Vraag

Geachte prof. M. J. Paul. Ik verdiep mij graag in de achtergronden van de oudtestamentische geschriften. Daarom heb ik onlangs de boeken “Who Wrote the Bible” en “The Bible with Sources Revealed” van prof. R. E. Friedman gekocht en gelezen. In deze boeken zet hij de “documentary hypothesis”, ook wel de JEDP-theorie, uiteen. Ik neem aan dat u als oudtestamenticus bekend bent met deze theorie. Persoonlijk vind ik het een goed geschreven boek waarin hij de theorie met sterke argumenten onderbouwt. Tevens zie ik tegenstrijdigheden met de manier waarop wij als (reformatorische) christenen ons geloof in God en Zijn Woord, de Bijbel, belijden. Wat zijn uw gedachten over deze theorie? Vindt u haar aannemelijk of moeten we haar verwerpen? Wat zijn uw argumenten daarvoor? En hoe zouden wij moeten omgaan met deze theorie?

books-21849_1280

Antwoord

Beste vraagsteller,

Richard Elliot Friedman (geboren in 1946) publiceerde het eerste boek in 1987 en het tweede in 2003. Hij is een aanhanger van de Bronnentheorie, die toegepast wordt op de boeken Genesis-Deuteronomium. Deze theorie is opgekomen in de negentiende eeuw en heeft een klassieke vorm gekregen in het werk van Julius Wellhausen. De afkortingen JEDP staan voor: Jahwist en Elohist (geschreven in de vroege koningentijd, negende of achtste eeuw v. Chr.), Deuteronomist (het grootste deel van Deuteronomium, geschreven in de tijd van koning Josia, rond 622 v.Chr.) en de Priestercodex (o.a. Leviticus, geschreven in de tijd van de Babylonische ballingschap). Friedman accepteert de datering van de eerste drie bronnen, maar wil de Priestercodex vroeger dateren, in de tijd van koning Hizkia (rond 700 v. Chr.). Zijn volgorde is daarom: JEPD. Evenals Wellhausen meent hij dat de uiteindelijke redactie van de eerste vijf Bijbelboeken in de tijd van Ezra was, rond 450 v. Chr.

De aanhang van de Bronnentheorie onder Bijbelwetenschappers is vanwege allerlei kritiek de laatste tientallen jaren sterk afgenomen, maar blijkbaar verdedigt Friedman haar nog. Ik heb in 1986 met collega H.J. Koorevaar de belangrijkste vijf argumenten voor de bronnentheorie besproken en de gesignaleerde verschijnselen van een andere oplossing voorzien. Dit is gebeurd in A. G. Knevel, J. Broekhuis en M. J. Paul (red.), “Verkenningen in Genesis” (Kampen, 1986). Twee jaar later heb ik in mijn proefschrift de datering van Deuteronomium in de tijd van koning Josia bestreden. Zie “Het Archimedisch punt van de Pentateuchkritiek” (Zoetermeer, 1988). In “Bijbelcommentaar Genesis-Exodus”, Studiebijbel Oude Testament deel 1 (Veenendaal, 2004; bijgewerkte digitale editie 2015, www.studiebijbel.nl) heb ik opnieuw de argumenten voor de bronnentheorie gewogen en te licht bevonden.

De genoemde theorie gaat uit van de grote invloed van latere schrijvers die allerlei oude verhalen hebben bewerkt, waardoor de verhalen in Genesis – Deuteronomium meer over de bewerkers zeggen dan over wat er vroeger gebeurd is. Het is dan zelfs onzeker of Mozes ooit bestaan heeft. De veronderstelling is dat deze auteurs de vrijheid hadden de godsdienstige teksten en overleveringen te bewerken, wat naar mijn overtuiging niet mogelijk was. Ook zijn allerlei teksten, zoals Deuteronomium, ‘vroom bedrog’, wat geheel in strijd is met het zelfgetuigenis van de Bijbel.

Het is opmerkelijk dat de theorie in de negentiende eeuw is opgekomen, toen er nog maar weinig archeologisch materiaal beschikbaar was. Nu er meer talen en teksten uit de oudheid bekend zijn (Ebla, Emar, Ugarit) blijkt dat veel argumenten voor de Bronnentheorie eerder opvattingen zijn van Westerse geleerden dan Oosterse praktijken. Een veel beter boek dan de genoemde twee publicaties van Friedman is Kenneth A. Kitchen, “On the Reliability of the Old Testament” (Grand Rapids, 2003). Met grote kennis van zaken laat hij zien dat de Bronnentheorie onhoudbaar is. Hij doet dit grotendeels vanuit de archeologie.

