Wanneer Jezus aangeeft wie waarlijk een discipel van Hem is, dan is het criterium niet orthodoxie, de juiste leer, maar de liefde (Joh. 13:35). Ook als mede-christenen afdwalen in hun geloof, moeten we de liefde betrachten. We hebben te veel getwist en te veel veroordeeld. Maar dat betekent niet dat we alles maar goed moeten vinden en nooit iets mogen zeggen. Wanneer de heiligheid van God en het verlossingswerk van Jezus Christus in het geding zijn, mogen we niet zwijgen. Naar mijn mening is er in het nieuwe boek van Gijsbert van den Brink: En de aarde bracht voort een grens overschreden. Daarom wil ik aan dit boek enige aandacht schenken. Bovenal wil ik er graag een positief artikel van maken, namelijk over de betekenisvan het paradijs- en zondevalverhaal. Ik ben ervan overtuigd dat het bijbelse verhaal als historisch verslag ons het juiste zicht geeft op het probleem van het lijden en het verlossingswerk van Jezus Christus.

Tegen creationisme

Prof. van den Brink is van mening dat de evolutietheorie te verenigen valt met het orthodox-christelijke geloof. Het feit dat creationisten de evolutietheorie afwijzen, is hem daarom een doorn in het oog. Ze worden negatief afgeschilderd als angsthazen (14); ze doen “een gekunstelde poging om te ontsnappen aan een veel meer voor de hand liggende interpretatie van allerlei empirische gegevens” (16) en hun aanname dat het bijbelse verslag over de schepping betrouwbaar is, leidt tot “ijsschots springen” (119). Verder beweert hij dat ‘jonge aarde’ creationisten toegeven dat hun zienswijze op puur wetenschappelijke gronden implausibel [onaannemelijk] is (115). Dit mag soms het geval zijn, maar er zijn nog genoeg christen-wetenschappers die ook wetenschappelijke bezwaren hebben tegen de evolutietheorie. Zo ken ik bijvoorbeeld een geoloog in België die eerst in evolutie geloofde, maar er op wetenschappelijke gronden mee heeft gebroken.

Bezwaren tegen evolutie

Zelf heb ik in een vorig artikel (in Promise van april 2015) over het scheppingsverhaal enige wetenschappelijke bezwaren tegen de evolutietheorie ingebracht. Hieronder volgen nog enkele kritische noten.
1. Eén reden waarom mensen in evolutie geloven, is de geologische tijdschaal: volgens wetenschappers zijn de fossielen miljoenen jaren oud. Maar kloppen de moderne dateringsmethoden wel? Ir. J. van der Wulp schrijft hierover het volgende:

“Gewoonlijk wordt aangenomen, dat de leeftijden van zeer oude gesteenten en voorwerpen met radio-actieve meetmethoden absoluut juist kunnen worden bepaald. Men werkt met het begrip halfwaardetijd, dat is de tijd waarin de beginmassa van een radio-actieve stof door het verval tot de helft van de oorspronkelijke waarde wordt teruggebracht. Voor alle tijden, en vooral die langer dan zeg 5.000 jaar, die niet met andere meetmethoden kunnen worden gecontroleerd, moet men er zeker van zijn: a. dat het uitgangsmonster niet verontreinigd was door andere stoffen, b. dat de radio-actieve vervalsnelheid al die tijd constant is gebleven, c. dat er niets van dezelfde stof is bijgekomen of afgegaan tijdens het verval, noch dat de stof van aard is veranderd. In de praktijk kunnen alle drie afwijkingen tezamen voorkomen. Voor een universele kosmische klok maakt men gebruik van het verval van de stof Remium-187 tot Osmium-187. De halfwaardetijd is 42 miljard jaar bij zuivere en neutrale Remium-atomen. In het laboratorium te Darmstadt werd een proef opgezet met geïoniseerde, dus niet zuivere, niet neutrale, Remium-atomen. Bij het meten van het bêta-verval (electronenverval) moest men verbaasd concluderen, dat de halfwaardetijd terugviel tot 33 jaar, meer dan een miljard maal kleiner dan de theoretische waarde voor de zuivere stof. De consequentie is, dat alle lange tijden voor kosmische processen onbetrouwbaar moeten worden geacht, want men kan niet met zekerheid vaststellen, dat zolang geleden aan de bovengenoemde voorwaarden voor de radioactieve meetmethode werd voldaan”.

