Het volk Israël in Egypte

by | apr 5, 2024 | Geschiedenis, Historische wetenschappen, Opinie

Disclaimer
Er zijn verschillende visies op het verblijf van Israël in Egypte. Sommigen hanteren de standaard Egyptische chronologie. Mozes leefde dan tijdens het Nieuwe Rijk. Anderen zijn van mening dat de Egyptische chronologie moet worden herzien en dat Mozes tijdens het Middenrijk leefde. Ook is er verschil van mening over de duur van het verblijf van Israël in Egypte. Volgens sommigen was dat 215 jaar en volgens anderen 430 jaar. Dit artikel volgt voor wat betreft de uittocht globaal de herziene chronologie van de archeoloog David Down. In zijn chronologie verbleven de Israëlieten 215 jaar in Egypte. Mozes en Jozef leefden dan beiden tijdens het Middenrijk. Als de Israëlieten echter  430 jaar in Egypte woonden, dan leefde Jozef tijdens het Oude Rijk. Verdere onderbouwing van de gehanteerde chronologie is te vinden op https://welleweerd.net/studie/chrono.pdf.

Het verblijf van het volk Israël in Egypte

Egypte

Op 4 juli 2022 besprak het Nederlands Dagblad onder de titel “De uittocht uit Egypte heeft nooit plaatsgevonden, zegt deze wetenschapper” een boek van egyptoloog Marleen Reynders.1 In een reactie onder het artikel reageerde Universitair docent Oude Testament Koert van Bekkum: “Vanouds speelt de uittocht uit Egypte een grote rol in zowel jodendom als christendom. Wat de opstanding van Jezus is voor het Nieuwe Testament, is de exodus voor het Oude Testament. Het verandert je beeld van God en de Bijbel als dat verhaal niet teruggaat op gebeurtenissen in het verleden.”

Maar hoe zit het dan? Het langdurige verblijf van Israël in Egypte en de uittocht passen alleen in de Egyptische geschiedenis als de chronologie van Egypte wordt herzien. Zo stierf de farao van de uittocht, Neferhotep I, op de Bijbelse tijdlijn in 1446 v.Chr., maar in de gebruikelijke chronologie stierf hij in 1730 v.Chr., een verschil 284 jaar.2

Farao Oenas en de wereldwijde hongersnood

Het begon allemaal toen Jozef door zijn broers werd verkocht en naar Egypte werd weggevoerd. Jozef was eerst in dienst bij Potifar, maar kwam vervolgens onschuldig in de gevangenis terecht. In Genesis 41 lezen we dat Jozef in Egypte uit de gevangenis werd gehaald en aan de farao een droom over zeven vette en zeven magere jaren uitlegde. Jozef gaf de farao het advies om tijdens de vette jaren grote voorraden aan te leggen. De farao zag het grote belang van Jozefs woorden in en overlaadde hem met grote eer. Een langdurige hongersnood werd voorkomen doordat de farao het advies van Jozef opvolgde.

Tijdens de regeringsperiode van deze farao waren Opper-Egypte en Neder-Egypte verenigd, want er wordt herhaaldelijk gesproken over “heel het land Egypte”. “Zie, ik stel u hierbij aan over heel het land Egypte” (Genesis 42:41). “Zo stelde hij hem aan over heel het land Egypte” (Genesis 42:43). “Ik ben de farao, maar zonder uw goedvinden zal in heel het land Egypte niemand zijn hand of zijn voet optillen” (Genesis 42:44). “Toen ging Jozef bij de farao weg en trok heel het land Egypte door” (Genesis 42:46). “Er was honger in alle landen, maar in heel het land Egypte was brood” (Genesis 42:54).

Wie was deze farao?

Tijdens de regeerperiode van de laatste farao van de vijfde dynastie, Oenas (1888-1858) is er sprake van hongersnood. Lida de Jong schreef hierover: “Onder de vele afbeeldingen langs de processieweg naar zijn piramide bevindt zich een afbeelding die hiervan verslag doet. Het ‘hongersnoodreliëf’ laat een groep van uitgemergelde en verhongerde mensen zien, waarschijnlijk bedoeïenen. Het kan hier echter ook gaan om een verslag van een goede daad van de farao. Wellicht heeft hij voedselhulp aan het buitenland verleend om de hongerenden te helpen.”3 Dit past goed bij wat we in Genesis 41:57 lezen: “Uit alle landen kwamen ze in Egypte bij Jozef koren kopen, want de honger was in alle landen sterk.”

