Enkele maanden geleden was er tussen de auteur en diverse sceptici en critici een discussie over de vraag ‘Zijn er fossiele (vroege) buideldieren gevonden in het Midden-Oosten?’. Deze discussie werd gevoerd naar aanleiding van commentaar van een scepticus op het artikel van Jan Rein de Wit in Weet-Magazine.1 De scepticus stelde dat er géén buideldieren in het Midden-Oosten zijn gevonden. De auteur van het artikel stelde dat dit wél het geval was. Student aardwetenschappen en filosofie Willem Jan Blom reageerde op het eerste artikel van de auteur.2 Daarna is het van onze kant stil gebleven. We willen deze stilte verbreken door een reactie te geven op de repliek van Willem Jan Blom.3

Een probleem

In mijn artikelen heb ik aangegeven dat de biogeografie van de buideldieren een probleem is voor creationisten. Het gaat niet zozeer om de buideldieren in het algemeen, maar de Australische buideldieren (Australidelphia) een groep binnen de Metatheria. Dat geldt zowel voor de paleontologische4 als voor de genetische5 gegevens. De huidige creationistische oplossingen voor de biogeografische verspreiding van de buideldieren variëren van een ‘God did it’-antwoord tot een ‘de buideldieren hebben de zondvloed overleefd buiten de ark’-antwoord. Deze antwoorden zijn niet overtuigend. Het ene uiterste is natuurwetenschappelijk niet overtuigend, het andere uiterste is theologisch niet overtuigend. Het probleem blijft staan ongeacht of er nu wel of geen buideldierachtigen in het Midden-Oosten gevonden zijn. De Australidelphia lijken een monofyletische oorsprong te hebben en het, in ieder geval tot 2008, oudste fossiel van de Australidelphia, de Djarthia, wordt gevonden in het Eoceen van Australië (Queensland).6 Op de ICC presenteerde bioloog Todd C. Wood samen met een studente, Thompson, een uitgebreide baraminologische studie naar Tertiaire zoogdieren.7 Bioloog Chad Arment heeft dit jaar in Answers Research Journal een baraminologische studie gepubliceerd over de buideldieren. Maar er moet nog veel meer werk verzet worden. De Anatolische buideldierachtigen worden in deze studies helaas niet eens genoemd. Zoals we in het tweede artikel aangaven blijft het interessant om uit te zoeken waar en wanneer er buideldieren geleefd hebben in het Midden-Oosten en welke migratiepatronen er te ontdekken zijn. Het fossielenarchief van het Midden-Oosten is echter zeer gebrekkig en kent veel gaten, voorlopig zit dát er daarom niet in. De intentie van de auteur was ook niet om het buideldierenprobleem op te lossen, maar de stelling aan te vechten dat er géén buideldieren in het Midden-Oosten zijn gevonden. Daarnaast stellen sommige creationisten de vraag óf we wel in het Midden-Oosten moeten zoeken voor het begin van de buideldierenverspreiding.

De vondsten

In het openingsartikel en mijn eerste reactie richting de sceptici noem ik vier vondsten van mogelijke buideldieren in het Midden-Oosten. Namelijk de Galatiadelphys minor (Herpetotheriidae), Orhaniyeia nauta (Anatoliadelphyidae), Anatoliadelphys maasae (Anatoliadelphyidae), Peratherium indet. (Didelphidae8) en een kaakfragment met twee molaren van een Marsupialia. Waar ik van vroege buideldieren sprak (Marsupialia) had ik beter van buideldierachtigen (Marsupialiformes) kunnen spreken. Had wel in de titel ‘vroege’ buideldieren geschreven om verwarring met de (moderne) Australische buideldieren (Australidelphia) te voorkomen, maar had deze woordkeuze zorgvuldiger moeten kiezen.

Blom haalt een bron aan waaruit blijkt dat de Herpetotheriidae stem groep is maar een sister groep van de Marsupialia. Het lijkt erop dat de naturalisten hier een consensus9 hebben bereikt. We kunnen dus bij de Herpetotheriidae wel spreken over buideldierachtigen (Marsupialiformes) zijn, maar niet over buideldieren (Marsupialia). Omdat creationisten geen baraminologische studies naar deze buideldierachtigen gedaan hebben, kan ik daar momenteel vanuit creationistisch perspectief geen weerwoord op formuleren. Het zou dus kunnen dat de Herpetotheriidae en de Didelphimorphia één holobaramin vormen, maar dit zou ook niet zo kunnen zijn. Een toekomstige baraminologische studie naar deze groepen zal mogelijk voor creationisten uitkomst bieden. Er is nog wel discussie over de plaats van de Herpetotheriidae in de clade Metatheria. Een andere, zeer recente, studie geeft aan dat deze Herpetotheriidae niet tot de groep Didelphimorphia behoorden maar een aparte groep vormden.10 Als dat de uitkomst is van het onderzoek dan heb ik daar geen problemen mee. Het zou overigens kunnen dat, als wij vandaag de dag individuen van deze groep zouden tegenkomen, we ze gewoon buideldieren zouden noemen. Toch kunnen we in deze discussie beter voorzichtiger formuleren en noemen we soorten die tot de Herpetotheriidae behoren daarom buideldierachtigen en geen buideldieren.