Als de fossielen geen miljoenen jaren oud zijn, kunnen ze tijdens de zondvloed zijn ontstaan. Het proces van fossilisatie wijst ook op een catastrofe.

Volgens Van den Brink zijn de eerste leden van onze soort homo sapiens zo’n 200.000 jaar geleden in Afrika verschenen. Kan dit waar zijn? Ir. van der Wulp schrijft:

“Demografische computermodellen van de groei van de aantallen mensen op aarde gaan uit van de huidige ruim zes miljard mensen, en rekenen dan terug naar het verleden. Rekening houdend met rampen, oorlogen, voedselschaarste, ziekten en plagen, en met de klimatologische en agrarische verschillen, bepaalt men per streek een gemiddeld groeipercentage, wat nog varieert met de tijd, afhankelijk van de bekende geschiedkundige perioden. Dergelijke zeer complexe computermodellen komen – uitgaande van ruim zes miljard mensen nu-uit op één eerste ouderpaar, levend ongeveer 6000 à 7000 jaar geleden”.

Dan klopt de bijbelse chronologie en is deze betrouwbaarder dan de moderne dateringsmethoden. Augustinus schrijft in De stad van God:

“Ze worden ook nog op een dwaalspoor gebracht door bepaalde leugenachtige geschriften die de geschiedenis van de tijden vele duizenden jaren laten duren, terwijl wij toch uit de Heilige Schrift kunnen berekenen dat er sinds de schepping van de mens nog niet helemaal 6000 jaar zijn verlopen” (555).

2. Van den Brink accepteert de evolutietheorie als de meest plausibele wetenschappelijke verklaring voor de biodiversiteit (grote verscheidenheid in de natuur) (19). Natuurlijke selectie wordt beschouwd als de drijvende kracht achter de evolutie als een soort vervanging voor God. Dat is vreemd. Immers natuurlijke selectie vergroot de variatie niet, maar beperkt die juist door te selecteren en verklaart niet het bestaan van mutaties waardoor selectie mogelijk is. Deze mutaties leiden niet tot nieuwe soorten, maar juist tot degeneratie. Hoe de evolutietheorie de biodiversiteit kan verklaren, is voor mij dan ook een raadsel. Gods creativiteit bij het scheppen is wel een goede verklaring. Toen God de soorten schiep, heeft Hij het vermogen tot variatie ingeschapen, zodat er vele ondersoorten ontstonden.

3. De natuur is één groot netwerk, waarin planten en dieren van elkaar afhankelijk zijn. Een langzaam evolutieproces is hiervoor niet een goed verklaringsmodel. Zo’n netwerk moet vrijwel gelijktijdig zijn ontstaan.

4. Er is ook een ernstig ethisch bezwaar tegen de evolutietheorie aan te voeren. Volgens die theorie laten de fossielen zien dat de dieren reeds miljoenen jaren ziekte, lijden en dood hebben gekend; ook de mens gaat vanaf het begin gebukt onder een dergelijk onheil. Hoe kunnen we nog in een goede God geloven, als Hij een onvolmaakte en wrede natuur heeft geschapen? In een folder las ik: “Door het ontkennen van Gods mooi afgerond scheppingswerk in het begin, houdt ‘theïstische evolutie’ Hem verantwoordelijk voor miljoenen doden per jaar, misvormingen en ziekte vóór de zondeval. Evolutie in atheïstische vorm kan van mensen demonen maken, maar ‘theïstische evolutie’ maakt een demon van God”. Van den Brinks reactie “dat de wereld in Gods ogen nochtans goed is – ‘zeer goed’ zelfs” (179) is geen adequaat antwoord op het probleem. Het idee dat de schepping reeds geïnfiltreerd was door demonische krachten lost het probleem niet op. God blijft dan verantwoordelijk, want Hij heeft dit toegelaten.

Zulke kritische noten ontbreken in zijn boek. Hij gaat er eenvoudig van uit dat de evolutietheorie correct is (14,75). Het gaat tenslotte om een puur wetenschappelijke theorie. Maar is dat waar?

Schepping en evolutie

Van den Brink kan niet ontkennen dat er een groot verschil is tussen het bijbelse verhaal van de schepping in zes dagen en een evolutionair proces van miljoenen jaren. Toch meent hij beide werelden te kunnen verzoenen. Daarvoor hanteert hij een drietal principes.