Volgens Peter Clayton regeerde farao Oenas van 2375-2345 v.Chr.4 In die tijd was er een klimaatafwijking die de periode van de zeven magere jaren, waarbij er in alle landen hongersnood was, kan verklaren. Op de seculiere tijdlijn betreft deze klimaatafwijking de periode tussen 2354 en 2345 v.Chr. met abnormaal smalle jaarringen van Ierse eiken. Deze jaarringen duiden op een periode van catastrofaal verminderde groei van Ierse bomen, mogelijk als gevolg van komeetresten die in de atmosfeer zweefden.5

Het is daarom waarschijnlijk dat Oenas farao was tijdens de zeven jaren van hongersnood. Volgens de Canon van Turijn regeerde Oenas 30 jaar.6 Als Oenas inderdaad farao was tijdens de zeven magere jaren, moet hij in elk geval van 1887 v.Chr. (Jozef wordt onderkoning van Egypte) tot 1859 v.Chr. (Jakob overlijdt) geregeerd hebben.

Teti, de farao die begon met de onderdrukking van het volk Israël

In Genesis 15:13 zegt God tegen Abraham: “Weet wel dat uw nakomelingen vreemdelingen zullen zijn in een land dat niet van hen is; zij zullen hen dienen en men zal hen vierhonderd jaar onderdrukken.” De Israëlieten kwamen in 1876 v.Chr. in Egypte. Dat betekent dat 30 jaar later, in 1846 v.Chr., de onderdrukking van de Israëlieten al begon. Dat was tijdens de regering van farao Teti (1858-1838). Onder farao Teti was niet Jozef, maar waren Kagemni7 en Mereroeka8 vizier. De invloed van Jozef was onder farao Teti dus aanmerkelijk verminderd. Dat de onderdrukking van de Israëlieten al tijdens het leven van Jozef begon, blijkt ook uit het slot van Genesis, waar Jozef op zijn sterfbed tot twee keer toe zegt: “God zal zeker naar jullie omzien” (Genesis 50: 24, 25). Dat was in 1805 v.Chr., tijdens de regering van farao Pepi I (1838-1794).

Deze onderdrukking kon niet verhinderen dat er steeds meer Israëlieten kwamen: “Jozef en zijn broers en al hun generatiegenoten stierven, maar hun nakomelingen kregen veel kinderen en zo breidden de Israëlieten zich steeds meer uit. Ze werden zo talrijk dat ze het hele land bevolkten” (Exodus 1:6-7). In deze periode regeerden in het noorden van Egypte de zesde, zevende en achtste dynastie vanuit Memphis, in het midden van Egypte de negende en tiende dynastie vanuit Herakleopolis, en in het zuiden van Egypte vanuit Thebe de elfde dynastie (1808-1665).

Amenemhat I, de farao die de Israëlieten tot slaven maakte

In Exodus 1:8-11 lezen we: “Er kwam in Egypte een nieuwe koning aan de macht, die Jozef niet gekend had. Hij zei tegen zijn volk: ‘De Israëlieten zijn te sterk voor ons en te talrijk. Laten we verstandig handelen en voorkomen dat dit volk nog groter wordt. Want stel dat er oorlog uitbreekt en zij zich aansluiten bij onze vijanden, de strijd tegen ons aanbinden en uit het land wegtrekken!’ Er werden slavendrijvers aangesteld die de Israëlieten tot zware arbeid dwongen. Ze moesten voor de farao de voorraadsteden Pitom en Raämses bouwen.” De Joodse historicus Flavius Josephus schreef hierover: “Wat ze allemaal aan Jozef te danken hadden, raakte mettertijd in vergetelheid. De heerschappij was overgegaan op een andere dynastie” (Joodse Oudheden 2:202).