In zijn algemeenheid: de Bronnentheorie is op veel punten in strijd met de geloofstraditie van de christelijke kerk.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen van de website RefoWeb. Het originele artikel is hier te vinden.

LEUK ARTIKEL?
Bent u blij met dit artikel? Het onderhoud en de ontwikkeling van deze website vragen financiële offers. Zou u ons willen steunen met een maandelijkse bijdrage? Dat kan door ons donatieformulier in te vullen of een bijdrage over te schrijven naar NL53 INGB000 7655373 t.n.v. Logos Instituut. Logos Instituut is een ANBI-stichting en dat wil zeggen dat uw gift fiscaal aftrekbaar is.

Mart-Jan Paul

Written by

Dr. M.J. Paul is docent aan de Academie Theologie van de CHE te Ede en hoogleraar Oude Testament aan de Evangelische Theologische Faculteit te Leuven. Verder is hij auteur van een groot aantal publicaties op theologisch gebied en redactielid van de twaalfdelige Studiebijbel Oude Testament, die wordt uitgegeven door het Centrum voor Bijbelonderzoek.

16 Comments

Peter

Dr. Paul geeft aan [over] enige achtergrond de Bronnentheorie [te beschikken], maar zijn conclusie: “In zijn algemeenheid: de Bronnentheorie is op veel punten in strijd met de geloofstraditie van de christelijke kerk” volgt niet uit wat hij zegt. Eerder is de volgorde van de redenering “de Bronnentheorie is op veel punten in strijd met de geloofstraditie van de christelijke kerk” – waarbij christelijke kerk betekent zijn eigen richting – en daarom moet de Bronnentheorie afgewezen worden.

Dit in tegenstelling tot: https://nl.wikipedia.org/wiki/Documentaire_hypothese “In de 20e eeuw groeide deze hypothese uit tot de overheersende hypothese aangaande het ontstaan van de Thora. De meeste huidige Bijbelgeleerden gaan uit van een of andere vorm van de documentaire hypothese,[3] en blijven gebruikmaken van Wellhausens terminologie en inzichten,[4] zij het in een wat verder uitgewerkte vorm.” https://en.wikipedia.org/wiki/Documentary_hypothesis#Weakening_of_support geeft aan wat de opvatting van Friedman is.

Reply
Jan van Meerten

Geachte Peter, u schrijft: “(…) volgt niet uit wat hij zegt.”. De door mij zeer gewaardeerde prof. dr. Paul noemt de werken waarin hij de bronnentheorie gewogen heeft. Dat doet dr. Paul naar mijn mening niet voor niets, hij wil daarmee aansporen deze werken te lezen. Als men deze werken leest, wat ik gedaan heb, volgt wel degelijk dat ‘de Bronnentheorie op veel punten in strijd is met de geloofstraditie van de christelijke kerk’. Christelijke kerk is daarbij niet de eigen richting (namelijk de Gereformeerde Bond binnen de PKN) want die bestond eind 19e eeuw nog niet. Verder noemt de geleerde het boek van de door mij zeer geachte dr. Kitchen waarin argumenten staan waarom de bronnentheorie niet klopt. Dat de documentaire hypothese de overheersende hypothese is doet daar niets van af, ook overheersende hypothesen moeten getoetst worden en in dit geval is deze overheersende hypothese met argumenten te licht bevonden. Deze argumenten staan beschreven in de bovengenoemde boeken en zijn uiteraard ook weer te toetsen.

Reply
Peter

Een ‘overheersende hypothese’ is ‘overheersend’ omdat onder diegenen die in staat zijn het te beoordelen, deze hypothese de beste argumenten geacht wordt te hebben.

Bart Klink

De bronnentheorie zoals die oorspronkelijk opgesteld is, is natuurlijk in de loop der jaren bijgesteld op grond van nieuwe informatie. In aangepaste vorm is ze echter nog springlevend en wordt ze behandeld in de gangbare inleidingen tot het OT die aan universiteiten gebruikt worden, zoals die van Coogan en Collins. Zelfs de gerespecteerde reformatorische oudtestamenticus Walter Brueggemann gaat in zijn inleiding tot het OT uit van verschillende bronnen. Ik snap dan ook niet waarom prof. Paul schrijft dat “De aanhang van de Bronnentheorie onder Bijbelwetenschappers is vanwege allerlei kritiek de laatste tientallen jaren sterk afgenomen”. Kenneth Kitchen is bij mijn weten een egyptoloog, niet een oudtestamenticus. Ik neem de consensus onder oudtestamentici dan ook wat serieuzer dan het oordeel van een egyptoloog.

