Hoeveel diersoorten moest Noach meenemen? Veel sceptici stellen dat de Bijbel het fout heeft, want zij beweren dat het onmogelijk is dat de ark alle verschillende diersoorten heeft meegenomen. Dit heeft bij sommige christenen geleid tot het ontkennen van de zondvloed zoals beschreven in Genesis. Anderen geloven dat het slechts een plaatselijke overstroming betrof, waarbij een relatief klein aantal dieren betrokken was. In de meeste gevallen hebben deze twijfelaars de zaak niet goed overdacht. Een van de creationistische klassiekers, The Genesis Flood1 uit 1961, bevat daarentegen een gedetailleerde analyse. Een completere en herziene technische studie over deze en andere vragen vinden we in het boek Noah’s Ark: a Feasibility Study van John Woodmorappe.2 Dit hoofdstuk is gebaseerd op deze boeken, en daarnaast worden nog enkele eigen berekeningen gemaakt.

Er zijn twee belangrijke vragen te stellen:

  • Hoeveel diersoorten moest Noach meenemen?
  • Was de ark groot genoeg om alle benodigde soorten te herbergen? (deze vraag wordt in dit artikel behandeld)

Hoeveel diersoorten moest Noach meenemen?

Hoeveel diersoorten moest Noach meenemen?

De relevante bijbelgedeelten zijn Genesis 6:19-20 en Genesis 7:2-3: ‘En gij zult van al wat leeft, van alle vlees, twee van elk, doen in de ark komen, om met u in het leven te behouden: mannetje en wijfje zullen zij zijn; van het gevogelte naar zijn aard, en van het vee naar zijn aard, van al het kruipend gedierte des aardbodems naar zijn aard, twee van elk zullen tot u komen, om die in het leven te behouden’ en: ‘Van alle rein vee zult gij tot u nemen zeven en zeven, het mannetje en zijn wijfje; maar van het vee dat niet rein is, twee, het mannetje en zijn wijfje. Ook van het gevogelte des hemels zeven en zeven, het mannetje en het wijfje, om zaad levend te houden op de ganse aarde.’ In het Hebreeuws is het woord dat met ‘vee’ vertaald wordt behemah, dat refereert aan gewervelde landdieren in algemene zin. Het woord voor ‘kruipende dieren’ is remes, dat een aantal verschillende betekenissen heeft in de Schriften, maar hier waarschijnlijk duidt op reptielen.3 Noach hoefde geen zeedieren mee te nemen,4 want deze werden niet noodzakelijkerwijs door de zondvloed met uitsterving bedreigd. Onstuimig water dat veel sediment bevat, kan echter wel een massale slachting aanrichten, zoals ook blijkt uit de afzetting van fossielen. Veel oceaandiersoorten stierven dan ook waarschijnlijk uit als gevolg van de zondvloed. Echter, als God in Zijn wijsheid besloten had om sommige oceaandieren niet te behouden, was dat niet Noachs zaak. Noach hoefde ook geen planten mee te nemen, aangezien veel soorten zouden kunnen overleven als zaad. Andere soorten zouden het gered kunnen hebben op matten van drijvende vegetatie, die we ook nu na hevige stormen nog kunnen waarnemen. Veel insecten en andere ongewervelden waren klein genoeg om ook op zulke matten te overleven. De zondvloed vernietigde alle door hun neus ademende landdieren, behalve die aan boord van de ark waren (Gen. 7:22). Insecten ademen niet door neusgaten, maar maken gebruik van kleine buisjes (tracheolen en tracheeën) via openingen (stigma’s) in hun uitwendig skelet.

Ark van Noach

God bracht alle ‘basissoorten’ landdieren naar Noach om gered te worden van de zondvloed.