De eerste farao van de twaalfde dynastie was Amenemhat I (1665-1636). Hij begon zijn regering 140 jaar nadat Jozef was overleden. Tijdens zijn regering werd begonnen met het bouwen van de voorraadstad Raämses, dat een latere naam is voor Avaris in de Nijldelta.9 Amenemhat I is dus de farao die begon met het tot slaven maken van de Israëlieten.

Farao Senoeseret II en de bouw van piramiden door het volk Israël

Vaak wordt Pitom ook in de Nijldelta gelokaliseerd. Opgravingen door Flinders Petrie in Kahoen (el-Lahoen) laten echter zien, dat een deel van de Israëlieten in de ten zuiden van de Nijldelta gelegen Fajoem woonde.10 Het ligt daarom voor de hand om Pitom in de Fajoem te zoeken en met Kahoen te identificeren. Daar is historisch gezien ook alle reden voor: “Aan het begin van de achtste eeuw van het vijfde millennium kwam R. Saadja Gaon ben Yosef Pithomi (zo genoemd naar zijn geboorteplaats Pithom, in de provincie Fajoem in Egypte) en vertaalde de Pentateuch in het Arabisch”.11 Evenzo lezen we in Reize van Benjamin van Tudela in de jaren 1160-1173 door Europa, Azie en Afrika: “Fajum, Pithom in de schrift, ligt vijf dagreizen verder met omtrent twintig Joden. Er worden nog gebouwen getoond, die door onze voorouders zijn opgehaald.”12

Flavius Josephus over de Israëlieten in Egypte

Flavius Josephus schreef over de onderdrukking van de Israëlieten door de Egyptenaren: “Zo verplichten ze hen het water van de rivier te verdelen over tal van kanalen, de steden te ommuren, en dijken aan te leggen om het rivierwater tegen te houden en te voorkomen dat er bij overstroming moerasvorming zou plaatsvinden. De bouw van piramiden vormde voor ons volk een ware uitputtingsslag, die er overigens wel toe leidde dat we ons allerlei technische vaardigheden eigen maakten en gewend raakten aan hard werken.” (Joodse Oudheden 2:203).

Wat Flavius Josephus hier vertelt, past goed bij de twaalfde dynastie. “Zo begon Sesostris II in de vruchtbare Fajoem, ten zuidwesten van Memphis, aan een ambitieus irrigatieproject dat, toen het eenmaal onder Amenemhet III was voltooid, onder meer bestond uit een 90 meter breed kanaal dat van de Nijl naar een 1700 vierkante kilometer grote natuurlijke laagte voerde. De aanvoer van water werd geregeld met behulp van een dam waarin sluizen waren aangebracht; met het water van het reservoir kon de Fajoem tijdens de jaarlijkse droogte worden bevloeid.”13

Piramiden

Josephus noemt ook piramiden. Hebben de Israëlieten daadwerkelijk aan piramiden gebouwd? Op 800 meter ten Westen van Kahoen (Pitom) bevond zich de piramide van farao Senoeseret II (1571-1552) met daarvoor een kleinere bijpiramide. Kahoen werd door Senoeseret II gesticht om de bouwers van zijn piramide te huisvesten. Deze bouwers moeten Israëlieten geweest zijn, omdat de dwangarbeid van de Israëlieten al tijdens farao Amenemhat I begon. Na de dood van Senoeseret II werkten de bewoners van Kahoen aan de irrigatiewerken in de Fajoem en de piramide van Amenemhat III. F.LI. Griffith schreef: “De welvaart van Kahoen was niet alleen te danken aan de piramide en de tempel van Senoeseret II, maar ook aan de ontelbare werken die de bouw en irrigatieprojecten in de buurt met zich meebrengen. Hotep Senoeseret, zoals het werd genoemd, was een belangrijke opslagplaats tijdens de bouw van de piramide van Amenemhat III in Hawara, en een gekrabbelde brief spreekt van werken op drie plaatsen, namelijk bij Hotep Senoeseret, bij de graftombe van de overleden prinses Neferoeptah en in de stad Aphroditopolis (Atfiyeh)”.14

De Israëlieten in Kahoen (Pitom) hebben dus twee piramiden gebouwd, die van Senoeseret II en die van Amenemhat III (1543-1495).