Wat we hierboven stelden over de Galatiadelphys minor is ook van toepassing voor de Peratherium indet., een fossiel uit Egypte. In 1984 werd dit soort nog gerekend tot de Didelphidae, daarom had de auteur deze vondst ook een buideldier genoemd.11 Vanuit de twee bovengenoemde artikelen wordt duidelijk dat de Peratherium ingedeeld is bij de Herpetotheriidae en moeten we spreken van een buideldierachtige. Over de twee kaakfragmenten is veel discussie en terecht noemt Blom deze fragmenten daarom dubieus12.

Anatoliadelphyidae

Op de, voor de auteur, belangrijkste vondsten, de Orhaniyeia nauta en de Anatoliadelphys maasae, gaat Blom nauwelijks in. Blom zegt wel en dat terecht dat de oorspronkelijke artikelen deze beesten stem marsupials noemen en dat de auteur daarom beter van buideldierachtigen had kunnen spreken. Hij gaat echter niet in op vervolgstudies rond deze soorten, die zowel de Orhaniyeia als de Anatoliadelphys scharen onder de buideldieren (Marsupialia) en lijkt vooral gefocust te zijn op de Herpetotheriidae.

Een artikel uit 2019 geeft het volgende aan rond deze soorten 13:

The phylogenetic affinities of the Uzunçarsidere metatherians are not well resolved. In the phylogenetic analysis accompanying its original description, Anatoliadelphys was identified as a non-marsupial marsupialiform (…) but a later analysis by Carneiro (2018) found it to be a member of Protodidelphidae (a group otherwise known only from South America), within the marsupial order Didelphimorphia. Métais et al. (2018), meanwhile, found both Anatoliadelphys and Orhaniyeia to be closely related to Paleogene bunodont taxa from South America and Australia, namely Chulpasia, Palangania, and Thylocotinga. The uncertainty regarding the affinities of Anatoliadelphys and Orhaniyeia likely reflect highl levels of dental homoplasy in dental features relating to a bunodont dentition (e.g., enlargement of stylar cusps B and D. reduction of molar crests), as discussed at length by Beck et al. (2008a).

Vreemd genoeg haalt Blom dit overzichtsartikel, waar het citaat uit komt, wel aan bij de Herpetotheriidae maar niet bij de bespreking van de Anatoliadelphyidae. Uiteraard is het laatste woord over deze twee soorten nog niet gezegd en we volgende discussie met belangstelling. Het is zeer goed mogelijk dat nieuwe(re) studies dit soort weer buiten de Marsupialia indelen. Wanneer we kijken naar de paper van Carneiro zien we de beschrijving van de vondst van een nieuw buideldier in Zuid-Amerika (Bergqvistherium primigenia). Carneiro schrijft over de relatie tussen dit buideldier en de Anatoliadelphys het volgende:

Following the results, Bergqvistherium is recovered as the sister taxon of Periprotodidelphis +Anatoliadelphys and Guggenheimia, Protodidelphys + Carolocoutoia, as an early-divergent lineage of the Protodidelphidae. (…) The inclusion of the Protodidelphidae among the Didelphimorphia was supported by the analysis of Ladevèze and Muizon (2010), Carneiro and Oliveira (2017a, b) and Carneiro (2018). The phylogenetic analysis support the sister relation between Periprotodidelphis and Anatoliadelphys, recovering a South American ancestral area for the lineage of the last taxon. This result differs from the one of Maga and Beck (2017), who proposed a North American ancestor area for Anatoliadelphys. This result can be considered as preliminary evidence supporting the hypothesis of the Atlantogea, as proposed by Ezcurra and Agnolin (2012).

Voor de plaats van de Anatoliadelphys binnen de Protodidelphidae zie figuur 5 van de bovengenoemde paper.14

De studie van Métais et al. (2018) geeft over de indeling het volgende aan:

Our phylogenetic analyses reconstruct Orhaniyeia and Anatoliadelphys as sister taxa that are closely related to South American and Australian bunodont polydolopimorphian metatherians such as Palangania, Chulpasia and Thylacotinga.

