Hoe hebben de dieren zich verspreid na de zondvloed?

by | mei 17, 2022 | Biologie, Logos Basics, Zondvloed

Hoe hebben de dieren zich verspreid na de zondvloed?

Hoe hebben de dieren zich verspreid na de zondvloed?

  • Hoe kwamen de dieren uit verafgelegen landen bij de ark?
  • Hoe hebben de dieren zich verspreid na de zondvloed?
  • Is de kangoeroe na de zondvloed helemaal naar Australië gesprongen?
  • Wat aten koala’s onderweg?

Laten we beginnen met de vaststelling dat Gods Woord in duidelijke bewoordingen aangeeft dat de hele aardbol onder water werd gezet door een catastrofale watersnoodramp: de zondvloed. Alle op het land levende, door de neus ademende schepselen die niet in de ark waren, stierven. Daarna werd de wereld weer bevolkt uit de dieren die de zondvloed in de ark hadden overleefd.

Hoe kwamen de dieren in de ark?

Sceptici schetsen een beeld van Noach die op reis moest naar landen die ver van het Midden-Oosten lagen om daar dieren te verzamelen: kangoeroes en koala’s uit Australië en kiwi’s uit Nieuw-Zeeland. Dat verhaal klopt niet: in de Bijbel staat dat de dieren naar Noach toe kwamen. Hij hoefde ze niet op te halen (Gen. 6:20). God zorgde ervoor dat de dieren naar Noach kwamen. De Bijbel vertelt niet hóé God dat deed.

We weten ook niet hoe de geografie van de wereld voor de zondvloed eruitzag. Als het waar is dat er destijds maar één continent was (zie verderop in dit hoofdstuk), dan is de vraag hoe de dieren vanuit vergelegen gebieden naar de ark zijn gekomen niet relevant.

Hoe hebben de dieren zich verspreid na de zondvloed?

De verspreiding van de dieren na de zondvloed

Onze mogelijkheden om het hoe en waarom te begrijpen van iets dat eenmalig plaatsvond, dat nergens in detail staat beschreven en ook niet kan worden herhaald, zijn in praktische zin ernstig beperkt. Met ons beperkte verstand lopen we vast als we elke op zichzelf staande situatie tot in detail proberen te verklaren. We kunnen niet teruggaan in een tijdmachine om na te gaan wat er destijds gebeurde. Ook ons verstandelijk beredeneren van hoe de wereld er na de zondvloed uitzag, zal onvermijdelijk onvolmaakt zijn. Hierdoor vertoont ook het idee dat wij van het migratiepatroon van de dieren na de zondvloed hebben, hiaten; en die vormen weer een uitdaging voor onderzoekers die zich bezighouden met het bijbelse scheppingsmodel. Want er zijn wel degelijk aanwijzingen uit verschillende bronnen die ons antwoorden aanreiken…

Aanwijzingen uit de moderne tijd

Toen de vulkaan Krakatau op het gelijknamige eiland uitbarstte in 1883, bleven de overblijfselen van het eiland enkele jaren verstoken van dierlijk leven. Uiteindelijk werd Krakatau weer bewoond door een verrassende verscheidenheid aan diersoorten. Niet alleen kwamen er insecten en wormen, maar ook vogels, hagedissen, slangen en zelfs enkele zoogdieren. Niemand had van tevoren ooit verwacht dat een dergelijk aantal dieren de oceaan zou oversteken om Krakatau te bewonen, maar het gebeurde blijkbaar wel. Hoewel deze dieren over het algemeen kleiner zijn dan de dieren die we in dit hoofdstuk willen bespreken, illustreert dit voorbeeld toch wel onze beperking om ons een voorstelling te maken van de situatie na de zondvloed, toen de dieren weer de aarde bevolkten.

Landbruggen

Evolutionisten erkennen dat mens en dier vroeger zonder problemen de Beringstraat, die Azië en Amerika van elkaar scheidt, konden oversteken.1 Vroeger geloofden evolutionisten dat er sprake moest zijn van een verlaging van het zeeniveau gedurende de ijstijd, waardoor water in ijs werd samengepakt. De landbruggen die zo ontstonden, boden de mogelijkheid om bijvoorbeeld van Europa bijna helemaal tot Australië en de naburige eilanden te komen. Overigens hebben evolutionisten deze visie intussen laten varen voor de opvatting van het uiteendrijven van de continenten, die nu algemeen aanvaard is.