Kahoen

Kahoen (Lahoen) bestond uit twee gedeelten: een Westelijk gedeelte voor de dwangarbeiders en een Oostelijk gedeelte voor de Egyptische elite. Beide delen waren door een 6 meter hoge muur van elkaar gescheiden. Het gedeelte voor de dwangarbeiders had veel weg van een concentratiekamp. David Mazzone schreef hierover: “De stadsplanning en de consequente sociale orde in el-Lahoen hebben mogelijk een staat van dwang opgelegd aan de bevolking, waardoor mensen effectief in ‘gettowijken’ werden opgesloten met de bedoeling het arbeidspotentieel van duizenden individuen te centraliseren. … De hele westelijke buitenwijk was een gesloten omgeving. Zijn prominente axialiteit, de symmetrische opstelling van huizen, de ommuurde gebieden met beperkte toegang en een strikt systeem van poorten of toegangen tot paden was misschien vereist zodat een paar wachters het effectief konden controleren, misschien zelfs dag en nacht … De bevolking van el-Lahoen, … was hoogstwaarschijnlijk onderworpen aan een zekere mate van dwang. Afzondering en afranselingen kwamen waarschijnlijk veel voor en waren hoogstwaarschijnlijk bedoeld om de buitenlanders te onderwerpen.”15

Amenemhat III, de farao die de Israëlitische jongetjes liet doden

In Exodus 1:15-2:15 gaat het steeds om dezelfde heerser, die afwisselend koning of farao wordt genoemd. Deze farao moet dus lang geregeerd hebben. Amenemhet III (1543-1495) regeerde in totaal 48 jaar. Hij was dus de farao die bevel gaf de pasgeboren Israëlitische jongetjes te doden.

De archeoloog Flinders Petrie deed in dit verband een bijzondere ontdekking: “Grotere houten kisten, waarschijnlijk oorspronkelijk gebruikt om kleding en andere bezittingen in op te bergen, werden onder de vloer van veel huizen in Kahoen ontdekt. Ze bevatten baby’s, soms met twee of drie in een kist begraven, en bij overlijden slechts een paar maanden oud.” 16Kennelijk werden de door de Egyptenaren gedode Israëlitische jongetjes in een kist onder de vloer van het huis begraven.

Farao Amenemhat III had twee dochters, Neferoeptah en Sobekneferoe, en een zoon, de latere farao Amenemhat IV.17 Neferoeptah stierf op jonge leeftijd. . Haar zus Sobekneferoe volgde later Amenemhat IV als farao op. In Exodus 2:5 wordt gesproken over ‘de’ dochter van farao. Neferoeptah was toen dus al overleden en de dochter van farao kan dan niemand anders dan Sobekneferoe zijn geweest. Zij was het die Mozes adopteerde.

Tegen het einde van de regering van Amenemhat III sloeg de geadopteerde Mozes een Egyptenaar dood en vluchtte hij naar Midjan. Volgens Stefanus was Mozes toen 40 jaar oud (Handelingen 7:23). Exodus 2:11 vermeldt echter, dat Mozes zijn volksgenoten opzocht toen hij volwassen geworden was. Jozef werd onderkoning toen hij 30 jaar oud was (Genesis 30:46) en daarvoor had hij al de leiding over de huishouding van Potifar gehad. Dus toen was Jozef al volwassen. Een leeftijd van 25 jaar voor Mozes’ vlucht naar Midjan ligt daarom meer voor de hand.

Amenemhat III wilde Mozes laten doden, maar stierf uiteindelijk zelf en werd opgevolgd door Amenemhat IV (1500-1491), met wie hij eerst een mederegentschap had. Toen Amenemhat IV stierf, was er geen zoon die hem kon opvolgen. Hij is toen door zijn halfzus Sobekneferoe (1491-1487) opgevolgd.

Neferhotep I, de farao van de uittocht uit Egypte

Met de dood van Sobekneferoe eindigde de twaalfde dynastie. David Down schreef hierover: “Een periode van instabiliteit volgde op de ondergang van de 12e dynastie. Veertien koningen volgden elkaar snel op, de eerste regeerden waarschijnlijk in de Delta voordat de 12e dynastie eindigde. Koningen van de 13e dynastie waren al begonnen met regeren in de noordoostelijke delta en toen de 12e dynastie ten einde liep, vulden zij het vacuüm en namen het over als de 13e dynastie. … De verheffing tot heerschappij over heel Egypte door deze koningen resulteerde in hevige onderlinge strijd, resulterend in een snelle opeenvolging van heersers en min of meer anarchie in het land. Dit kwam pas tot rust toen Neferhotep I de troon besteeg en enige stabiliteit herstelde, waarbij hij elf jaar regeerde.