Wanneer we figuur 5 en 6 van de studie van Métais et al. (2018)15 bestuderen, zien we dat de twee bovengenoemde vondsten het meest verwant worden gezien aan de Thylacotinga, Chupasia en de Palangania. Dit is ook te lezen in het citaat hierboven. De paper van Métais et al. verwijst niet naar de paper van Carneiro, dus lijkt onafhankelijk van Carneiro tot min of meer dezelfde indeling te komen.

We hopen dat er in de toekomst meer Anatolische buideldierachtigen gevonden worden. Mogelijk komt er ook nog een reactie op deze indeling van Maga16, hij promoveerde op zijn vondst van de Anatoliadelphys.17 De meest recente indelingen delen daarmee zowel Anatoliadelphys als Orhaniyeia in bij de Marsupialia. Carneiro bij de Protodidelphidae en Métais et al. tekent ze in bij de Paucituberculata. Zowel de grootte als de indeling maken deze buideldierachtigen extra interessant voor de stelling wél of geen buideldieren in het Midden-Oosten en de implicaties daarvan.

Volgens Blom zijn er geen ‘andere gerapporteerde locaties zijn waar Metatheria – laat staan Marsupialia – zijn gevonden’ in het Midden Oosten. Dit klopt niet. In Oman is een melktand gevonden van het genus Qatranitherium18, volgens Hooker et al. (2008) synoniem voor Peratherium. Dezelfde Hooker et al. maken melding van nieuwe vondsten van de Peratherium africanum en noemen Peratherium een ‘herpetotheriid marsupial’.19 In 1994 werden er in de Kartal Formation (Turkije) vier molaren (achterste kiezen) gevonden. De onderzoekers schreven de molaren toe aan een Herpetotheriinae, een buideldierachtige.20

Implicaties

Omdat het fossielenarchief van buideldierachtigen in het Midden-Oosten schaars is, is het niet mogelijk om de paleobiogeografische verspreiding uit te tekenen. Verder hebben creationisten nog nauwelijks iets zinnigs ingebracht over de paleobiogeografische verspreiding van de buideldieren, of andere dieren, na de zondvloed. Dit is voor creationisten echt onontgonnen terrein. Onze onderstaande voorzetten moeten daarom als voorlopig en sterk hypothetisch worden aangemerkt. Te meer daar de auteur van mening is dat er nog geen paleobiogeografische verspreiding van de buideldierachtigen in te tekenen is. Omdat Willem Jan Blom het in zijn artikel beschrijft en de auteur niet als ‘laf’ of ‘wegvluchtend van het eigenlijke probleem’ wil worden aangemerkt hieronder een sterk hypothetische paleobiogeografische verspreiding van de buideldierachtigen, die hoogstwaarschijnlijk na meer studie en vondsten anders verlopen zal zijn dan wij, creationisten, momenteel denken. Blom is erg stellig hoe de verspreiding van de buideldierachtigen gegaan zou moeten zijn in de ogen van creationisten. Hij meent te weten waar de Ararat (en niet zoals in de Schrift gesteld wordt: de bergen van Ararat) gelegen heeft en trekt een lineaire lijn van deze locatie via Iran naar Australië. Dit is veel te kort door de bocht. Als we er al iets zinnigs over kúnnen zeggen, wat in mijn ogen door het beperkte aantal puzzelstukjes en onze beperkte kennis nauwelijks tot niet mogelijk is, dan is de verspreiding binnen de huidige creationistische modellen hoogstwaarschijnlijk niet zo gegaan. Daarnaast houdt Blom met deze lineaire lijn op geen enkele wijze rekening met de complexe geologie van het Midden-Oosten en met de theorie van plaattektoniek. Mijn inhoudelijke repliek en voorzichtige aanzetten tot een paleobiogeografische verspreiding van de buideldierachtigen volgt hieronder. Hierbij ga ik ervan uit dat de Australidelphia hetzelfde verspreidingspatroon heeft laten zien als de andere buideldierachtigen. Dat dit niet zo hoeft te zijn is evident, maar onwaarschijnlijk is deze gedachte niet. Helaas zijn er, in ieder geval tot 2008, nog geen Australidelphia buiten Australië gevonden. Het onderstaande is dus sterk hypothetisch, voorlopig en hoogstwaarschijnlijk is de verspreiding van de buideldierachtigen niet zo verlopen. Daarbij teken ik, met behulp van Paleobiology Database, die geen rekening houdt met de hierboven beschreven discussie en alle soorten gewoon onder Marsupialia schaart, een lijn van verspreiding.21 De auteur is daarnaast van mening dat het té vroeg is om te kiezen voor zondvloedmodel X of Y en hanteert zelf qua geologie een meer Cuveriaanse manier van denken.22 Namelijk dat er wél catastrofen aan te wijzen zijn, maar dat we (nog) niet kunnen komen tot een geologische allesomvattend zondvloedmodel. Daarvoor is onze kennis te beperkt, zijn de puzzelstukjes te weinig en worden de puzzelstukjes die er zijn vaak vanuit naturalistisch perspectief beschreven. Over de ligging van de bergen van Ararat is óók veel discussie onder creationisten. Sommigen neigen naar de huidige Ararat, anderen noemen, net als Willem Jan Blom, Mount Judi en weer anderen plaatsen de bergen van Ararat zelfs in Afrika. De auteur zelf heeft daar nog geen duidelijk standpunt over ingenomen. De lokalisering van de bergen van Ararat heeft invloed op de getekende verspreiding van diersoorten. We moeten, mogen en kunnen dus niet te stellig zijn over de getekende lijnen, vervolgonderzoek is absoluut noodzakelijk en zelfs zeer wenselijk.