1. Hij onderscheidt tussen de theologische boodschap van de bijbeltekst en het wereldbeeld waarin deze gevat is (139). Wanneer het bijbelverhaal (bijv. de schepping in zes dagen) verschilt van het evolutionaire wereldbeeld, dan is er in de Bijbel sprake van een verouderd wereldbeeld en moet dat worden vervangen door het moderne wereldbeeld. We moeten het bijbelverhaal niet zo letterlijk nemen en met nieuwe evolutionaire ogen lezen. Het is voor hem niet meer een betrouwbaar historisch verslag, dat we letterlijk kunnen interpreteren. Er zit alleen een historische kern in het verhaal.

2. De evolutietheorie en de scheppingsleer bestrijken volgens hem niet hetzelfde vlak (60). Hij sluit niet uit dat God de eerste levende cel uit het niets schiep (74), maar verder heeft dat leven zich vanzelf ontwikkeld via evolutie. Schepping gaat over het ontstaan van het leven en evolutie over de ontwikkeling daarvan. Maar dat klopt niet helemaal. De evolutietheorie wil niet alleen de ontwikkeling der soorten, maar ook het ontstaan ervan verklaren, wat niet tot het terrein van de wetenschap behoort. We kunnen wel zeggen dat, nadat God de soorten had geschapen, er een bepaalde ontwikkeling heeft plaatsgevonden (micro-evolutie).

3. Hij brengt een scheiding aan tussen geloofsinzichten en evolutiewetenschap. Hij meent dat het bij evolutie gaat om een puur wetenschappelijke theorie (30). Hij heeft het nog wel een keer over een interpretatie van empirische gegevens (16), maar staat er niet bij stil, dat die interpretatie niet zuiver objectief is, maar gekleurd is door de bril van Darwinistische wetenschappers. De evolutietheorie is onlosmakelijk verbonden met een wereldbeschouwing. Het bijbelse getuigenis botst niet met de wetenschap, maar wel met een evolutionair wereldbeeld. Een verwarrende vermenging De hierboven genoemde verzoeningspoging die Van den Brink heeft ondernomen, heeft een verwarrende vermenging als resultaat gehad. Dit is zijn verhaal. Zo’n 200.000 jaar geleden verschenen de eerste leden van onze soort homo sapiens (209). Het waren gewelddadige woestelingen (211), ook onderworpen aan ziekte en dood. Ze konden moorden, maar waren nog schuldeloos (240). God heeft deze mensen 155.000 jaar (!) lang laten aanmodderen. Toen, zo’n 45.000 jaar geleden, gebeurde het “dat God één van de vele geëvolueerde hominiden [mensachtigen] verkoos, deze op enig moment de cognitieve sprong naar het echte menszijn liet maken en met zijn beeld toerustte” (238). Die mens noemt hij Adam. Adam en Eva waren dus niet de eerste en enige mensen. Ze waren verbondshoofden in een populatie (226). Ze hadden vermoedelijk onvergankelijk leven kunnen ontvangen, maar luisterden niet naar God en namen de verkeerde afslag (239). Dit was voor hem de zondeval. Het bijbelse zondevalverhaal heeft de volgende vier kenmerken: a) Adam en Eva waren in het paradijs, in een staat van rechtheid, dus zonder zonde; b) ze waren de eerste en enige mensen; c) Eva werd verleid door de slang (satan); d) er was nog geen dood in de wereld. Deze vier kenmerken ontbreken in zijn verhaal. Hij handhaaft nog wel het begrip zondeval, maar dat is beroofd van de voluit bijbelse betekenis. Ook het verlossingswerk van Jezus hristus heeft vanuit de evolutietheorie een bepaalde transformatie ondergaan. Van den Brink beaamt dat het scheppingswerk aan het einde van Genesis is voltooid (180), maar hij beweert ook dat de schepping nog niet af is (260). De evolutie is op weg naar een nieuwe fase. “Christus brengt ons veeleer tot een hogere zijnswijze” (261). Zo kan je Christus zien als een helper in de evolutie. Dit is een typische New-Age-lering. Mensen kunnen hierdoor gemakkelijk op een dwaalspoor geraken. Dit is mijzelf overkomen, toen ik vroeger in evolutie geloofde. Een Indiase goeroe schreef dat we op weg zijn naar een nieuw en hoger supramentaal bewustzijn. Dat vond ik een boeiend idee en zo ben ik in de New-Age-wereld terechtgekomen. We moeten concluderen dat zijn verhaal grotendeels niet in de Bijbel te vinden is en ook niet op de evolutiewetenschap te funderen is. Van den Brink heeft een eigen verhaal bedacht en is zo in een fantasiewereld terechtgekomen. Dat is tragisch. Het betekent dat we ons theologisch huis bouwen op drijfzand. We kunnen ons echter beter vasthouden aan het Woord van God, want dan staan we op stevige grond. Laten we liever het Bijbelverhaal lezen als een historisch betrouwbaar verslag over de oorsprong van het kwaad. Augustinus schrijft in De stad van God: “Deze interpretaties en eventueel andere, die nog beter kunnen dienen om van het paradijs een geestelijke verklaring te geven, mogen gerust geopperd worden en niemand maakt daar bezwaar tegen. Echter wel op deze voorwaarde, dat men gelooft aan de historische waarheid, zoals die ons in dat volstrekt betrouwbare verhaal van de gebeurtenissen wordt voorgehouden” (610).