Ik identificeer Khasekemre-Neferhotep I als de farao van wie Mozes de vrijlating van Israël eiste. Ik doe dit omdat Petrie in Kahoen scarabeeën van voormalige koningen heeft gevonden. Maar de laatste scarabee die hij daar vond, was van Neferhotep, die blijkbaar de farao was die regeerde toen de Israëlitische slaven Kahoen plotseling verlieten en tijdens de Exodus uit Egypte vluchtten.”18

De Israëlieten hadden Avaris (Raämses) gebouwd, maar bleven niet de enige bewoners. Tijdens statra H en G/4 (zie https://www.auaris.at/html/history_en.html) was het percentage niet-Israëlieten ongeveer 20% en tijdens stratum G/1-3 ongeveer 40%.19

Noodgraven

In Avaris is bij de grens tussen opgravinglaag G en laag F iets bijzonders aan de hand. Manfred Bietak schreef hierover: “Graven gevonden in opgravinggebieden F/l en A/II, gebieden die meer dan 500 meter uit elkaar liggen, waren blijkbaar noodgraven. Sommigen van hen zijn slechts kuilen waarin lichamen werden gegooid. De meeste waren zonder offers. We denken dat het bewijsmateriaal erop wijst dat er een epidemie door de stad raasde.”20 Siro I. Trevisanato ziet deze epidemie als een uitbarsting van tularemia, een ernstige van dieren op mensen overdraagbare ziekte. De Israëlieten zouden daar als gevolg van hun omgang met het vee immuun voor zijn geweest.21 In werkelijkheid betreft het de dood van de niet-Israëlitische eerstgeborenen tijdens de tiende plaag. De Israëlieten vertrokken dus op de grens tussen opgravinglagen G en F, uit Avaris. Dit was halverwege de dertiende dynastie, in de tijd van Neferhotep I (1457-1446).

Schelfzee

De farao van de uittocht is samen met zijn leger in de Schelfzee verdronken. In Psalm 136:15 wordt over God gezegd: “Hij schudde farao en zijn leger af in de Schelfzee”. Het werkwoord “afschudden” wordt ook in Exodus 14:27 gebruikt: “Jahweh schudde de Egyptenaren af midden in de zee”. Daar hoorde dus ook de farao bij. Dat afschudden deed God door het water terug te laten vloeien, zodat de Egyptenaren verdronken. Dat geldt dus ook voor de farao.

Robert de Telder schreef: ““Een veldslag in het oude Egypte was ook nooit zo maar alleen een oorlog tussen twee volken maar eerder een conflict tussen twee goden … Farao reed hierbij altijd met de standaard van zijn god, op kop van zijn leger, de vijand tegemoet. Gelijkaardig ging het er aan toe bij de achtervolging van de Israëlieten door Farao en zijn legermacht. We kunnen ons aldus voorstellen dat wanneer de Egyptenaren de Israëlieten in de droge bedding van de Schelfzee achtervolgden, dat dit gebeurde met Farao met de standaard van zijn god Sobek, op kop.”22

Neferhotep I verdronk dus in de Schelfzee. Hij werd niet door zijn oudste zoon opgevolgd, die stierf tijdens de tiende plaag (Exodus 12:29), maar door zijn broer Sobekhotep IV (1446-1436). Farao Neferhotep I had nog een andere broer, Sihathor, die kortstondig mederegent was. Het kortstondige meeregentschap van Sihathor verklaart waarom Psalm 105:30 bij de tweede plaag niet over “hun koning”, maar over “hun koningen” spreekt: “Hun land wemelde van kikkers, tot in de kamers van hun koningen” (HSV).