Reply
Jan van Meerten

Geachte heer Klink en Peter, ‘consensus’ of ‘overheersende hypothese’ zijn geen argumenten maar komen in de buurt van autoriteitsdrogredenen. Ook de ‘consensus’ kan er naast zitten. Dit wil overigens lang niet altijd zeggen dat de ‘consensus’ er naast zit. ‘Consensus’ kan daarom niet gebruikt worden om een hypothese te verdedigen. We moeten naar de inhoudelijke argumenten kijken. Wat zijn volgens jullie sterke argumenten die pleiten voor de ‘documentaire hypothese’? Als laatste geef ik jullie met prof. dr. Paul de volgende waardevolle literatuurtips om de ‘documentaire hypothese’ op inhoud te toetsen. Het Nederlandstalige boekje Verkenningen in Genesis waaraan vier oudtestamentici, één archeoloog, één hebraïcus en een theoloog meewerkten is erg lezenswaardig op dit gebied. Daarnaast is het boek van dr. Kenneth Kitchen waardevol, deze gaat, zoals prof. Paul schrijft, in op de archeologische bezwaren.

De geachte heer Klink schrijft verder nog: “In aangepaste vorm is ze echter nog springlevend en wordt ze behandeld in de gangbare inleidingen tot het OT die aan universiteiten gebruikt worden, zoals die van Coogan en Collins.” Niemand heeft in het bovenstaande artikel noch in de reacties daaronder gesteld dat de ‘documentaire hypothese’ op sterven na dood is, maar dat de aanhang van deze hypothese is afgenomen. U zult naar mijn idee met getallen moeten komen om dit te betwisten of te bevestigen. Een beroep op de door mij gewaardeerde protestantse oudtestamenticus Brueggemann, met een indrukwekkende bibliografie, laat niet zien dat deze stelling van prof. Paul onjuist is.

Reply
Bart Klink

Jan, als er consensus onder experts is, zegt dat wel degelijk wat, zeker voor een niet-expert. Experts hebben de stof immers goed bestudeerd hebben (als het goed is) een deugdelijke methode om tot betrouwbare kennis te komen. Dat is precies de reden waarom in de rechtspraak gebruik wordt gemaakt van expertgetuigen.

Uiteraard zijn er argumenten voor de bronnenhypothese (‘het woord ‘hypothese’ lijkt me gezien de status beter dan ‘theorie’); die zijn in de literatuur uitgebreid beschreven en bediscussieerd. Enkele argumenten zijn verschillen (en soms tegenstrijdigheden) in inhoud, literaire stijl, grammatica, woordgebruik en theologie, het voorkomen van doubletten, anachronismen enz.. Ik weet dat voor een aantal van deze argumenten verklaringen zijn om het traditionele (grotendeels mozaïsche) auteurschap te redden, maar die komen op mij over als grotendeels ad-hoc en ideologische gemotiveerd (een orthodoxe Schriftopvatting moet staande blijven). Een hypothese die uitgaat van verschillende bronnen, ontstaan in verschillende tijden en tradities, door verschillende auteurs, met verschillende opvattingen en doelen enz. lijkt mij dan veel aannemelijker. Over de details (hoeveel bronnen, hoe oud, waar ontstaan, welke tekstdelen enz.) is een hoop discussie en specifieke details zijn soms lastig te bewijzen, maar het idee dat er verschillende bronnen aan de Torah ten grondslag liggen, lijkt mij zeer aannemelijk. Het is verder belangrijk te benadrukken dat het eventuele falen van de bronnenhypothese niet automatisch betekent dat het traditionele (mozaïsche) auteurschap dus waar is. Er zijn immers nog meerdere opties.

Prof. Paul schrijft in zijn reactie dat de aanhang van de bronnenhypothese “sterk [is] afgenomen”. Hij onderbouwt dat verder niet. Ik stel dat in twijfel door naar literatuur te verwijzen die gangbare kennis in een bepaald vakgebied weergeeft, in casu inleidingen tot het OT. Verdere onderbouwing is dus aan Paul, of een ander die zich geroepen voelt.