De aanwezigheid van enkele diepwatergeulen langs de route naar Australië is echter in overeenstemming met de opvatting dat er vroeger inderdaad landbruggen waren. Evolutionistische geologen geloven zelf ook dat er grote tektonische bodemverheffingen zijn geweest, die vergezeld gingen van aanzienlijke verhogingen en dalingen van de zeebodem. Deze vonden plaats in de tijdsperiode die men associeert met de ijstijd. Van bepaalde delen van Californië bijvoorbeeld neemt men aan dat ze duizenden meters omhoog zijn gekomen tijdens de ijstijd, die het Pleistoceen genoemd wordt (het Pleistoceen is een van de meest recente binnen de veronderstelde geologische periodes). Over het algemeen beschouwen creationisten de pleistocene sedimenten als afzettingen van na de zondvloed; de periode dus waarin de grote migraties van dieren plaatsvonden. Rond diezelfde tijd en op dezelfde wijze zijn andere landgebieden, inclusief delen van deze landbruggen, onder water komen te liggen.2

Er is een wijdverspreide, maar onjuiste opvatting dat buideldieren alleen in Australië worden gevonden, ter ondersteuning van het idee dat ze daar zijn geëvolueerd. Maar levende buideldieren, waaronder opossums, worden ook in Noord- en Zuid-Amerika aangetroffen, en fossiele buideldieren zijn op elk continent gevonden. Eileggende zoogdieren werden vroeger ook beschouwd als waren ze uniek voor Australië, maar de ontdekking in 1991 van een tand van een fossiel vogelbekdier in Zuid-Amerika deed de wetenschap versteld staan.3 Aangezien evolutionisten aannemen dat alle organismen zich uit een gezamenlijke voorouder ontwikkelen, moet daarom de migratie tussen Australië en andere werelddelen door alle wetenschappers, of ze nu evolutionist of creationist zijn, als een reële mogelijkheid worden beschouwd.

Creationisten geloven over het algemeen dat er slechts één ijstijd is geweest, die het gevolg was van de zondvloed.4 Door het verlaagde zeeniveau in die tijd konden dieren zich eeuwenlang over landbruggen verplaatsen (migreren). Sommige creationisten denken zelfs aan een breuk in de continenten na de zondvloed,5 in de dagen van Peleg. Dit zou ook kunnen betekenen dat dieren zich in meerdere eeuwen konden verspreiden zonder dat landbruggen noodzakelijk waren. Maar de opvatting van brekende continenten in de tijd van Peleg wordt in creationistische kringen niet breed erkend (zie hoofdstuk 11).

Hoe hebben de dieren zich verspreid na de zondvloed?

Is de kangoeroe helemaal naar Australië gesprongen?

Hoe maakten de dieren de lange reis vanuit het gebied rond de berg Ararat? Het is bekend dat er dieren zijn die in hun eentje verbazingwekkende afstanden van duizenden kilometers kunnen afleggen. Maar deze eigenschappen zijn in de tijd na de zondvloed helemaal niet nodig geweest. De eerste kolonisten in Australië lieten er een klein aantal konijnen los. Tegenwoordig worden wilde konijnen tot in de verste uithoeken van dit uitgestrekte continent aangetroffen. Betekent dit dan dat één enkel konijn in staat geweest moet zijn om heel Australië door te huppelen? Natuurlijk niet. Aan creationisten wordt vaak spottend gevraagd: ‘Sprong de kangoeroe helemaal naar Australië?’ Het voorbeeld van de verspreiding van konijnen in Australië laat zien dat dit een onnozele vraag is.

Dierenpopulaties hebben eeuwenlang de tijd gehad om te migreren; dat ging betrekkelijk langzaam, gedurende vele generaties. Overigens is ook de tegenovergestelde, ook veel gestelde, vraag of de twee kangoeroes helemaal van Australië naar de ark zijn gesprongen eenvoudig te beantwoorden. De continenten die we nu hebben, met hun tijdens de zondvloed afgezette sedimentaire rotsen, zijn hoe dan ook niet dezelfde als die in de wereld van voor de zondvloed.

Ook ontbreekt ons de informatie over hoe de dieren voor de zondvloed over de aarde werden verdeeld. Kangoeroes (en dat geldt ook voor alle andere schepselen) leefden misschien helemaal niet op een geïsoleerde landmassa. In Genesis 1:9 staat: ‘En God zei: Dat de wateren van onder de hemel in een plaats vergaderd worden, en dat het droge gezien worde! En het was alzo.’ Dit doet vermoeden dat er wellicht maar één enkele landmassa was. Kangoeroes hebben mogelijk zelfs op een steenworp afstand van Noach geleefd toen hij bezig was met het bouwen van de ark.