Kangoeroes

Jan Rein de Wit geeft aan dat het wel mogelijk is dat kangoeroes wel in het Midden-Oosten geleefd hebben, maar niet gefossiliseerd zijn. Blom stelt terecht dat verwanten van buideldieren wel gefossiliseerd zijn. Dit maakt het aannemelijk dat dit ook voor de buideldieren mogelijk zou moeten zijn. Ook stelt hij terecht dat de sedimenten van ná het Perm, volgens het zondvloedmodel dat Jan Rein de Wit hanteert, buideldieren moeten kunnen bevatten. Hij geeft ook de voorzichtige en voorlopige werkhypothese van de auteur weer dat ten minste de Kenozoïsche sedimenten van ná de zondvloed zijn en dat het dus binnen die werkhypothese mogelijk is dat de Kenozoïsche sedimenten in het Midden-Oosten fossiele kangoeroes kunnen bevatten. Willem Jan Blom trekt daaruit een conclusie die niet volgt uit het antwoord van De Wit noch uit de (on)mogelijkheid van het fossiliseren van de buideldierachtigen in het Midden-Oosten. Jan Rein de Wit heeft namelijk niet gezegd dat kangoeroes niet gefossiliseerd kunnen zijn, maar dat ze kennelijk niet gefossiliseerd zijn. Dat is waar, omdat er (nog) geen fossiele kangoeroes buiten Australië gevonden zijn. De Wit heeft daarnaast niet alleen gezegd dat kangoeroes niet gefossiliseerd zijn, maar ook een tweede optie gegeven, namelijk dat de fossielen van kangoeroes in het Midden-Oosten mogelijk nog niet gevonden zijn. Voorlopig kunnen creationisten prima uitgaan van de tweede optie. Een snelle zoektocht door Paleobiology Database laat zien dat niet alleen fossielen van de clade Metatheria schaars zijn, maar dat fossielen uit de klasse Mammalia in het algemeen erg schaars zijn in het Midden-Oosten. Paleobiology Database geeft slechts één locatie met zoogdierachtigen uit het Jura (Turkije), enkele locaties uit het Krijt (Turkije, Jordanië, Egypte en Irak), geen enkele locatie in het Paleoceen, enkele locaties uit het Eoceen (Egypte, Turkije en Jordanië) en heel weinig locaties uit het Oligoceen (Egypte, Saoedi-Arabië en Oman). Vergeleken met bijvoorbeeld Europa, Noord-Amerika en China is het droevig gesteld met de zoogdierachtigen in het Midden-Oosten. In zijn zoektocht naar het aantal baramins die aan boord waren van de ark, geeft de paleontoloog dr. Kurt Wise aan dat de incompleetheid van het fossielenarchief één van de redenen is om voorzichtig te zijn stellige claims te maken over het aantal baramins in de ark en dus ook voor de paleobiogeografische verspreiding van de diersoorten ná de zondvloed.23 Het kan uiteraard ook zijn dat kangoeroes gewoon niet gefossiliseerd zijn, terwijl andere buideldierachtigen wel gefossiliseerd zijn. Alle gefossiliseerde beesten staan niet in verhouding tot alle dieren die ooit geleefd hebben. We moeten dus voorzichtig zijn om stellige conclusies te trekken uit wat we wél en wat we daarmee dus ook niet aan fossielen hebben. De recente vondsten die wijzen op de aanwezigheid van grotere buideldierachtigen, die op grond van de meest recente studies zelfs gerekend worden tot de buideldieren, geven wel hoop voor de toekomst.

