Hoe kunnen we verafgelegen sterren zien als het heelal jong is? – Deel 1

by | mei 18, 2024 | Astronomie & Kosmologie, Logos Basics

Hoe kunnen we verafgelegen sterren zien als het heelal jong is? – Deel 1

Het is bekend dat het licht van sterren (zoals onze zon) tijd nodig heeft om de aarde te bereiken. Hoe groter de afstand, hoe langer het duurt. Maar als het heelal inderdaad zo jong is als sommige creationisten beweren, hoe kunnen we dan sterren zien die miljoenen lichtjaren van ons verwijderd zijn? In hoofdstuk 5 van het boek Hoe Bestaat Het? gaan de auteurs in op deze en gerelateerde vragen. Dit artikel is gebaseerd op dat hoofdstuk. In het eerste deel wordt het probleem van het sterrenlicht goed uitgelegd. In het tweede deel wordt een mogelijke oplossing voor het probleem gepresenteerd.

Sommige sterrenstelsels staan miljoenen lichtjaren van ons vandaan. Betekent dit dan dat het heelal erg oud is? Een lichtjaar is immers de afstand die licht gedurende een jaar aflegt? Ondanks alle Bijbelse en wetenschappelijke argumenten voor een jonge aarde en een jong heelal,1 is dit lange tijd een schijnbaar onoplosbaar probleem geweest. Maar bij alles wat we wetenschappelijk gezien begrijpen rondom de oorsprongsvragen, doen er zich steeds mogelijkheden voor om verder onderzoek te doen naar nog onopgeloste vraagstukken. We zullen nooit alle kennis bezitten en dus blijven er altijd zaken te leren.

Het probleem van de lichtsnelheid bij de oerknal

Diegenen die uitgaan van de meest populaire kosmologie2 van dit moment, die van de oerknal, hebben hun eigen problemen met de lichtsnelheid, en dat is het horizonprobleem. Dat komt voort vanuit de gedachte dat het heelal minstens tien keer wijder is dan de afstand die straling (‘licht’) kan hebben afgelegd sinds die grote knal, zelfs wanneer rekening wordt gehouden met een tijdschaal van miljarden jaren.

jong heelal sterren

Volgens de oerknaltheorie is het heelal begonnen met een ‘singulariteit’, een punt zonder dimensie, feitelijk niets, waaruit uiteindelijk alle materie is ontstaan. Om het mogelijk te maken dat tijdens het uitzettingsproces sterrenstelsels ontstonden, zou die vuurbal moeten zijn begonnen met een heel ongelijkmatige temperatuurverdeling. Maar de straling die we waarnemen vanuit alle richtingen van de kosmos is volkomen gelijkmatig verdeeld, waar we ook kijken. Dit wordt de kosmische achtergrondstraling genoemd. Uit metingen blijkt dat deze straling overal gelijk is, tot op één op de honderdduizend keer. Dit lijkt onmogelijk, omdat straling niet voldoende tijd heeft gehad om de verste uithoeken van het heelal te bereiken en zo in staat te zijn om temperatuursverschillen op te heffen door warmte van warmere naar koudere gebieden over te brengen. Dit heeft geresulteerd in allerlei speculatieve ideeën, zoals de ‘sneller dan licht’-uitdijing als uitbreiding van de oerknal. Hoe dat dan zou moeten zijn begonnen en daarna weer soepeltjes is gestopt, is absoluut onbekend (en mag met recht een naturalistisch wonder heten!).

Andere oerknalkosmologen hebben het idee opgeworpen dat misschien zelfs de snelheid van het licht (straling) in het verleden veel hoger lag.3 Samengevat: niemand kan zeggen dat de omvang van het heelal een reden is om niet in de Bijbel te geloven, aangezien de gangbare oerknaltheorie een vergelijkbaar probleem heeft.4

Geschapen licht?

Enkele tientallen jaren geleden was de meest gangbare verklaring onder christenen dat God het licht ‘onderweg’ schiep, zodat Adam onmiddellijk de sterren heeft kunnen zien, zonder jaren te hoeven wachten voordat het licht van de meest dichtbije ster de aarde bereikte. Hoewel we de kracht van God niet moeten beperken, brengt dit idee wel enorme problemen met zich mee.

Het zou namelijk betekenen dat wanneer we kijken naar het gedrag van een verafgelegen object, wat we op dat moment schijnbaar voor onze ogen zien gebeuren, in werkelijkheid nooit echt is gebeurd. Stel bijvoorbeeld dat we een object waarnemen op een afstand van een miljoen lichtjaren dat ogenschijnlijk ronddraait; oftewel het licht dat wij in onze telescopen ontvangen, heeft dit gedrag ‘vastgelegd’ en bevat daarom deze informatie. Volgens deze verklaring zou het licht dat wij ontvangen echter niet van de ster afkomstig zijn, maar ‘onderweg’ geschapen zijn, bij wijze van spreken.