Verder zou de vraag gesteld kunnen worden: ‘Als dieren gedurende lange tijd naar Australië migreerden (waarbij ze wellicht gebieden aandeden als Indonesië), waarom hebben we dan op die route geen fossielen gevonden?’

Fossilisatie vindt maar zelden plaats. Het vereist in de regel een plotselinge bedelving van een levend organisme (zoals tijdens de zondvloed), waardoor ontbinding wordt voorkomen. Tot voor betrekkelijk korte tijd leefden er leeuwen in Israël. We vinden er nu echter geen leeuwenfossielen. Door de vele historische verhalen die er zijn nemen we toch aan dat die leeuwen er wel geleefd hebben. De miljoenen bizons die eens de Verenigde Staten bevolkten, hebben zo goed als geen fossielen achtergelaten. Dus waarom zou het een verrassing zijn dat kleine populaties destijds na de zondvloed geen fossielen hebben achtergelaten? Bovendien moeten we niet vergeten dat deze dieren – naar we aannemen – onder migratiedruk van concurrenten en roofdieren stonden en misschien maar een paar generaties lang in een bepaald gebied hebben geleefd.

Hoe hebben de dieren zich verspreid na de zondvloed?

Unieke organismen

Een ander punt is waarom bepaalde dieren en planten alleen maar op één en dezelfde plaats gevonden worden. Waarom wordt soort x alleen maar gevonden in Madagaskar en soort y alleen maar op de Seychellen? Vaak wordt dit soort vragen gesteld om aan te geven dat de vraagsteller zelf gelooft dat soort y daar alleen voorkwam, en nooit ergens naartoe is gemigreerd. Dat is mogelijk, maar daar gaat het helemaal niet om. Uit de huidige situatie kunnen we alleen maar afleiden dat Madagaskar of de Seychellen de enige plaatsen zijn waar soort x of y nog steeds overleeft. Meer niet.

De voorouders van de huidige kangoeroes zouden in verscheidene werelddelen dochterpopulaties gehad kunnen hebben, die later zijn uitgestorven. Misschien overleefden de buideldieren alleen maar in Australië, omdat ze daar vóór de zoogdieren arriveerden – we suggereren niets anders dan dat er ‘willekeurige’ processen plaatsvonden bij de keuze van de bestemming. Het kan zijn dat deze Australische buideldieren later van de zoogdieren geïsoleerd werden, waardoor ze behoed werden voor de overlevingsstrijd met zoogdieren en aanvallen van roofdieren.

Palm Valley in Centraal-Australië herbergt een unieke soort palmbomen, de Livingstonia mariae, die nergens anders ter wereld voorkomt. Betekent dat nu echt dat de zaden daarvan alleen maar naar deze beperkte plaats zijn gedreven? Natuurlijk niet. De huidige klimaatmodellen van de periode na de zondvloed geven aan dat de wereld nu veel droger is dan in de eerste eeuwen na de zondvloed. Evolutionisten geloven zelf ook dat in recente tijden, gerekend volgens evolutionistische standaard, de Sahara weelderig groen was en dat Centraal-Australië een vochtig, tropisch klimaat bezat. De Livingstonia mariaepalm zou heel goed wijdverspreid aanwezig geweest kunnen zijn, in geheel Australië, misschien ook wel op andere plaatsen waar het nu erg droog is, zoals delen van Afrika.

In Palm Valley heeft de palm het overleefd. Alleen daar werd hij beschermd tegen de uitdroging waardoor de rest van het uitgestrekte middendeel van Australië getroffen werd. Op alle andere plaatsen is deze palm uitgestorven.

Deze situatie, waarbij vegetatie wijzigt onder druk van klimaatverandering, moet in gedachten worden gehouden wanneer we nadenken over de migratie van dieren na de zondvloed – in het bijzonder bij de tegenwerpingen (en karikaturen) die ertegen ingebracht worden. Bijvoorbeeld: hoe konden schepselen, die nu een regenwoud nodig hebben, duizenden kilometers door een bloedhete woestijn sjokken, op weg naar hun huidige bestemming? Het antwoord is: omdat er toen nog geen woestijn was!