Reply
Jan van Meerten

Geachte heer Klink, het is prima dat u het ‘psychologische argument’ van consensus wel sterk vindt. Voor mij blijft het een autoriteitsdrogreden. Daarnaast zie ik niet in waarom een oudtestamenticus die de bronnenhypothese uitgebreid bestudeerd heeft geen expert zou kunnen zijn. In uw bovenstaande reactie zie ik wel dat u enkele stellingen opwerpt en voortbouwt op het consensus-argument maar geen inhoudelijk argument voor de bronnenhypothese. U schrijft dat u de bronnenhypothese aannemelijker vindt. Op welke inhoudelijke gronden acht u’, naast ‘consensus’, de bronnenhypothese als veel aannemelijker? Daar zou het debat over moeten gaan, over inhoudelijke argumenten. De argumenten van prof. Paul tegen de bronnenhypothese zijn te vinden in de door hem genoemde literatuur. Kent u deze literatuur? En zo ja, wat zijn uw inhoudelijke bezwaren, naast ‘consensus’, tegen de argumenten in die literatuur. En uiteraard is het zo dat al zou de bronnenhypothese verworpen zijn daarmee nog niet het mozaïsche auteurschap aangetoond is, maar dat is een andere discussie.

Reply
Bart Klink

Jan, als de waarde van een consensus onder experts slechts een autoriteitsdrogreden zou zijn, is een groot deel van onze rechtspraak gebaseerd op drogredenen. Het lijkt me dat het iets genuanceerder zit dan dat, denk je niet? Ik schreef hierboven niet dat Paul geen expert is (dat is hij als oudtestamenticus vast), maar wel dat hij een afwijkende opvatting heeft van de consensus. Dat maakt zijn opvatting niet ipso facto fout, maar moet een niet-expert als jij en ik wel extra kritisch maken. Waarom heeft deze expert een andere overtuiging dan de consensus onder zijn vakgenoten? Waarom weet hij zijn vakgenoten niet te overtuigen? Dat is een legitieme vraag, en die wordt ook in de rechtspraak gesteld als een expertgetuige een afwijkende mening heeft van de consensus.

In mijn reactie hierboven gaf ik een aantal argumenten in de vorm van data die goed te verklaren zijn vanuit een bronnenhypothese, maar niet vanuit de traditionele (mozaïsche) opvatting over het auteurschap. Ik noemde onder andere verschillen (en soms tegenstrijdigheden) in inhoud, literaire stijl, grammatica, woordgebruik en theologie, het voorkomen van doubletten en anachronismen. Met enkele reacties hierop van het ‘traditionele kamp’, ben ik bekend, maar ik vind ze niet overtuigend omdat ze op mij overkomen als ad hoc, niet het geheel van de data overtuigend verklaren en vaak duidelijk ideologisch gemotiveerd zijn (a priori geloof in de onfeilbaarheid van de Schrift). Ik ben evenwel een leek met enige kennis van zaken (ik heb ooit colleges OT gevolgd, heb inleidingen doorgeworsteld en kan een beetje Bijbels Hebreeuws lezen), maar ben zeker geen expert. Daarom hecht ik ook waarde aan de consensus onder experts.

Peter

Jan van Meerten zegt: “Voor mij blijft het een autoriteitsdrogreden”

Binnen de groep waartoe Logos behoort wordt geredeneerd vanuit autoriteit. Is dat ook een autoriteitsdrogreden? Voor mij blijft het beroep dat Jan van Meerten op professor Paul doet een autoriteitsdrogreden.

Reply
Ed Vaessen

Hoe kwam ik nou aan mijn Rooms-Katholieke geloof in de Limburgse Mijnstreek? Door op mijn vijfde al een Bijbel te bestellen en deze nauwlettend te bestuderen om vervolgens tot de conclusie te komen dat het de zuivere waarheid was, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de Hindoeïstische Veda’s, die ik als vijfjarige onmiddellijk en objectief kon neersabelen als sprookjes? Nee. Ik kwam eraan omdat mijn hele omgeving Rooms-Katholiek was. Ik aanvaardde de autoriteit zonder te vragen en voor heel wat jaren was het mijn geloof. En waarom zou ik het trouwens niet hebben gedaan? Mijn ouders en de pastoor, allemaal zo verstandig, zouden toch nooit opzettelijk tegen me liegen?

Reply
Jan van Meerten

Geachte heer Klink, beroep op consensus blijft in een discussie een autoriteitsargument. Daarnaast geeft u aan dat u niet-expert bent, maar dat betekent niet dat uw opponent (in dit geval Jan van Meerten) ook een niet-expert is. Volgens mij weet u te weinig van mij om dat te kunnen beoordelen. Daarom naar de inhoudelijke argumenten. U noemt wel verschillende stellingen maar onderbouwt die niet met inhoudelijke argumenten. Neem bijvoorbeeld deze stelling: het voorkomen van doubletten en anachronismen. Voor welke doubletten en anachronismen is de beste verklaring de documentaire hypothese? Zijn er geen andere verklaringsmogelijkheden? Daarnaast geeft u niet aan met welke argumenten vanuit het traditionele kamp u bekend bent en waarom deze ad-hoc zijn. Als er geen inhoudelijke argumenten gegeven worden, wordt een debat lastig.