Dit zou betekenen dat in een heelal van 10.000 jaar oud, alles wat we zien gebeuren op een afstand van meer dan 10.000 lichtjaren van ons verwijderd, in feite deel uitmaakt van een gigantische lichtshow van zaken die nooit zijn gebeurd, en die ons objecten toont die mogelijk niet eens bestaan.

Om dit probleem nog meer te verduidelijken: stel je eens een exploderende ster voor (supernova) op een nauwkeurig gemeten afstand van 100.000 lichtjaren. Bedenk daarbij dat we dit verklaren vanuit een fictief heelal van 10.000 jaar oud. Als een astronoom op aarde deze geëxplodeerde ster bekijkt, ontvangt hij niet alleen een lichtstraal. Als dat alles zou zijn, was het geen probleem geweest om te stellen dat God door een aaneenschakeling van fotonen (lichtdeeltjes/golven) ‘onderweg’ licht heeft geschapen. Maar de astronoom ontvangt een zeer specifiek variatiepatroon binnen het licht, dat hem de veranderingen toont die we zouden mogen verwachten bij een dergelijke explosie – een voorspelbare aaneenschakeling van gebeurtenissen waarbij neutrino’s, zichtbaar licht, röntgenstraling en gammastraling een rol spelen. Zo zijn de meeste neutrino’s in staat om door vaste stoffen heen te gaan alsof ze er niet zijn, terwijl licht erdoor wordt afgeremd. We meten dus een enorme ‘neutrinogolf’ voordat het licht ons bereikt. Het licht en de neutrinogolf bevatten de informatie van een klaarblijkelijk daadwerkelijke gebeurtenis. De astronoom staat volledig in zijn recht door deze ‘informatie’ te interpreteren als de weergave van een echte gebeurtenis – namelijk dat er werkelijk een object was dat explodeerde volgens de wetten van de fysica, helderder werd, röntgenstraling uitstootte, uitdoofde, enzovoorts – allemaal volgens dezelfde natuurkundige wetten.

Alles wat hij ziet, is hiermee in overeenstemming, inclusief de spectrale patronen in het licht van de ster, die ons een ‘chemische handtekening’ geven van de elementen die het bevat. De verklaring van het ‘onderweg geschapen licht’ brengt met zich mee dat dit vastgelegde verslag van gebeurtenissen dat door de ruimte is verzonden, onderdeel was van de lichtstraal vanaf het moment van schepping. Of dat het daarin geplaatst werd op een latere datum, zonder ooit te zijn ontstaan in dat verafgelegen punt. (Als het licht vanuit de ster begon – aangenomen dat er werkelijk zo’n ster was – zou het nog steeds 90.000 lichtjaren verwijderd zijn van de aarde.) Het scheppen van zo’n gedetailleerde serie gegevens in lichtstralen die de aarde bereiken – signalen die de indruk wekken afkomstig te zijn van werkelijke gebeurtenissen terwijl dat in feite niet zo is – heeft geen voorstelbaar doel. Erger nog, het is vergelijkbaar met te zeggen dat God fossielen in rotsen schiep om ons te misleiden of om ons geloof op de proef te stellen, en dat die fossielen niets werkelijks vertegenwoordigen (een echt dier of echte plant die leefde en stierf in het verleden). Dat zou merkwaardig misleidend zijn en niet passen bij een heilig God!

Is de lichtsnelheid altijd gelijk gebleven?

Een voor de hand liggende oplossing zou zijn om aan te nemen dat de lichtsnelheid in het verleden hoger was, waardoor het licht dezelfde afstand in kortere tijd kon afleggen. Dit leek in eerste instantie een te makkelijke verklaring, uit de losse pols. Een aantal jaren geleden bracht de Australiër Barry Setterfield deze mogelijkheid echter veel dichterbij door aan te tonen dat er een achteruitgaande trend leek te zijn in de historische metingen van de lichtsnelheid (c) in ongeveer de laatste 300 jaar. Setterfield produceerde, samen met zijn latere medeauteur Trevor Norman, veel bewijsmateriaal ter ondersteuning van deze theorie.5 Zij geloofden dat deze invloed zou hebben gehad op de uitkomsten van de radiometrische dateringsmethoden en dat ze zelfs de roodverschuiving van het licht van verre melkwegstelsels veroorzaakt zou hebben. Dit idee werd later verworpen en er werden ook andere aanpassingen aan gedaan. Velen vielen dit idee aan met de onterechte beschuldiging dat Einsteins speciale relativiteit juist uitgaat van een onveranderlijke lichtsnelheid. In feite stelt Einsteins theorie slechts dat de lichtsnelheid die een waarnemer meet, niet beïnvloed wordt door de snelheid van de lichtbron noch door die van de waarnemer.