Reine dieren

Bijbelcommentatoren zijn nogal verdeeld over de vraag of het Hebreeuws ‘zeven’ of ‘zeven paar’ van iedere reine diersoort betekent. Woodmorappe kiest voor het laatste, om de sceptici zoveel mogelijk tegemoet te komen. Het merendeel van de dieren was echter niet rein en werd slechts vertegenwoordigd door twee exemplaren. De term ‘rein dier’ wordt pas gedefinieerd in de wetten van Mozes. Omdat Mozes de samensteller is van het boek Genesis, kunnen we de definities uit de wet van Mozes toepassen op de situatie van Noach. We volgen dan het principe dat de Schrift zelf de Schrift uitlegt. In feite worden er alleen maar enkele ‘reine’ landdieren genoemd in Leviticus 11 en Deuteronomium 14.

Wat is een soort?

God schiep een aantal verschillende diersoorten met veel variatiemogelijkheden, zij het binnen zekere grenzen.5 De nakomelingen van die verschillende soorten zouden, met uitzondering van mensen, nu in veel gevallen vertegenwoordigd worden door een grotere groep dan wat we tegenwoordig een soort noemen. In de meeste gevallen zullen die soorten die afstammen van een individuele soort, in onze tijd binnen een groep vallen die moderne taxonomen – biologen die levensvormen classificeren – aanduiden met genus (geslacht; meervoud: genera). Een algemene definitie voor een soort luidt: een groep organismen die onderling vruchtbare nakomelingen kunnen voortbrengen en zich niet vermengen met andere soorten. Van de meeste van deze zogenoemde soorten die binnen een bepaald geslacht of bepaald genus vallen, is echter niet onderzocht waar ze zich mee kunnen voortplanten. En de uitgestorven soorten kunnen natuurlijk niet onderzocht worden. Het is zelfs zo dat er niet alleen kruisingen bekend zijn tussen de zogenoemde ‘basissoorten’, maar er zijn zelfs veel gevallen van transgeneriek paargedrag. De grenzen van de ‘basissoort’ zouden in sommige gevallen op hetzelfde niveau kunnen liggen als die van de familie. De ‘basissoort’ (in de bijbelse omschrijving ‘aard’) gelijkstellen aan het geslacht is ook in overeenstemming met de Bijbel, want die spreekt over de soorten op een manier die de Israëlieten gemakkelijk konden herkennen, zonder de noodzaak ze te testen op basis van hun voortplanting met andere soorten.

Hoeveel dieren moest Noach meenemen?

Zebra’s, ezels en paarden behoren waarschijnlijk tot dezelfde
geschapen soort

Paarden, zebra’s en ezels bijvoorbeeld zijn waarschijnlijk afstammelingen van de paardachtigen (equidae), want zij kunnen gekruist worden. Hun nakomelingen zijn echter in de meeste gevallen onvruchtbaar. Honden, wolven, coyotes en jakhalzen komen waarschijnlijk van de hondachtigen (canidae). Alle verschillende typen runderen, en dat zijn altijd reine dieren, zijn afstammelingen van de oeros (aurochs6). Waarschijnlijk waren er dus maximaal zeven (of mogelijk veertien) stuks runderen aan boord. Die oerossen zouden op hun beurt kunnen afstammen van een veesoort waarvan ook de bizon en waterbuffels van afstammen. We weten dat tijgers en leeuwen gemengde nakomelingen kunnen voortbrengen (ook wel ‘lijgers’ genoemd). Het is dus waarschijnlijk dat zij oorspronkelijk van dezelfde soort afstammen. Woodmorappe komt uit op een totaal van 8.000 verschillende genera, inclusief de uitgestorven geslachten. Dit betekent dat er ongeveer 16.000 dieren aan boord moesten. Wat uitgestorven genera betreft zien we een tendens bij sommige paleontologen om iedere nieuwe vondst als een nieuw genus te bestempelen. Dit is echter nogal dubieus, waardoor het aantal uitgestorven genera waarschijnlijk sterk overschat is. Neem bijvoorbeeld de sauropoden. Dit waren de grootste dinosauriërs – de groep van kolossale planteneters zoals brachiosaurus, diplodocus en apatosaurus. Er worden nu 87 sauropod-genera genoemd, waarvan er slechts 12 werkelijk ‘volkomen erkend’ zijn en nog eens twaalf ‘redelijk erkend’. 7

Dinosauriërs?