Baramins

Blom reageert dat de gevonden soorten geen oplossing zijn voor de Australische buideldieren (Australidelphia). DIt is juist, zoals de auteur ook in het begin van dit artikel heeft aangegeven. De gevonden buideldierachtigen zijn wel reden om optimistisch te blijven en verder te zoeken. Er is geen enkele studie gedaan door creationisten hoe deze vondsten uit het Midden-Oosten creationistisch ingedeeld moeten worden. De baraminologisches studie van Arment en die van Thompson en Wood nemen ze niet eens mee. Verder staat de creationistische indeling van buideldieren in het algemeen nog in de kinderschoenen. Daarom kunnen we daarover niet zoveel zinnigs zeggen. We hopen dat onze medecreationisten zich hier in de (nabije) toekomst over zullen buigen.

Lineaire verspreiding

Willem Jan Blom stelt een lineaire verspreiding van de buideldierachtigen voor, vanaf zijn keuze voor de (bergen van) Ararat richting Australië. Dit is te kort door de bocht. Het doet geen recht aan de huidige vondsten van buideldierachtigen wereldwijd, geen recht aan de complexe geologie van het Midden-Oosten én geen recht aan de theorie van de plaattektoniek. Verder is een verspreiding van diersoorten nooit lineair, maar vormt het eerder een olievlekkenpatroon. Wanneer je rekening houdt met deze hierboven genoemde bezwaren, behalve die van de complexe geologie van het Midden-Oosten, dan is er mogelijk een voorzichtig patroon te tekenen. Omdat de vondsten schaars zijn en het creationistische onderzoek naar de bestaande vondsten minimaal is, kunnen en mogen we daar niet té stellig over zijn.

Hoogstwaarschijnlijk zal dit patroon in de toekomst anders worden doordat, wanneer er meer buideldierachtigen gevonden worden, er andere patronen ontstaan. Als route 1 (oranje) klopt dan zullen er in de toekomst (nog) meer buideldierachtigen gevonden worden in Europa, Noord-Amerika, Zuid-Amerika én Antarctica. Als route 2 (groen) klopt dan zullen er meer buideldierachtigen gevonden worden in de voormalige Sovjetunie, China en het Indonesische archipel. Daarvoor zal echter nog veel werk verricht moeten worden, want momenteel zijn fossielen van buideldierachtigen op die locaties nogal schaars. Rekening houdend met de standaard theorie van de plaattektoniek, liggen de continenten in het Jura (dan worden de eerste buideldierachtigen gevonden) dicht genoeg elkaar voor route 1. Dat geldt ook voor het Krijt. In het Paleogeen liggen Antarctica en Australië nog redelijk dicht bij elkaar, maar daarna wordt de afstand groter. Wanneer gekozen wordt voor het K/Pg-zondvloedmodel moet de verspreiding van de buideldieren vrij snel zijn gegaan. Na een warme periode van het Paleoceen en het Eoceen begint vanaf het Oligoceen de ijskapopbouw van Antarctica. Het wordt dan kouder (mogelijk zelfs té koud) voor verspreiding van buideldieren. Nog een reden is dat gedurende het Oligoceen Antarctica zich losmaakt van Zuid-Amerika en langzaam de huidige plaats opzoekt. In het Laat-Eoceen/Vroeg-Oligoceen breekt ook Australië los van Antarctica. Deze afsplitsingen zorgen ervoor dat Antarctica thermisch geïsoleerd raakt, de bekende Antarctic Circumpolar Current ontstaat en er sinds het Oligoceen ijskapopbouw plaatsvindt. Vanaf het Mioceen wordt de afstand tussen Antarctica en Australië te groot om die nog fatsoenlijk te kunnen overbruggen en wordt de optie over route 2 veel waarschijnlijker. Daarnaast liggen er dan (een begin van een) ijskap op Antarctica en is dit continent te koud voor buideldierachtigen. Voor zondvloedmodellen die de zondvloedgrens boven het Mioceen leggen is slechts één optie aannemelijk, namelijk (een variant op) route 2. Route 1 lijkt meer in overeenstemming te zijn met de huidige paleontologische data. Wanneer we voor route 1 kiezen dan moet de verspreiding van de buideldieren in het geval van het K/Pg-zondvloedmodel in het Paleoceen en het Eoceen hebben plaatsgevonden24, of in het geval van het rekolonisatiemodel in het Perm tot en met het Eoceen. Willen we dit bevestigd zien moeten we naar de Antarctische aardlagen van het Perm, Trias, Jura, Krijt, Paleoceen en het Eoceen25, dat zal voor het grootste gedeelte van Antarctica niet meevallen voor de onderzoekers.