De geachte Peter geeft aan dat ik ook een autoriteitsdrogreden lanceer door mijn beroep op prof. Paul. Ik beroep mij echter niet op de persoon prof. Paul, alhoewel ik deze hoogleraar waardeer en hoogacht, maar geef net als prof. Paul aan dat in zijn literatuur inhoudelijke argumenten te vinden zijn en riep op om deze literatuur te lezen.

Reply
Bart Klink

Jan, (…) Natuurlijk kan ik niet ‘even’ ingaan op alle argumenten die over en weer geleverd zijn: daar zijn ondertussen vele boeken over volgeschreven! Ik gaf enkele data die volgens de meeste experts het beste te verklaren zijn door uit te gaan van verschillende bronnen (varianten van de bronnenhypothese dus).

Een mooi voorbeeld is het doublet van het scheppingsverhaal (Gen 1-2:3 en 2:4-3). Het zijn twee verschillende verhalen over hetzelfde onderwerp (schepping), maar ze verschillen wezenlijk in literaire stijl, theologie, grammatica, woordgebruik (o.a. de naam voor God) en inhoud (op bepaalde punten spreken ze elkaar tegen, zoals het moment waarop de mens geschapen wordt). Dit lijkt mij duidelijk pleiten voor twee verschillende bronnen.

Peter

Er is niet duidelijk of Jan van Meerten alle literatuur over dit onderwerp, de door prof Paul genoemde en mogelijk niet genoemde, gelezen heeft. Zolang Jan van Meerten niet alle literatuur genoemd door Paul gelezen heeft en onafhankelijk beoordeeld, en een specialist is in dit gebied, gebruikt hij een autoriteitsargument. Jan van Meerten gebruikt wel degelijk een autoriteitsdrogreden: hij is niet bereid de juistheid van andere opvattingen anders dan die van Paul ook maar te overwegen.

[Noot van de redactie: Peter wil een deel van de reactie gewijzigd zien op 24-9. Hij schrijft: “Er is niet duidelijk of Jan van Meerten alle literatuur over dit onderwerp gelezen heeft”. Ik zal dit veranderen [in] het is niet duidelijk of Jan van Meerten iets over dit onderwerp gelezen heeft.]

Jan van Meerten

Geachte Peter, u schrijft: “Hij is niet bereid de juistheid van andere opvattingen anders dan die van Paul ook maar te overwegen.” Hierbij vier gedachten: (1) dit is naar mijn mening een ongefundeerde beschuldiging, die mogelijk als doel heeft de ander psychologisch te raken of verdacht te maken. (2) ik lees alle soorten literatuur en overweeg mijn positie n.a.v. deze bronnen. Hoe meer TE-materiaal of moderne theologie ik bijvoorbeeld lees hoe meer ik ervan overtuigd raak dat het geen heilzame weg is die bewandeld wordt. Op basis van inhoudelijke argumenten kom ik net als prof. Paul en prof. Kitchen tot afwijzing van de bronnenhypothese. Deze boeken zijn te raadplegen, hierboven zijn de titels gegeven. Al zouden deze boeken door autodidacten geschreven zijn en toch inhoudelijk goede argumenten zouden bevatten zou ik deze ook aanbevelen. Daarmee is de ‘autoriteitsdrogreden’ die u mij in de schoenen schuift ontkracht. (3) Uw reactie kent een innerlijke tegenstrijdigheid, in dezelfde reactie schreef u: “Er is niet duidelijk of Jan van Meerten alle literatuur over dit onderwerp gelezen heeft”. Toch geeft u in het verloop van de reactie aan dat het voor u wel duidelijk is. (4) Bij uw reactie geldt mijns inziens het spreekwoord: De wens is de vader van de gedachte. Een betere benadering zou mogelijk kunnen zijn: niet de ander ongefundeerd beschuldigen en eigen gedachten op hem of haar projecteren, maar inhoudelijk aangeven waarom u overtuigd bent geraakt van de bronnenhypothese.

Reply
Ed Vaessen

Jan van Meerten: “Geachte Peter, u (…) weer te toetsen.”

[Kun je] natuurwetenschap, beter dan alle geologen en biologen bij elkaar, heel objectief beoordelen? [Heeft hierbij] iemand bij zijn denken last van een referentiekader?

Reply

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

 tekens over