Dieren uit de ark 5

De koala en andere gespecialiseerde typen

Sommige problemen zijn lastiger op te lossen. Er zijn dieren die bijvoorbeeld speciale omstandigheden nodig hebben om te kunnen leven. Er zijn ook dieren die een speciaal voedselpatroon hebben, zoals de reuzenpanda in China of de Australische koala. We weten natuurlijk niet of er in die tijd bamboescheuten of eucalyptusblaadjes6 langs hun mogelijke migratieroute groeiden. In feite kan dat

zelfs nog bepalend zijn geweest voor de route die ze genomen hebben. Maar er is ook nog een andere mogelijkheid. De behoefte aan uniek voedsel of speciale overlevingsvoorwaarden kan het gevolg zijn van verloren geraakte genetische informatie, waardoor het dier bepaalde eigenschappen niet meer bezit. Dat kan gebeurd zijn door het uitdunnen van de genenreeks of door mutaties. Een goed voorbeeld hiervan zijn de vele huidige hondenrassen die door de mens gefokt zijn – hoewel natuurlijke condities daar ook voor hadden kunnen zorgen. Deze honden zijn in het wild minder gehard dan hun bastaard-voorouders. De sint-bernardshond bijvoorbeeld draagt een overactieve schildklier als mutatiedefect met zich mee, waardoor hij in een koude omgeving moet leven om oververhitting te voorkomen. Op die manier heeft hij zich als het ware ‘gespecialiseerd’.

Dieren uit de ark 6

Lguana’s hebben honderden kilometers meegelift op vlotten van plantaardig materiaal die door stormen zijn ontstaan.

Dit doet vermoeden dat de voorouders van zulke dieren, toen ze uit de ark kwamen, niet zo gespecialiseerd waren. Ze waren meer gehard dan hun afstammelingen, die slechts een gedeelte van de originele genenreeks van informatie dragen.7 Met andere woorden, de voorouder van de koala zou zeker in staat geweest kunnen zijn om op een gevarieerder voedselpatroon te leven. Zo’n uitleg is uitsluitend mogelijk dankzij de huidige biologische inzichten. Wie weet neemt de kennis nog toe en zullen resterende vragen ook opgelost worden.

Als dieren onder migratiedruk staan, hoeven zulke veranderingen geen lange tijdsperiode in beslag te nemen. De eerste kleine populatie die er was, zou al snel uiteengevallen kunnen zijn in dochterpopulaties, die verschillende richtingen uitgingen en die elk een deel van de genenreeks droegen van het oorspronkelijke dierenpaar dat de ark verliet.

Soms sterft een hele populatie uit; soms gebeurt dit op één gespecialiseerd type na. Als dat laatste opeenvolgend gebeurt, ontstaan er telkens nieuwe subtypen, die zich op hun beurt weer vermenigvuldigen. Zo vinden we soms een geweldige diversiteit onder groepen dieren die blijkbaar afstammen van één geschapen soort. Dit verklaart ook waarom duidelijk verwante soorten ver van elkaar verwijderd worden aangetroffen.

De luiaard, een langzaam bewegend dier, lijkt meer tijd nodig te hebben gehad dan volgens de Schrift mogelijk is om de lange reis te maken van het Araratgebergte naar zijn huidige leefgebied. Misschien is zijn huidige conditie ook het gevolg van een evolutionistisch proces zoals hierboven beschreven. Als men echter rekent met de verspreiding van dieren zoals die nu nog wordt waargenomen, hebben evolutionisten zelf het idee geopperd dat bepaalde primaten (apen) over honderden kilometers open water hebben gereisd, op grote matten van verstrengelde vegetatie, die afgerukt werd in stormen.8 Inderdaad heeft men onlangs ontdekt dat leguanen op de Caraïbische Eilanden op deze wijze honderden kilometers hebben afgelegd tussen de eilanden onderling.9

De Bijbel schetst een beeld van het verspreidingspatroon van dieren en mensen na de zondvloed dat de spreiding van bijvoorbeeld fossiele apen en mensen verklaart. In Afrika worden in afzettingen van na de zondvloed fossielen van staartloze apen ónder menselijke fossielen gevonden. Evolutionisten beweren dat dit komt doordat mensen uit apen zijn geëvolueerd, maar er is nog een andere verklaring voor te vinden. Het zou zo kunnen zijn dat de dieren zich, inclusief de apen, kort na de zondvloed over de aarde begonnen te verspreiden. De Bijbel vertelt ons echter dat de mensen weigerden zich te verspreiden (Gen. 9:1, 11:1-9). Pas na de spraakverwarring in Babel, een paar honderd jaar na de zondvloed, begon de verspreiding van de mens. Een dergelijke vertraging zou de reden kunnen zijn dat fossielen van sommige apensoorten zonder uitzondering in lagen onder menselijke fossielen werden gevonden, aangezien mensen later in Afrika arriveerden dan de apen.10

Tot slot

Op dit soort vragen zullen we misschien nooit de volledige antwoorden kunnen vinden, maar het zal nu duidelijk zijn dat de problemen veel minder groot zijn dan ze aanvankelijk lijken.11 Als men alle bijbelse, geologische en antropologische kennis over de zondvloed bij elkaar neemt, is het gerechtvaardigd om de beschrijving in Genesis over de verspreiding vanuit een centraal punt te aanvaarden. 12 En niet alleen dat: het bijbelse model biedt ook nog eens een uitstekend kader voor wetenschappelijk onderzoek naar deze kwesties.