Conclusie

Willem Jan Blom heeft, met behulp van literatuur overtuigend aangetoond dat sommige, door de auteur genoemde, buideldierachtigen niet tot de Marsupialia behoren, maar geschaard moeten worden onder de zustergroep Herpetotheriidae. Blom heeft nauwelijks gereageerd op de Anatolische buideldierachtigen (Anatoliadelphyidae) en geen rekening gehouden met de nieuwste literatuur rond indeling van deze soorten. Dat is een gemis, want deze buideldierachtigen waren voor de auteur de belangrijkste vondsten van buideldierachtigen in het Midden-Oosten. Blom heeft geen rekening gehouden met de zin van Jan Rein de Wit, dat kangoeroes ‘gewoon nog niet gevonden zijn’. Dit is een redelijke optie omdat veel sedimentair gesteente in het Midden-Oosten nog niet ontgonnen is. Creationisten hebben zich helaas nauwelijks met de geologie van het Midden-Oosten beziggehouden. Blom schetst een té eenvoudig beeld van de mogelijke verspreiding van buideldierachtigen vanuit het Midden-Oosten en houdt geen rekening met de geologie en paleontologie in het algemeen en de theorie van plaattektoniek in het bijzonder. We kunnen in het geval van Blom daarom niet spreken van een paleobiogeografische verspreiding van de buideldieren. De verspreiding van de buideldierachtigen is niet lineair verlopen maar als een olievlek. Er zijn binnen de creationistische modellen twee opties: (1) via Europa, Noord-Amerika, Zuid-Amerika, Antarctica naar Australië, of (2) via Europa, Azië, Zuidoost Azië naar Australië. Ziende op de paleontologische gegevens lijkt de eerste optie de voorkeur te hebben. De toekomst zal leren welk zondvloedmodel het beste past bij de paleobiogeografische verspreiding van de buideldierachtigen. Wanneer alle Mesozoïsche buideldieren niet tot de Marsupialia behoren dan is een keuze voor een K/Pg-zondvloedmodel als kader voor de een verspreiding van buideldierachtigen vanuit het Midden-Oosten mogelijk. Dit strijdt overigens ook niet met een rekolonisatiemodel. Wanneer de Noord-Amerikaanse Mesozoïsche buideldierachtigen de vooroudersoorten zijn van de Paleogene buideldierachtigen, dan ligt ziende op de paleobiogeografische verspreiding van deze buideldierachtigen een keuze voor het rekolonisatiemodel voor de hand. Je zou daarop ziende de bergen van Ararat dan haast in Noord-Amerika plaatsen. In ieder geval lijken de Mesozoïsche en Paleogene locaties in Noord-Amerika, Europa en Azië, maar ook die van Zuid-Amerika en Antarctica, een grote rol te spelen bij het zoeken naar een antwoord op de vraag hoe de paleobiogeografische verspreiding van de buideldierachtigen is verlopen. De komende maanden zal de auteur een verdere zoektocht naar antwoorden op deze vragen laten rusten, er zijn andere zaken die de aandacht vragen zoals de voorbereidingen voor de geologiereis naar Hongarije.26 In het voorjaar van 2021, bij leven en welzijn, publiceren we een neutraal en beschrijvend overzicht van de gevonden fossielen van de clade Metatheria in het Midden Oosten. Mogelijk zijn er dan weer nieuwe vondsten bekend. Wanneer er in tussentijd nieuwe inhoudelijke reacties gegeven zijn op dit artikel zullen die op zijn vroegst ook in het voorjaar besproken en zonnodig weersproken worden.