Het paradijs

Ook al zijn er in het bijbelse paradijs- en zondevalverhaal elementen te vinden uit de Egyptische godsdienst (bijv. het bestaan van een paradijs, de levensboom en de slang), het is een uniek verhaal dat nergens anders te vinden is. Er is geen sprake van een oudoosters wereldbeeld dat achterhaald is. Het is Gods verhaal. Ik geloof dat er werkelijk een paradijs heeft bestaan en dat er ook twee bomen in het midden van de tuin stonden: de levensboom, die het eeuwige leven kon schenken en de boom van kennis van goed en kwaad, die de dood tot gevolg had, als men van de vrucht at. Er is een nauwe band tussen het oude en het toekomstige paradijs. In Openbaring 2:7 lezen we: “Wie overwint, zal Ik laten eten van de levensboom die in Gods paradijs staat”. In het hemelse Jeruzalem is de levensboom aanwezig: “In het midden van het plein van de stad en aan weerskanten van de rivier stond een levensboom, die twaalf vruchten gaf, elke maand zijn eigen vrucht” (22:2). Er wordt wel eens beweerd dat het woord Eden afgeleid is van het Babylonische woord edinu dat woestenij betekent. Dan zou het paradijs een tuin zijn die omheind is als bescherming tegen de gevaarlijke buitenwereld. Maar Eden is een zuiver Hebreeuws woord. In Jesaja 51:3 ziet men juist een tegenstelling, zelfs dubbel, tussen woestijn en Eden en tussen wildernis en de tuin van de Heer. Het paradijs was een lusthof in een oase. Het moet onvoorstelbaar mooi zijn geweest. Daar hadden Adam en Eva voor eeuwig gelukkig kunnen zijn. Toen voltrok zich echter een drama.

De zondeval

De slang kwam opdagen en verleidde Eva om toch te eten van de vrucht van de boom van kennis. Ook Adam at ervan. De slang is in de christelijke traditie altijd gezien als een spreekbuis van satan. In Openbaring 12:9 lezen we: “De grote draak werd op de aarde gegooid. Hij is de slang van weleer, die duivel of satan wordt genoemd”. Augustinus schrijft in De stad van God: “In het lichamelijk paradijs, waar samen met die beide mensen, de man en de vrouw, ook de andere aardse levende wezens verbleven, onderdanig en zonder kwaad te doen, koos hij (satan) de slang uit… om door haar te spreken” (645). Door ongehoorzaam te zijn aan Gods gebod, heeft de mens tegenover God een zware schuld op zich geladen. Door naar de slang te luisteren, is de mens bovendien in de macht van de satan gekomen. Toen God de mens schiep, heeft Hij man en vrouw de heerschappij over de wereld gegeven: “Vervult de aarde en onderwerpt haar, heerst over de vissen der zee en over al het gedierte der aarde en al het gevogelte des hemels, en al wat op de aarde kruipt” (Gen. 1:28). Toen de mens satan gehoorzaamde, droeg hij daarmee zijn onderkoningschap over aan satan. Zo werd deze de ‘overste der wereld’ (Joh. 12:31; 14:30; 16:11). De gehele kosmos – mens en natuur- is onder invloed van de boze gekomen (1 Joh. 5:19). Als men gelooft dat satan een veroorzaker is van het kwaad in de wereld, krijgt men al gauw de beschuldiging dat men een eeuwig dualisme aanhangt. Maar satan is geen tegengod naast God. Hij is een door God geschapen engel. Hij is echter tegen God in opstand gekomen en heeft een deel van de engelen meegetrokken. Door de zondeval heeft satan het recht gekregen om in de wereld macht uit te oefenen. Daarom kon hij tegen Jezus zeggen: “U zal ik al deze macht geven en hun heerlijkheid, want zij is mij overgegeven, en ik geef haar wie ik wil” (Luc. 4:6). Door satan zijn ziekte, lijden en dood in de wereld gekomen, hetgeen mogelijk werd door de zonde van de mens. In het deuterocanonieke boek Wijsheid – dat voor de eerste christenen tot de Heilige Schrift behoorde – lezen we: “God heeft de dood niet gemaakt” (1:13); “door afgunst van de duivel is de dood in de wereld gekomen” (2:24). Dit is in overeenstemming met het getuigenis van het Nieuwe Testament, waar de dood de grote vijand is en satan de heerser over de dood wordt genoemd (Hebr. 2:14).

