In het Reformatorisch Dagblad van 25 september 2015 verscheen een verslag van het symposium op de Evangelische Hogeschool.1 Om te beginnen spreek ik mijn waardering uit voor het artikel van prof. dr. M.J. Paul2, dat de krant meteen de dag daarna al plaatste en de reactie van drs. E.J. van Dijk op zijn bijdrage (deze verscheen in hetzelfde dagblad op 28 september 2015).3

Prof. Paul constateert dat men bij aanvaarding van de evolutietheorie de uitgangspunten van de natuurwetenschappen accepteert als feiten. Als theoloog gaat hij daarna vooral in op de gevolgen hiervan voor de interpretatie van veel Bijbelse gegevens, die hierdoor onder vuur komen te liggen. Als echter de evolutietheorie niet op feiten, maar slechts op vooronderstellingen is gebaseerd er ook geen noodzaak is om de Bijbelse gegevens te herzien.

baby_zeeschildpad_fragiel_leven.pixabay

In de evolutietheorie moet “Survival of the fittest” leiden tot het ontstaan van hoger ontwikkelde levensvormen uit lagere. Dit is nooit aangetoond.

Mijn reactie, als bioloog, is daarom gebaseerd op de wetenschappelijke kant van de evolutietheorie. Hierover zijn veel vragen te stellen, maar ik wil mij nu beperken tot gegevens uit de moleculaire celbiologie. Deze zijn verkregen uit grondig wetenschappelijk onderzoek en de resultaten hiervan zijn te vinden in een aantal gerenommeerde naslagwerken op dit gebied.4

In de evolutietheorie wordt het principe van “Survival of the fittest” (SF) gehanteerd als een van de drijvende krachten. Het is echter onjuist om een isgelijkteken te zetten tussen SF en evolutie. Dat zou alleen mogen als SF zou leiden tot het ontstaan van hoger ontwikkelde levensvormen uit lagere, bij mijn weten is dit nooit aangetoond, noch in de natuur noch experimenteel.

Wel is het aantoonbaar dat SF via natuurlijke selectie die eigenschappen selecteert, die nageslacht opleveren met betere overlevingskansen voor de soort. Zo blijven zij aangepast aan de leefomgeving. Als men de levende natuur, zoals wij die nu kennen, wil verklaren uit SF, is het goed om zich te realiseren dat alle levende wezens zijn opgebouwd uit cellen. Deze vormen de basis van het verschijnsel dat wij leven noemen.

Als we vanuit dit principe kijken naar de oorsprong van het leven op aarde, zoals evolutionisten zich dat voorstellen, doemen er grote wetenschappelijke problemen op. Er zou dan aan een groot aantal hoogst onwaarschijnlijke voorwaarden voldaan moeten zijn.

Vanuit dode materie zouden dan, via de zogenoemde biochemische evolutie, levende cellen gevormd moeten zijn. Deze cellen zouden in ieder geval stofwisseling moeten vertonen (eigenschap van het leven) en zich kunnen vermenigvuldigen, voordat het principe van SF functioneel kan zijn. Zonder in allerlei biochemische details te vervallen, zal ik hierbij stapsgewijs een aantal van deze voorwaarden noemen die nodig zouden zijn om levende cellen te vormen.

  1. Voor de vorming van een cel zijn op zijn minst tientallen verschillende enkelvoudige moleculen nodig. Deze moeten allemaal gelijktijdig en het liefst in de juiste verhoudingen aanwezig zijn.
  2. Als deze aanwezig zouden zijn geweest, is het hoogst onwaarschijnlijk dat alleen deze moleculen er waren en geen andere moleculen die voor de vorming van levende materie overbodig zijn.
  3. Er moet dan selectie hebben plaatsgevonden tussen de wel en niet bruikbare grondstoffen. Dan komt de vraag om de hoek kijken: Hoe heeft deze selectie plaatsgevonden?
  4. Stel dat aan deze 3 voorwaarden zou zijn voldaan dan zijn er een groot aantal chemische reacties nodig om uit deze enkelvoudige moleculen de noodzakelijke complexere moleculen te vormen. Deze reacties zijn nodig voor de opbouw van allerlei celstructuren. Dit soort reacties verlopen echter niet spontaan. Doelgerichte organische reacties vereisen speciale omstandigheden, die, per gewenst product, meestal heel verschillend zijn.
  5. Als er al zulke reacties zouden hebben plaatsgevonden, dan ontstaat een soortgelijk probleem als bij voorwaarden 2 en 3.
  6. Celstructuren (organellen) vormen zich niet vanzelf ook al zijn alle benodigde stoffen aanwezig. Wetenschappelijk is het niet aantoonbaar dat dit ook daadwerkelijk gebeurd is. Celorganellen ontstaan uitsluitend uit de reeds aanwezige organellen in levende cellen.
  7. Zelfs als men cellen al structureel zou kunnen vormen (wat tot nu toe nog niet mogelijk is), dan zijn ze nog steeds niet zelfvoorzienend. Er moet namelijk stofwisseling mogelijk zijn voor o.a. de energievoorziening van de cel.
  8. Deze cellen moeten dus meteen al de mogelijkheid hebben om energiedragende stoffen te kunnen opnemen, of de cel moet ze zelf kunnen vormen. Die stoffen moeten dan wel beschikbaar zijn.
  9. Voor de selectieve opname van deze stoffen zijn bepaalde complexe eiwitten en energie nodig. In werkelijkheid zijn deze eiwitten al nodig vanaf voorwaarde 4.
  10. Voor de vorming van zulke doelgerichte eiwitten hebben cellen de informatie nodig die aanwezig is in het DNA van die cellen.
Een typische dierlijke cel. In het cytoplasma zijn de belangrijkste organellen en celstructuren: 1. Nucleolus, 2. Kern, 3. Ribosoom, 4. Vesikel, 5. Ruw endoplasmatisch reticulum, 6. Golgi-apparaat, 7. Cytoskelet, 8. Glad endoplasmatisch reticulum, 9. mitochondria, 10. Vacuole, 11. Cytosol, 12. Lysosoom, 13. Centriolen. Deze organellen