Literatuur

  • Arment, C., 2020, To the Ark, and Back Again? Using the Marsupial Fossil Record to Investigate the Post-Flood Boundary, Answers Research Journal 13: 1-22.
  • Beck, R.M.D., Godthelp, H., Weisbecker, V., Archer, M., Hand, S.J., 2008, Australia’s Oldest Marsupial Fossils and their Biogeographical Implications, PLoS One 3 (3): 1-8.
  • Carneiro, L.M., 2018, A new protodidelhid (Mammalia, Marsupialia, Didelphimorphia) from the Itaborai Basin and its implications for the evolution of the Protodidelphidae, Anais da Academia Brasileira de Ciências 91 (2): 1-13.
  • Eldridge, M.D.B., Beck, R.M.D., Croft, D.A., Travouillon, K.J., Fox, B.J., 2019, An emerging consensus in the evolution, phylogeny, and systematics of marsupials and their fossil relatives (Metatheria), Journal of Mammology 100 (3): 802-837.
  • Gelfo, J.N., Mors, T., Lorente, M., Lopez, G.M., Reguero, M., 2015, The oldest mammals from Antarctica, early Eocene of the La Meseta Formation, Seymour Island, Palaeontology 58 (1): 101-110.
  • Godthelp, H., Wroe, S., Archer, M., 1999, A New Marsupial from the Early Eocene Tingamarra Local Fauna of Morgon, Southeastern Queensland: A Prototypical Australian Marsupial?, Journal of Mammalian Evolution 6 (3): 289-313.
  • Goin, F.J., Case, J.A., Woodburne, M.O., Vizcaíno, S.F., Reguero, M.A., 1999, New Discoveries of “Opposum-Like” Marsupials from Antarctica (Seymour Island, Medial Eocene), Journal of Mammalian Evolution 6 (4): 35-365.
  • Hooker, J.J., Sánchez-Villagra, M.R., Goin, F.J., Simons, E.L., Attia, Y., Seiffert, E.R., 2008, The origin of Afro-Arabian ‘Didelphimorph’ marsupials, Palaeontology 51 (3): 635-648.
  • Kappelman, J., Maas, M.C., Sen, S., Alpagut, B., Fortelius, M., Lunkka, J.P., 1996, A new early Tertiary mammalian fauna from Turkey and its paleobiogeographic significance, Journal of Vertebrate Paleontology 16 (3): 592-595.
  • Ladevèze, S., Selva, C., Muizon, C. de., 2020, What are “opossum-like” fossils? The phylogeny of herpetotheriid and peradecid metatherians, based on new features from the petrosal anatomy, Journal of Systematic Palaeontology 18 (17): 1463-1479.
  • Maga, A.M., 2008, Systematic Paleontological Investigation of the Metatherian Fauna from the Paleogene Uzunçarsidere Formation, Central Turkey, dissertation presented to the Faculty of the Graduate School of the University of Texas at Austin.
  • Maga, A.M., Beck, R.M.D., 2017, Skeleton of an unusual cat-sized marsupial relative (Metatheria: Marsupialiformes) from the middle Eocene (Lutetian: 44-43 million years ago) of Turkey, PLoS One 12 (8): 1-74.
  • Métais, G., Coster, P.M., Kappelman, J.R., Licht, A., Ocakoglu, F., Taylor, M.H., Beard, C., 2018, Eocene metatherians from Anatolia illuminate the assembly of an island fauna during Deep Time, PLoS One 13 (11): 1-20.
  • Nilsson, M.A., Churakov, G., Sommer, M., Tran, N.V., Zemann, A., Brosius, J., Schmitz, J., 2010, Tracking Marsupial Evolution Using Archaic Genomic Retroposon Insertions, Plos Biology 8 (7): 1-9.
  • Sánchez-Villagra, M.R., Seiffert, E.R., Martin, T., Simons, E.L., Gunnell, G.F., 2007, Enigmatic new mammals from the late Eocene of Egypt, Paläontologische Zeitschrift 81 (4): 406-415.
  • Simons, E.L., Brown, T.M., 1984, A new species of Peratherium (Didelphidae; Polyprotodonta): the first African marsupial, Journal of Mammology 65 (4): 539-548.
  • Thomas, H., Roger, J., Sen, S., Bourdillon-De Grissac, C., Al-Sulaimani, Z., 1989, Découverte de vertébrés fossiles dans l’Oligocène inférieur du Dhofar (Sultanat D’Oman), Geobios 22 (1): 101-120.
  • Thompson, C., Wood, T.C., 2018, A survey of Cenozoic mammal baramins, in: Whitmore, J.H., (Ed.), Proceedings of the Eighth International Conference on Creationism (Pittsburgh: Creation Science Fellowship), blz. 217-221.
  • Wise, K.P., 2009, Mammal Kinds: How Many Were on the Ark?, in: Wood, T.C., Garner, P.A., (Eds.), Genesis Kinds: Creationism and the Origin of Species (Eugene: Wipf & Stock).
  • Wit, J.R. de, 2017, Hoe overleefden kangoeroes de zondvloed?, Weet 47: 48.