Hoe bestaat het?

Dit artikel is met toestemming overgenomen uit het boek: Batten, D., & Mediagroep In Genesis. (2009). Hoe bestaat het! 60 vragen over schepping, evolutie en de Bijbel (3de editie). De Banier.

Het betreft hoofdstuk 17 ‘Hoe verspreidden de dieren uit de ark zich over de aarde?’, pagina 259-268.

Dit boek is tevens te koop in onze webshop: https://webshop.logos.nl/winkel/doelgroep/bovenbouw-middelbare-school/hoe-bestaat-het/

Tags: Hoe hebben de dieren zich verspreid na de zondvloed? Hoe hebben de dieren zich verspreid na de zondvloed? Hoe hebben de dieren zich verspreid na de zondvloed?

 

Voetnoten

  1. S.A. Elias e.a., ‘Life and times of the Bering Land Bridge,’ in: Nature 382 (1996), p. 60-63.
  2. Merk op dat het gebied rond het noorden van Australië tot Zuidoost-Azië een tektonisch actief gedeelte van de wereld is.
  3. Anon., ‘Platypus Tooth Bites Hard into Long-held Beliefs,’ in: Creation 14/1 (1992), p. 13; gebaseerd op een artikel in New Scientist van 24 augustus 1991. Een vogelbekdier is een monotreem (een eierleggend zoogdier).
  4. Zie hoofdstuk 16.
  5. Zie hoofdstuk 11.
  6. Feitelijk kan de koala ook andere soorten eucalyptusbladeren eten. Australië heeft ongeveer 500 soorten eucalyptus(gom)bomen. Naast de blauwe gomboom (als favoriet) eten koala’s de bladeren van ongeveer 20 soorten. Recent onderzoek heeft aangetoond dat het uitsluitend eten van eucalyptus eigenlijk te wijten is aan een verslaving aan bepaalde chemicaliën in de bladeren van de soort, waarvan hij het eerst iets binnenkrijgt via de moedermelk. Koala’s die met de fles worden grootgebracht kunnen goed overleven op een niet-eucalyptusdieet (zie CEN Technical Journal 8/2, p. 126). Van de reuzenpanda, die normaal gesproken op bamboescheuten leeft, weet men dat hij soms ook kleine dieren eet; www.creation.com/article/4503.
  7. Zie in hoofdstuk 18, over de oorsprong van de ‘rassen’ hoe een zeer lichtgetint ‘ras’ kan ontstaan uit een middelbruin ‘ras’ door het ontbreken van bepaalde genetische informatie bij de ouders.
  8. Anon., ‘Hitchhiking Lemurs,’ in: Creation 15/4 (1993), p. 11; commentaar op J. Tattersall, ‘Madagascar’s Lemurs,’ in: Scientific American 268/1 (1993), p. 90-97.
  9. Anon., ‘Surfing Lizards Wipe Out Objections,’ in: Creation 21/2 (1999), p. 8;www.creation.com/article/337/#lizards.
  10. Dr. Sigrid Hartwig-Scherer, paleoantropoloog, in de video The Image of God, Keziah Videos.
  11. In recente literatuur over bepaalde problemen bij dierverspreiding (zelfs binnen het evolutionistische raamwerk) werd terloops de suggestie gedaan dat de mens vroeger toch misschien wel een betere scheepsbouwer en navigator was dan eerder werd aangenomen. Verscheidene typen dieren zouden daarom op boten over de zee met mensen meegekomen kunnen zijn. In sommige gevallen kan dit een verklaring zijn waar je rekening mee kunt houden. Dieren die op deze wijze naar een nieuw werelddeel verhuisden, deden het daar erg goed; zelfs als de mensen, met wie ze meekwamen, er niet bleven wonen of uitstierven.
  12. Voor verdere studie: J. Whitcomb and H. Morris, The Genesis Flood, Phillipsburg, 1961; J. Woodmorappe, ‘Causes for the Biogeographic Distribution of Land Vertebrates After the Flood’, in: Proceedings of the IInd ICC, Pittsburgh, 1990, p. 361-367.
M
"

Artikelen

Artikelen