen van de “overburden” op de eerste plaats “gebogen” worden.

Reply
Andre

Leon,

Stef heeft het hierboven over vers sediment dat door vloeibaar zout zou worden gepenetreerd. Hoe zou het plaatje dat jij in jouw reactie bijvoegt er uitgezien hebben als dat inderdaad gebeurd was?
Bovendien zie je verder dat een aantal overburden laagjes “verdunnen” in de buurt van de zoutdiapier. Dat duidt m.i op een semi vloeibare toestand. Bij haliet zou je dat verwachten, maar bij droog klei en zand lijkt mij dat vreemd.

Leon van den Berg

Andre,

Het model van Stef gaat mijn verbeeldingskracht volledig te boven.

Ik kan met dat plaatje niet vaststellen of die lagen echt verdunnen (wat zou kunnen als het diapirisme synsedimentair was), of dat geophysische vertekening of dat het tectonisch is. Ik heb de indruk dat er aan de voet een heel set afschuivingen zit, maar dat kan ook echo zijn.

Leon van den Berg

Stef stelt hier dat Steenzout een mix is van allerlei zouten en daarmee een dichtheid van 2350 kg/m3 zou hebben.

Stef stelde eerder dat het zout juist uit vrijwel zuiver haliet bestaat zie,vanaf 6:20 : https://www.youtube.com/watch?feature=player_embedded&v=jvEJB0Dmf2Q
en dat klopt, lees bijvoorbeeld : https://www.akzonobel.com/wegenzout/system/images/AkzoNobel_Visie_Gladheidbestrijding_201405_tcm116-86191.pdf

Steenzout is (soms enigzins vervuild) haliet, NaCl of keukenzout en heeft een dichtheid van 2160 kg/m3 : https://nl.wikipedia.org/wiki/Haliet

Reply
Leon van den Berg

Stef illustreert zijn idee van dichtheids-verschillen met een figuur van de Segeberger Kalkberg in Noord-Duitsland waarin hij zo te zien zelf dichtheden heeft toegekend aan de overburden, geëxtrapoleerd vanuit de door hem verzamelde metingen in Nederland. In deze figuur zien wij uitsluitend de top van een zoutdiapier met de gebruikelijke “gipshoed”. Als het al een diapier is want het lijkt veel op een plooi. Plooiing en diapirisme gaan vaak hand in hand bij zouttektoniek.

De werkelijke situatie wat betreft gipshoed, dichtheden en zwaartekracht bij een zout-diapier is te zien in deze figuur, de gipshoed is in donkergrijs. Let op het zwaartekrachttekort boven de diapier!

Reply
Leon van den Berg

Stef gaat in dit artikel volledig voorbij aan drie basis-elementen van de geologie: stratigrafie, sedimentologie en metamorphose. Ik zal ze in drie aparte reply’s behandelen

Stratigrafie
De sedimentlagen waaruit de “overburden” bestaat omvat het Mesozoicum en het Tertiair. De fossiel-inhoud van deze twee “Eras” (en andere Eras) worden gekenmerkt door onder andere een sortering van fossielen, een sortering die dermate herkenbaar en precies is dat die, al voordat Darwin met de evolutietheorie kwam, gebruikt werd door mijnbouwers en later in de olie- en gaswinning om de structuur van de ondergrond te kennen. Gidsfossielen zijn fossielen die karakteristiek zijn voor een bepaalde (sub)periode.

Nergens verklaart Stef deze sortering. In het model zoals hij het hier presenteert lijken de sedimenten zelfs met het water uit de diepte te komen. Dus hoe komt het in zijn model nu dat die fossielen zo netjes in die sedimenten gesorteerd zijn en waar komen die fossielen vandaan ? Hoe komt het in zijn model dat bepaalde ammonieten uitsluitend in bepaalde lagen voorkomen?