Sihathor was kennelijk de oudste van de drie broers en stierf tijdens de tiende plaag, de dood van de eerstgeborenen. Wikipedia vermeldt: “Tegen het einde van zijn regering deelde Neferhotep I de troon met zijn broer Sihathor, een mederegentschap dat enkele maanden tot een jaar duurde. Sihathor stierf kort voor Neferhotep, die toen waarschijnlijk een andere broer, Sobekhotep IV, tot mederegent benoemde. Hoe dan ook, Sobekhotep IV volgde Neferhotep I kort daarna op en regeerde bijna tien jaar over Egypte. … Neferhotep I benoemde zijn broer Sihathor als mederegent in de laatste maanden van zijn regering en toen zowel Sihathor als Neferhotep I rond dezelfde tijd stierven, werden ze opgevolgd door een andere broer, Sobekhotep IV.”23

Het aantal Israëlieten bij de uittocht

Afgaande op Numeri 1 waren er 603.055 mannelijke Israëlieten van twintig jaar en ouder. Het totale aantal Israëlieten bij de uittocht moet dan ongeveer twee miljoen geweest zijn. In Deuteronomium 7:7 noemt Mozes het volk Israël echter “het kleinste van alle volken”. Daaruit volgt dat het aantal Israëlieten bij uittocht veel minder dan twee miljoen was. Hoe is dit te verklaren?

Het Hebreeuwse woord voor duizend kan twee betekenissen hebben, naast het getal 1000 ook een groep zoals een legerafdeling of een familie. Als we dit in rekening brengen, dan levert de telling van het aantal mannelijke Israëlieten van twintig jaar of daarboven een totaal van 5.550 op.24 Dit is exclusief de stam Levi. Gemiddeld is dat ongeveer 500 per stam. Met de stam Levi er bij wordt dit 6.050, afgerond 6.000. Na de zonde met het gouden kalf stierven 3.000 man. Als we aannemen dat dit allemaal mannen van 20 jaar of ouder waren, dan komt het totaal aantal mannen van 20 jaar of ouder bij de uittocht op ongeveer 9.000. Het aantal vrouwen van 20 jaar of ouder zal ook ongeveer 9.000 geweest zijn. Er waren dan bij de uittocht 18.000 Israëlieten van 20 jaar of ouder. Een redelijke aanname is verder dat het aantal personen onder de 20 jaar ongeveer gelijk was aan het aantal personen boven de 20 jaar.25 Daarmee komt het totaal aantal Israëlieten bij de uittocht op ongeveer 36.000.

Een andere manier om hier aan te rekenen is om uit te gaan van het aantal mannelijke Levieten, “Gerson … met in totaal vijfhonderd mannelijke leden, Kohath … met zeshonderd, Merari … met tweehonderd. In totaal … dertienhonderd mannelijke personen”.26 Het totaal aantal Levieten was dan ongeveer het dubbele: 2600. Vermenigvuldigen we dit getal met 12 dan krijgen we ongeveer het totaal Israëlieten: 31.200. Beide berekeningen leiden dus tot dezelfde orde van grootte. Het gemiddelde van beide waarden is 33.600. Afgerond is dat 34.000.

De meeste Israëlieten woonden in het land Gosen met de grootste concentratie in Avaris (Raämses). In Kahoen (Pitom) woonden minder Israëlieten: “geleerden hebben geschat dat de bevolking van el-Lahoen tot 9000 individuen telde”.27 Van de ongeveer 34.000 Israëlieten die uit Egypte trokken, kunnen er ongeveer 9.000 uit Pitom zijn gekomen en ongeveer 25.000 uit Gosen. De beide groepen ontmoetten elkaar op de verzamelplaats Sukkot.

De locatie van het Egyptische Sukkot en de berg Sinaï

“Het woord Sukkot is … het Hebreeuwse meervoud van Sukka, dat tent of hut betekent. … Sukkot lag aan de Golf van Suez. Het is een Hebreeuwse naam, maar in de buitenbijbelse bronnen is het bekend onder de naam Tharu. In Tharu bevond zich tijdens het Middenrijk van de farao een groot militair legerkamp. Het gaf toegang tot de woestijn van het schiereiland. Het Egyptische leger gebruikte deze plek als een uitvalbasis voor zijn expedities naar Syrië”.28De Israëlieten die in Pitom (Kahoen) woonden, hebben daar waarschijnlijk voorafgaand aan de laatste plaag het Pascha gevierd en zijn na de dood van de Egyptische eerstgeborenen in grote haast naar Sukkot getrokken. Peter Clayton schreef: “Kahoen was als een Egyptisch Pompeii, want de plaats lijkt in grote haast verlaten te zijn, met achterlating van vele bezittingen.”29 De Israëlieten uit Raämses zullen eerder in Sukkot zijn aangekomen dan de Israëlieten uit Pitom, omdat Raämses dichter bij het noorden van de Golf van Suez ligt dan Kahoen (Pitom).