Voordat de auteur de beloofde aanpassingen had gedaan, heeft Willem Jan Blom al weer gereageerd op het bovenstaande artikel. In grote lijnen zijn we het met elkaar eens. Hij gebruikt echter ook minder sterke argumenten of minder onderbouwde argumenten (een afstands- en een tijdsprobleem) en doet geen recht aan de complexe geologie van het Midden-Oosten (gaat te kort door de bocht). Voorlopig zal de auteur dit onderwerp laten rusten vanwege andere prioriteiten, aan het einde van het voorjaar van 2021 wil hij, bij leven en welzijn, de draad weer oppakken en een repliek schrijven op het artikel van Willem Jan Blom.

Voetnoten

  1. Wit 2017. Later is dit artikel ook op de website van Logos Instituut verschenen: https://logos.nl/hoe-overleefden-kangoeroes-de-zondvloed/.
  2. Zie voor deze artikelen: https://logos.nl/zijn-er-geen-vroege-buideldieren-gevonden-in-het-midden-oosten/ en https://logos.nl/fossiele-buideldieren-uit-het-midden-oosten-en-de-reacties-daarop/.
  3. https://willemjanblom.wordpress.com/2020/04/15/antwoord-op-een-antwoord-voor-een-scepticus/.
  4. Zie bijvoorbeeld Beck et al. 2008.
  5. Zie bijvoorbeeld Amrine-Madsen et al. 2003 en Nilsson 2010.
  6. Zie voor de vondst van de Djarthia murgonensis Godthelp et al. 1999.
  7. Thompson & Wood 2018.
  8. Dit was de oorspronkelijke classificatie. Later, zo blijkt hieronder, wordt dit soort geclassificeerd als behorend bij de Herpetotheriidae.
  9. Dat zegt overigens nog niets over het waarheidsgehalte van deze uitspraak. Consensus als argument gebruiken is zelfs een drogreden.
  10. Ladevèze et al. 2020.
  11. Simons & Brown 1984.
  12. Zie voor deze vondsten de paper Sánches-Villagra et al. 2007.
  13. Eldridge et al 2019.
  14. Carneiro 2018.
  15. Métais et al. (2018).
  16. Maga publiceerde samen met Beck als eerste over de Anatoliadelphys. Zie Maga & Beck 2017.
  17. Zie Maga 2008.
  18. Thomas 1989.
  19. Hooker et al. 2008.
  20. Kappelman et al. 1996.
  21. Paleobiology Database is incompleet, maar ik heb momenteel geen tijd om alle fossielen van buideldierachtigen afzonderlijk te bestuderen. Voor het gemak gebruik ik nu dus Paleobiology Database. De vondsten die Paleobiology Database wel beschrijft heb ik niet afzonderlijk bestudeerd. We gaan er dus van uit dat Paleobiology Database het juist heeft met de indeling, maar dat hoeft niet zo te zijn.
  22. Theologisch ben ik van harte overtuigd van een jonge aarde en een wereldwijde zondvloed. Natuurwetenschappelijk denk ik dat we voorzichtig moeten zijn. De aanwijzingen voor catastrofisme zijn overtuigend aanwezig in de werkelijkheid, daaruit is nog geen geologisch allesomvattend zondvloedmodel te destileren. Net als Cuvier gaat de auteur wél uit van catastrofisme en meent dat dit catastrofisme aanwijsbaar is. Anders dan Cuvier geeft de auteur aan dat dit niet opeenvolgende ‘tijdperken’ betreft, als zou er dierlijke dood voor de zondeval hebben plaatsgevonden.
  23. Wise 2009.
  24. Zie voor andere argumenten Arment 2020.
  25. Op Seymour Island worden vondsten uit het Eoceen gedaan en in de La Meseta-formatie worden naast loopvogels, schrikvogels en pinguïns ook Polydolopimorphia gevonden. Zie bijvoorbeeld Goin et al. 1999. Een andere paper uit 2015 noemt de buideldieren zelfs ‘de meest voorkomende en diverse zoogdieren in het fossielenbestand van Antarctica’. Zie: Gelfo et al. 2015.
  26. https://logos.nl/geologiereis-hongarije-2020/.

LEUK ARTIKEL?
Bent u blij met dit artikel? Het onderhoud en de ontwikkeling van deze website vragen financiële offers. Zou u ons willen steunen met een maandelijkse bijdrage? Dat kan door ons donatieformulier in te vullen of een bijdrage over te schrijven naar NL53 INGB000 7655373 t.n.v. Logos Instituut. Logos Instituut is een ANBI-stichting en dat wil zeggen dat uw gift fiscaal aftrekbaar is.

2 Comments

Comments are closed.