Reply
Andre

Leon,

Als je even tijd hebt … ik ben oprecht benieuwd naar een antwoord op mijn vraag hierboven, dus hoe zou de overburden rond de diapier eruit zien als we uitgaan van Stef zijn verhaal dat zout door een zachte laag sediment zou penetreren en waarom lijkt het dat de overburden a.h.w. verdunt is in de buurt van de zout diapier (ik zie nu dat Stef dat in zijn stukje ook genoemd heeft)

Leon van den Berg

Beste Andre,

Het is moeilijk te zeggen hoe de overburden er uit zou zien als het nog onverhard was tijdens de fase van diapirisme. Zand en ook siltige klei kunnen op micro-schaal kleine breukjes vertonen (zie plaatje), breukjes die je misschien op grote schaal niet ziet. Is er sprake van horizontale extensie dan kan er boudinage of afschuiving optreden. Hier in deze plaatjes allemaal fenomenen op relatief kleine schaal, maar ze kunnen ook op grote schaal optreden.

Direct op het Zechstein ligt de “Buntsandstein”. Zand, ook vers gesedimenteerd, vervormt “bros” (brittle) met inwendige vrijwing en de circels van Mohr, volgens de “wetten” van Terzaghi en zo, het is geen “modder”. Tenzij er volledige wateroverspanning is omdat het water niet weg kan, dan kan er liquefaction ontstaan en deformeert het eventueel als een vloeistof, maar als het water niet weg kan dan compacteert het niet en blijft het waarschijnlijk lichter dan vloeibaar zout (als dat er zou zijn). Vloeibaar steenzout weegt 1400 kg/m3, als ik het wel heb. Ongecompacteerd klei, silt en fijne kalk weegt minder.

Leon van den Berg

Sedimentologie

De sedimentlagen van het Tertiair en het Mesozoïcum kennen een grote variatie. Emblematische voorbeelden zijn de zandstenen van de Buntsandstein en de kalken van het Krijt. De zandstenen van het Buntsandstein wijzen op sterke erosie in het achterland, stroming (zeker), en vooral een aride (!) klimaat. De kalken die men in het Krijt wijzen, met hun regelmatige laagvorming op een hele rustige Aarde: weinig tektoniek.

Bij een grote modderstroom zoals Stef die lijkt voor te stellen zou men kunnen denken aan structuren die men vindt in olistostromen (zie plaatje). Het hele Tertiair en Mesozoïcum zou één olistostroom moeten zijn en dat is niet het geval.

Reply
Leon van den Berg

En nu mijn laatste bijdrage: Metamorfose

Als lava (en volgens Stef vloeibaar zout van meer dan 800 °C) in contact komt met een nevengesteente dan laat dat altijd sporen op het contact achter, geologen noemen dat contact-metamorfose. Karakteristieke, goed bekende reacties. Gebeurt de uitvloeiing onder water dan zal ook de lava op het contact met water bepaalde hydro-thermale reacties en typische structuren zoals bijvoorbeeld “pillow-lava” vertonen. Degelijke fenomenen zijn bij zoutlagen en diapieren nooit waargenomen.

Let wel, het is niet voldoende om er op te wijzen dat, zoals Stef ergens zei, dat de Kupferschiefer lokaal chemische reacties ondergaan heeft, nee, overal waar het contact is moet er contact-metamorfose te zien zijn. (…)

Reply
peter b

Even de proef op de som, Leon. Als ik 34,5 gram ruw gedolven steenzout van de Zechsteinformatie oplos in 1 liter water en ik laat het chemisch analyseren, wat krijg ik dan voor data…hoe is dan de ionische (Na, Mg, Cl, Br, etc) verdeling. Kun je daar ook even een wetenschappelijk artikel aan linken? Thanks.