We mogen God niet de schuld geven van alle ellende in de wereld. Weliswaar straft Hij van Zijn kant de mens die zondigt, maar Hij handelt altijd rechtvaardig, en niet wreed zoals satan. God is liefde. Ook na de zondeval is Hij zich om de mens blijven bekommeren en heeft Hij bovenal voor een definitieve oplossing gezorgd. In Gen. 3:15 is ons de Messias beloofd. “Dit zaad zal u de kop vermorzelen”. Met dit zaad wordt Jezus Christus bedoeld. Hij zal de heerschappij van satan verbreken.

Jezus de Verlosser

Uit liefde heeft God de Vader Zijn eigen Zoon naar deze wereld gezonden om ons te verlossen. God de Zoon heeft in de moederschoot van Maria de menselijke natuur aangenomen en is als mens geboren. Alleen Hij, de Godmens, kon ons rechtmatig uit de macht van satan bevrijden. Als God de Zoon had Hij macht over satan en diens demonen en heeft Hij op Golgotha de duivelse machten verslagen en onttroond. Als mens heeft Hij, door God te gehoorzamen tot in de dood, onze schuld betaald en ons met God verzoend. Ds. H. de Jong (NGK) schrijft terecht: “Door het verzoenend werk van onze Heiland is hem (satan) de bodem onder de voeten weggetrokken” en heeft hij – evenzo rechtens! – geen been meer om op te staan” (13). Door Zijn kruisoffer heeft Jezus voor ons de hemelpoort geopend. Hij schenkt het eeuwige leven aan ieder die in Hem gelooft.

Ten slotte

Het zal de lezer duidelijk zijn dat de inhoud van het hierboven besproken boek m.i. verwerpelijk is. Maar ik wil niet oordelen over de auteur als persoon. De Heer zal oordelen. Wij kunnen bidden dat de ogen geopend worden voor de onjuistheid van de evolutietheorie en dat de macht van deze ideologie verbroken wordt.

Literatuur

• Prof. dr. Gijsbert van den Brink, En de aarde bracht voort, Utrecht 2016.
• Augustinus, De stad van God, Baarn/Amsterdam 1983.
• Drs. H. de Jong, De overste van deze wereld, Franeker 2015.
• Drs. Martie Dieperink, Het scheppingsverhaal: diepzinnig en waar, Promise april 2015.

Dit artikel is met toestemming overgenomen uit Promise. De volledige bronvermelding luidt: Dieperink, M., 2018, Het paradijs- en zondevalverhaal, Promise 34 (1): 28-30.

LEUK ARTIKEL?
Bent u blij met dit artikel? Het onderhoud en de ontwikkeling van deze website vragen financiële offers. Zou u ons willen steunen met een maandelijkse bijdrage? Dat kan door ons donatieformulier in te vullen of een bijdrage over te schrijven naar NL53 INGB000 7655373 t.n.v. Logos Instituut. Logos Instituut is een ANBI-stichting en dat wil zeggen dat uw gift fiscaal aftrekbaar is.

Written by

Drs. M. Dieperink is theologe en publiceert regelmatig over diverse theologische onderwerpen. Vooral bekend zijn haar boeken en artikelen over New Age en christelijk geloof.