De Israëlieten trokken vanaf Sukkot aan de Golf van Suez verder tot ze bij de Schelfzee aankwamen. De Schelfzee is de Golf van Akaba waar de Israëlieten vanaf het strand bij Nuweiba doorheen trokken. De golf van Akaba is op deze plaats ongeveer 800 m diep met hellingen van maximaal 8%30 . De berg Sinaï ligt ten oosten van de Golf van Akaba en is Jabal Maqla, een piek van de bergketen Jabal al-Lawz in Saoedi-Arabië.31

De rol van Mirjam bij de uittocht uit Egypte

In Exodus 12-13 lezen we dat God door middel van Mozes en Aäron de Israëlieten van Raämses naar Sukkot leidde. “U leidde uw volk als een kudde door de hand van Mozes en Aäron” (Psalm 77:21). Maar wie gebruikte God om de Israëlieten van Pitom naar Sukkot te leiden? In Micha 6:4 zegt God tegen zijn volk: “Ik heb je weggeleid uit de slavernij in Egypte. Ik zond Mozes, Aäron en Mirjam om jullie voor te gaan.”

Het is opvallend dat in Exodus 1:11 Pitom eerst genoemd wordt en daarna pas Raämses, waar meer Israëlieten woonden.. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat Mozes in Pitom geboren is. De farao’s van de twaalfde dynastie hadden hun residentie in of nabij de Fajoem. Daar liet farao Amenemhat III een piramide bouwen en daar was de tombe van zijn jong gestorven dochter Neferoeptah. Daar kan farao’s kinderloze dochter Sobekneferoe kennisgemaakt hebben met de Israëlieten en de te vondeling gelegde Mozes hebben geadopteerd.

Opvallend

“Als er Israëlieten in Kahun woonden vallen er een paar dingen op. Toen de moeder van Mozes hem in een mandje in de Nijl zette werd hij al snel gevonden door de dochter van de farao; Mirjam keek vanaf een afstand naar het mandje en hoefde niet van haar plek te komen om te zien dat de prinses Mozes uit het mandje haalde (Ex 2:3-7). In het oosten van Kahun lag een hoger gedeelte, dat volgens de archeoloog, Petrie, de woning van Senusret II was als hij het dorp bezocht om het werk aan zijn piramide te inspecteren. Het is een plaats als deze waar Mozes geboren kan zijn”.32

Aäron en Mirjam zullen in Pitom zijn blijven wonen totdat Aäron door God werd weggeroepen om Mozes tegemoet te gaan (Exodus 4:14). Mirjam, de profetes (Exodus 15:20), zal toen in Pitom achtergebleven zijn. Daar kan God door visioenen en dromen (Numeri 12:6) tot haar gesproken hebben, zodat de Israëlieten in Pitom op de juiste dag en op de juiste wijze het Pascha vierden. Alleen zo kon de verderfengel aan hen voorbijgaan en konden de Israëlieten daarna onder leiding van Mirjam Pitom verlaten om naar Sukkot te trekken.

Conclusie over Israël in Egypte

1. Het volk Israël trok tijdens de regering van farao Oenas (1888-1858) naar Egypte.
2. De onderdrukking van de Israëlieten begon al na 30 jaar, tijdens farao Teti (1858-1838).
3. Amenemhat I (1665-1636) liet de Israëlieten in de Nijldelta de stad Raämses bouwen.
4. Senoeseret II (1571-1552) liet de Israëlieten in de Fajoem de stad Pitom bouwen.
5. Amenemhat III (1543-1495) is de farao die Israëlitische jongetjes in de Nijl liet werpen.
6. Neferhotep I (1457-1446) is de hardnekkige farao die de Israëlieten niet wilde laten gaan.
7. De Israëlieten in Pitom trokken bij de uittocht onder leiding van Mirjam naar Sukkot.