Reply
peter b

Leon, mijn vraag was een serieuze. Deze link van akzo gaat over strooizout met antiklontermiddel. Ik wil graag een chemische analyse zien van de ionen (Na, Cl, Mg, K, Ca, sulfaat, ) en hun verhoudingen die we aantreffen in 34,50 gram vast steenzout gewonnen uit de Zechstein-laag opgelost in 1,00 liter water. Heb je zo’n studie? Het relatieve voorkomen van ionen kan namelijk uitsluitsel geven over de oorsprong van deze kilometerdikke lagen. Als het ongeveer gelijk is met zeewater, dan heeft het indampingsmodel een puntje verdient. Laten we het wetenschappelijk aanpakken, nietwaar?

(Overigens valt wel al op dat het direct ter plekke (diep onder de grond) gewonnen vacuuumzout extreem puur is, terwijl zeezout erg veel sulfaten bevat. En dat terwijl sulfaten zeer goed oplosbaar zijn in water. Dat is een puntje voor vulkaanzout, toch?)

Leon van den Berg

Peter B.

Mijn antwoord was ook een serieuze, behalve dan dat het geen wetenschappelijk artikel was. Het is dat wat er gedolven wordt, afgezien van wat antiklontermiddel.

Ik heb geen “wetenschappelijk artikel” voor je maar ik kan je wel verklappen dat de samenstelling absoluut niet overeenkomt met zeezout en waarom dat niet zo is heb ik middels uitgebreide correspondentie met Stef al uit de doeken gedaan. (…) Ik zou zeggen, surf eens wat op de term “evaporites” als je meer wilt weten (…).

peter b

“Ik heb geen “wetenschappelijk artikel” voor je…”

Dat is nou echt jammer dat je je beweringen niet met een wetenschappelijke publicatie kunt onderbouwen.

“maar ik kan je wel verklappen dat de samenstelling absoluut niet overeenkomt met zeezout…”

Daar heeft Stef dus gelijk in.

“…en waarom dat niet zo is heb ik middels uitgebreide correspondentie met Stef al uit de doeken gedaan. (…)”

(…) Het indampingsverhaal baseert op iets dat momenteel nergens gebeurt, het is niet in overeenstemming met de waarneminegn en data, en niet met het uniformiteitprincipe (wat we hedentendage zien moet het verelden verklaren) en we kunnen het blijkbaar ook niet door wetenschappelijk analyseren benaderen.

Waarom zou het indampingsmodel dan waar zijn, Leon? Waarom zou er geen sprake kunnen zijn van een vulkanische oorsprong van die kilometerdikke lage zout? Waarom is dat volgens jou onmogelijk?

Andre

Peter B

Het zout dat middels oplossen uit de bodem gehaald wordt kan dacht ik niet meer CaSo4 bevatten dan pakweg 0,6 gewichtsprocent. Immers de oplosbaarheid van CaSO4 is ongeveer 2,1 gram per liter en van NaCl 350 gram. Er wordt bijna verzadigde pekel omhoog gehaald , (anders moet je wel erg veel water laten verdampen) dus dat bepaalt de verhouding van zout en gips. En soortgelijk argument geldt denk ik voor de andere zouten. Op deze manier kun je (vermoed ik) dus niet de samenstelling van het steenzout bepalen uit de analyse van de opgepompte pekel.

Reply
peter b

Andre, als je det temperatuur van het water en het oplosbaarheidproduct van de zouten weet kun je dit eenvoudig berekenen. Bovendien wil ik ook graag de verhoudingen van de andere ionen die ik hierboven vermelde gemeten hebben, want dan hebben we uitsluitsel.

Andre

Peter B.,

Ik begrijp niet helemaal hoe je met behulp van oplosbaarheidproducten alsnog de verschillende bestanddelen waaruit het steenzout bestaat wilt afleiden.

Stel dat steenzout voor 5% uit CaSO4 bestaat dan lost er toch maar verhoudingsgewijz 0,6 % van op. Dit kan mogelijk wat verschillen bij verschillende temperaturen waardoor je nog iets meer kunt afleiden, maar dat heb ik niet helder op het netvlies. Volgens mij kun je beter de droge mijnen ingaan en daar samples nemen.