Er is binnen creationistische kringen veel discussie geweest tussen een groot aantal experts op dit gebied of de statistische argumenten nu werkelijk wijzen op een ‘c’-afname of niet. De grootste moeilijkheid heeft echter te maken met bepaalde natuurkundige gevolgen van de theorie. Als ‘c’ is afgenomen op de wijze die Setterfield voorstelde, zouden deze gevolgen nog steeds waarneembaar moeten zijn in het licht van verre melkwegstelsels, maar dat lijkt niet het geval. Zeer nauwkeurige metingen van Einsteins algemene relativiteitstheorie binnen ons melkwegstelsel, waarbij gebruikgemaakt werd van tweelingsterren met ten minste één pulsarster binnen enkele duizenden lichtjaren afstand van elkaar, wezen op dezelfde waarde voor ‘c’ als bij metingen van dichtbij.6 Kortom, niemand van de verdedigers van deze theorie is in staat gebleken alle opgeworpen problemen op te lossen. Opmerkelijk is dat aanhangers van de oerknaltheorie het idee van de afname van de lichtsnelheid met hoon begroet hebben, maar dat een van hen, João Magueijo, iets dergelijks heeft voorgesteld om de oerknal van zijn lichtprobleem te verlossen!

Nieuwe creationistische kosmologie

Niettemin heeft de theorie over de afname van ‘c’ gestimuleerd dat er over deze kwestie wordt nagedacht. De creationist en natuurkundige dr. Russell Humphreys zegt dat hij een jaar lang met tussenpozen heeft getracht de afnemende c-theorie consistent werkbaar te maken, doch zonder succes. Het onderzoek bracht hem er echter toe een nieuwe creationistische kosmologie te ontwikkelen, die het probleem lijkt op te lossen van het schijnbare conflict met de duidelijke en gezaghebbende Bijbelse leer van een recente schepping.7

Deze nieuwe kosmologie is voorgesteld als een creationistisch alternatief voor de oerknaltheorie. Dit soort ontwikkelingen, waarbij de ene creationistische theorie (‘c’-afname) wordt vervangen door een andere, vormt een gezond aspect van de wetenschap. Het Bijbelse raamwerk vormt de basis en staat niet ter discussie, omdat het van de Schepper Zelf komt. Dit staat tegenover de veranderende visies en modellen van feilbare mensen die op zoek zijn om de gegevens binnen dat raamwerk te begrijpen. Evolutionisten veranderen tenslotte ook dikwijls hun denkbeelden over hoe dingen zichzelf hebben gemaakt, maar nooit over de vraag of ze dit wel deden.

Lees verder in deel 2

Hoe bestaat het?

Dit artikel is met toestemming overgenomen uit het boek: Batten, D., & Mediagroep In Genesis. (2009). Hoe bestaat het! 60 vragen over schepping, evolutie en de Bijbel (3de editie). De Banier.

Het betreft hoofdstuk 5,  ‘Hoe kunnen we verafgelegen sterren zien in een jong heelal?’, pagina 107-120.

Dit boek is tevens te koop in onze webshop: https://webshop.logos.nl/winkel/doelgroep/bovenbouw-middelbare-school/hoe-bestaat-het/

Voetnoten

  1. Zie bijvoorbeeld: Young age evidence, www.creation.com/young, en het boekje van D.R Humphreys, Argumenten voor een jonge aarde (vertaald door: Mediagroep In Genesis), Amerongen, 2006; www.scheppingofevolutie.nl/winkel.
  2. Kosmologie: opvattingen over het ontstaan van het heelal (de kosmos).
  3. C. Wieland, ‘Speed of light slowing down after all?’, in: Journal of Creation 16/3 (2002), p.7-10. www.creation.com/cdk.
  4. J. Lisle, ‘Light-travel time: a problem for the big bang’, in: Creation 25/4 (2003), p. 48-49. www.creation.com/lighttravel.
  5. T.G. Norman en B. Setterfield, The atomic constants, light and time. Uitgave in eigen beheer, 1990, 88 p.. Meer informatie over Setterfields theorie op: www.setterfield.org, en in het Nederlands op: www.mpkiel.org.
  6. De creationistische natuurkundige dr. Keith Wanser wees erop dat de mate van energieverlies van een pulsar vanwege zwaartekrachteffecten, in verhouding staat tot ‘c’, in overeenstemming met de algemene relativiteitstheorie (Radioactive Decay Update: Breaking Down the Old-Age Paradigm (video)). In 1993 werd de Nobelprijs in de natuurkunde toegekend aan Russell Hulse en Joseph Taylor voor hun ontdekking van een binaire pulsar en het aantonen dat het waargenomen energieverlies overeenkwam met de verwachtingen op basis van de algemene relativiteitstheorie tot op 0,4%. Dit betekent evenwel dat ‘c’ (de snelheid van het licht) onveranderd is gebleven sinds het licht duizenden jaren geleden de pulsar verliet!
  7. D.R. Humphreys, ‘New vistas of space-time rebut the critics’, in: Journal of Creation 12/2 (1998), p. 195–212. Zie verder ook de discussie in Journal of Creation 13/1 (1999), p. 49–62.

Abonneer je op onze maandelijkse nieuwsbrief!