Disclaimer
Er zijn verschillende visies op het verblijf van Israël in Egypte. Sommigen hanteren de standaard Egyptische chronologie. Mozes leefde dan tijdens het Nieuwe Rijk. Anderen zijn van mening dat de Egyptische chronologie moet worden herzien en dat Mozes tijdens het Middenrijk leefde. Ook is er verschil van mening over de duur van het verblijf van Israël in Egypte. Volgens sommigen was dat 215 jaar en volgens anderen 430 jaar. Dit artikel volgt voor wat betreft de uittocht globaal de herziene chronologie van de archeoloog David Down. In zijn chronologie verbleven de Israëlieten 215 jaar in Egypte. Mozes en Jozef leefden dan beiden tijdens het Middenrijk. Als de Israëlieten echter  430 jaar in Egypte woonden, dan leefde Jozef tijdens het Oude Rijk. Verdere onderbouwing van de gehanteerde chronologie is te vinden op https://welleweerd.net/studie/chrono.pdf.

Voetnoten

  1. https://www.nd.nl/geloof/geloof/1132093/de-exodus-uit-egypte-vond-niet-plaats-buiten-maar-in-kanaan
  2. https://logos.nl/radiometrische-dateringen-omrekenen-naar-de-bijbelse-tijdlijn/
  3. https://www.kemet.nl/oenas/
  4. Peter A. Clayton, Kroniek van de Farao’s, pagina 60.
  5. https://www.researchgate.net/publication/301621337_Why_we_shouldn’t_ignore_the_mid-24th_century_BC_when_discussing_the_2200-2000_BC_climate_anomaly
  6. https://3000jaargeleden.nl/?p=7687#Unas
  7. https://www.kemet.nl/de-mastaba-van-kagemni-beschrijving/
  8. https://www.kemet.nl/de-mastaba-van-mereroeka/
  9. https://www.auaris.at/html/history_en.html
  10. https://creation.com/searching-for-moses
  11. https://books.google.nl/books?id=yMsrAAAAYAAJ&pg=PA208&hl=nl#v=onepage&q&f=false
  12. https://books.google.nl/books?id=b1RDAAAAYAAJ&pg=PA75&hl=nl#v=onepage&q&f=false
  13. De vroegste beschavingen 3000-1500 v.Chr., Amsterdam 1987, pagina 85.
  14. https://archive.org/details/cu31924086199514/page/n65/mode/1up
  15. http://www.egyptian-architecture.com/JAEA2/article9/JAEA2_Mazzone.pdf, pagina’s 21, 24 en 38.
  16. https://creation.com/searching-for-moses
  17. https://www.kemet.nl/amenemhat-iii/
  18. https://creation.com/searching-for-moses
  19. https://3000jaargeleden.nl/?p=5553
  20. http://www.rogerswebsite.com/others/AvarisandtheLandofGoshen.pdf
  21. https://www.sciencedirect.com/science/article/abs/pii/S030698770400372X
  22. https://web.archive.org/web/20211108022243/https:/www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1441584000&stopdatum=1442188800
  23. https://en.wikipedia.org/wiki/Neferhotep_I
  24. https://www.rinuskiel.nl/aantal_numeri.htm
  25. https://www.rinuskiel.nl/ColinHumphreysNumbers1.pdf
  26. B. Holwerda, Oudtestamentische Voordrachten I: Historia Revelationis Veteris Testamenti, pagina 170.
  27. http://www.egyptian-architecture.com/JAEA2/article9/JAEA2_Mazzone.pdf, pagina 39.
  28. https://www.bijbelseplaatsen.nl/plaatsen/S/Sukkot%20%20Egypte/1083
  29. Peter A. Clayton, Kroniek van de Farao’s, pagina 83.
  30. https://www.rinuskiel.nl/schelfzee.htm
  31. https://www.youtube.com/watch?v=YjrxHqNy5CQ
  32. https://3000jaargeleden.nl/?p=6729

Abonneer je op onze maandelijkse nieuwsbrief!