Het blijft m.i. wel een probleem voor het model van Stef dat naarmate het steenzout in de diapieren procentueel meer haliet bevat (wat te verwachten lijkt bij magmatische oorsprong), het soortelijk gewicht meer naar de 2,17 kg/liter gaat. Maar dan gaat wat Stef hierboven schrijft (soortelijk gewicht steenzout 2,3 -2,4) vermoedelijk niet op. Het is overigens verbazend hoe lastig het is om betrouwbare info te vinden over de samenstelling van de zoutlaag en de diapieren. Vermoedelijk staat het vooral in stokoude boeken.

Reply
peter b

(…) De 19e eeuwse hypothese van indampende zeeën werd niet onderzocht maar meteen als waarheid aangenomen (net als darwinstische evolutie). Geen enkel experiment of waarneming werd ondernomen om deze hypotheses te onderzoeken en te verwerpen. Een groot deel der wetenschappen baseert nog steeds op 19e eeuwse (…) aannames die als waarheden worden gepropageerd.

Eppie

Het huidige evaporatiemodel is fysisch gesproken geen mogelijke verklaring voor het ontstaan van een kilometer dikke zoutlaag. Het ontstaan van een dergelijke laag vereist namelijk een uitgebalanceerde combinatie van niveaus van vier afzonderlijke verschijnselen 1) zeebodemdaling. 2) aangroei zoutlaag. 3) zeespiegel stijging vs daling en 4) de hoogte en breedte van de instroomopening van zeewater in het bekken. Het is duidelijk dat de verschillende verschijnselen elkaar ook weer beïnvloeden. Zo zal een zeebodemdaling leiden tot vergroting van de instroomopening. Als een van de vier verschijnselen niet precies afgestemd is op de anderen, kan er al niet meer gesproken worden van een zoutmotor. Chemisch gesproken zijn er ook nog problemen met het verklaren waarom gips op een andere plaats aanwezig is dan haliet. Dit kan niet volledig verklaard worden uit verschil in oplosbaarheidsconstante.
In afbeeldingen van Leon is te zien hoe boven een zoutpijler de zwaartekracht lager is dan er naast. Dat is intrigerend. Van welk ontstaansmodel men ook uitgaat, je zou toch verwachten dat de eindsituatie een evenwicht is waarbij de zwaartekracht horizontaal evenredig verdeeld is, ook al is het ene materiaal lichter dan het andere?

Reply
Stef Heerema

Eddie, ik waardeer je diverse bijdragen bijzonder! Ten aanzien van de zwaartekrachtmeting over deze zoutpijler van minstens 6 km diep (mogelijk veel dieper, maar wordt niet getoond) is van belang dat het omslagpunt van de dichtheid al op 2,5 km diepte is bereikt. De onderste >3,5 km zout zijn dus lichter dan de gesteenten rondom. Logisch dat deze dip in ‘gravity’ wordt gemeten. Wat niet zo logisch is in het reguliere model, is dat deze zoutpijler daar lekker stabiel onder blijft. Immers, die zou nu fluks door moeten stoten en uit moeten stromen over het aardoppervlak. Deze marginale zwaartekrachtsverschillen leiden kennelijk niet tot gesteenteverplaatsingen. Het onderstreept nogmaals dat het reguliere model niet wordt ondersteund door observaties. (…)

Leon van den Berg

Beste “Eppie” en Stef,

Het lijkt mij dat jullie bovenstaande beweringen eerst eens wat zouden moeten onderbouwen. [Een tip:] Misschien zouden jullie daarvoor (…) een paar dagen in de bibliotheek van de Universiteit van Aardwetenschappen in Utrecht kunnen doorbrengen (…), die bibliotheek is vrij toegankelijk en er liggen bergen informatie over dit onderwerp.

Bijgaand nog een plaatje met betrekking tot het zwaartkrachtveld rond een zout-diapier.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

 tekens over