Een typische dierlijke cel. In het cytoplasma zijn de belangrijkste organellen en celstructuren: 1. Nucleolus, 2. Kern, 3. Ribosoom, 4. Vesikel, 5. Ruw endoplasmatisch reticulum, 6. Golgi-apparaat, 7. Cytoskelet, 8. Glad endoplasmatisch reticulum, 9. mitochondria, 10. Vacuole, 11. Cytosol, 12. Lysosoom, 13. Centriolen.
Deze organellen vormen zich niet vanzelf, maar uitsluitend uit de reeds aanwezige organellen in levende cellen. (bron)

Deze laatstgenoemde voorwaarde draagt meteen een onmogelijkheid met zich mee. Voor de vorming van functionele complexe eiwitten, zoals enzymen, is DNA noodzakelijk. Maar voor de vorming van DNA zijn een flink aantal verschillende enzymen nodig. In werkelijkheid verlopen vrijwel alle biochemische omzettingen, die nodig zijn voor de structuur en de levensfuncties van een cel, slechts m.b.v. gespecialiseerde enzymen. Conclusie: zonder DNA geen enzymen, zonder enzymen geen leven.

Om alles te beschrijven wat er in levende cellen aan processen plaats vindt zijn er verscheidene naslagwerken gepubliceerd met meestal meer dan duizend bladzijden. Bedenk daarbij dat voor al die levensprocessen honderden verschillende chemische verbindingen nodig zijn. Deze moeten allemaal, op het juiste moment op de juiste plaats, in een cel zijn aanwezig zijn. Dit in een ruimte die vele malen kleiner is dan een 0,01 kubieke mm. Tel daarbij de miljoenen verschillende levensvormen (dieren, planten, micro-organismen) die allemaal uit cellen bestaan op, dan schiet ons menselijk verstand te kort om te kunnen geloven dat al deze complexe doelmatige systemen op toevalligheden berusten.

Ik kom dan ook tot de slotsom dat er veel meer geloof nodig voor gemeenschappelijke afstamming, dan voor een alwetende Schepper met een onvoorstelbare intelligentie zoals de Bijbel ons leert. Hij ontwierp heel onze kosmos en houdt deze in stand tot Zijn doel. Dat ook voor deze zienswijze geloof nodig is leert de Bijbel ons in Hebreeën 11:3.

Voetnoten

  1. Verslaggever, 2015, “Leer kinderen dat God en evolutie bij elkaar passen”, Reformatorisch Dagblad 45 (148): 5.
  2. Paul, M.J., 2015, Keuze symposium EH eenzijdig, Reformatorisch Dagblad Puntkomma 45 (149): 15 en op logos.nl.
  3. Dijk, E.J. van, 2015, EH zoekt liefde, heiligheid en vrijheid, Reformatorisch Dagblad Puntkomma 45 (150): 6
  4. Alberts, B., Johnson, A., Lewis, J., Raff, M., Roberts, K., Walter, P., 2007, Molecular Biology of the Cell 5th Edition (New York: Garland Science).

LEUK ARTIKEL?
Bent u blij met dit artikel? Het onderhoud en de ontwikkeling van deze website vragen financiële offers. Zou u ons willen steunen met een maandelijkse bijdrage? Dat kan door ons donatieformulier in te vullen of een bijdrage over te schrijven naar NL53 INGB000 7655373 t.n.v. Logos Instituut. Logos Instituut is een ANBI-stichting en dat wil zeggen dat uw gift fiscaal aftrekbaar is.

Written by

Drs. P. den Breejen was vanaf nov. 1960 tot 1976 werkzaam als analist, aanvankelijk werkte hij mee aan enkele research-projecten van 2 TNO-instituten. Hierna kwam hij in dienst van het pathologisch laboratorium van het academisch ziekenhuis Dijkzigt in Rotterdam, op de afd. elektronenmicroscopie. Daar was hij betrokken bij een onderzoek van dr. W.C. de Bruin, wat resulteerde in zijn proefschrift: “De pathogenese van experimenteel verwekte Atheromatose bij konijnen”. Tijdens dit onderzoek werd veel aandacht besteed aan het zichtbaar maken van celstructuren voor electronenmicroscopische waarneming.
Naast zijn werk op dit laboratorium studeerde hij van 1971-1978 biologie (parttime) aan de Rijksuniversiteit Utrecht. Deze studie werd afgesloten met een doctoraalscriptie over de relatie tussen de buitenmembraam van het Rauscher Leukemie virus en zijn gastheercel.
Vanaf aug 1977 tot aug 2006 was hij docent biologie aan de Christelijke Scholengemeenschap “De Lage Waard” voor HAVO en VWO en vanaf 1990 gaf hij daarnaast ook godsdienstlessen. Sinds zijn pensioen verdiept hij zich opnieuw in de moleculaire celbiologie.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

 tekens over