Een van de meest gestelde vragen is: ‘Hoe pasten al die grote dinosauriërs in de ark?’ Allereerst waren er van de 668 veronderstelde genera slechts 106 die, als ze volgroeid waren, meer dan tien ton wogen. Vervolgens zegt de Bijbel niet dat de dieren volgroeid moesten zijn. De grootste dieren werden wellicht vertegenwoordigd door ‘tieners’ of misschien nog jongere exemplaren. Het is misschien verrassend, maar volgens de volledig herziene rangschikking van Woodmorappe zou de meest voorkomende grootte van alle dieren in de ark waarschijnlijk die van een kleine rat zijn, terwijl slechts 11 procent veel groter dan een schaap geweest zou zijn (zie ook hoofdstuk 19).

dinosauriërs ark

De eieren van de grootste dinosauriërs waren niet groter dan een voetbal, en alle jonge dinosauriërs waren dus klein.

Ziektekiemen?

Een ander vermeend probleem dat vaak door atheïsten en evolutionisten naar voren wordt gebracht, is de vraag hoe ziektekiemen de vloed wisten te overleven. Dit is een suggestieve vraag, die veronderstelt dat die ziektekiemen net zo ‘gespecialiseerd’ en besmettelijk waren als tegenwoordig, zodat alle bewoners van de ark geïnfecteerd moeten zijn geweest met iedere infectieziekte die we nu op aarde kennen. Het is echter waarschijnlijk dat ziektekiemen vroeger veel sterker waren, en dat ze mogelijk pas tamelijk recent de eigenschap verloren hebben om te overleven in verschillende gastheren of onafhankelijk van een gastheer. Feitelijk kunnen veel ziektekiemen ook nu nog overleven op insecten of in lijken, of in gedroogde of bevroren toestand, of aanwezig zijn in een gastheer zonder ziekte te veroorzaken. Bovendien zou degeneratie van de gastheer het mogelijk maken dat bacillen nu een ziekte veroorzaken, terwijl ze vroeger in bijvoorbeeld de ingewanden van de gastheer leefden zonder die ziekte te veroorzaken. Een dergelijke vermindering van weerstand tegen ziekte is consistent met de algemene degeneratie van het leven sinds de zondeval.8

Hoe bestaat het?

Dit artikel is met toestemming overgenomen uit het boek: Batten, D., & Mediagroep In Genesis. (2009). Hoe bestaat het! 60 vragen over schepping, evolutie en de Bijbel (3de editie). De Banier.

Het betreft hoofdstuk 13, subhoofdstuk ‘Hoeveel diersoorten moest Noach meenemen?’, pagina 217-222.

Dit boek is tevens te koop in onze webshop: https://webshop.logos.nl/winkel/doelgroep/bovenbouw-middelbare-school/hoe-bestaat-het/

Tags: Hoeveel diersoorten moest Noach meenemen? Hoeveel diersoorten moest Noach meenemen? Hoeveel diersoorten moest Noach meenemen?

Voetnoten

  1. J.C. Whitcomb, H.M. Morris, The Genesis Flood, Phillipsburg, 1961.
  2. J. Woodmorappe, Noah’s Ark: A Feasibility Study, El Cajon, 1997. Woodmorappe heeft zeven jaar besteed aan deze wetenschappelijke methode om antwoorden te geven op bijna ieder denkbaar ‘anti-ark-argument’ of op vermeende moeilijkheden in de bijbelse beschrijving. Daarnaast behandelt Woodmorappe ook andere relevante vragen. Er is nog nooit eerder een zo krachtige ‘rehabilitatie’ van het Genesis-verslag over de ark verschenen.
  3. A.J. Jones, ‘How many animals on the Ark?’, in: Creation Research Society Quarterly 10/2 (1973), p. 16-18.
  4. Het is de hoogste tijd dat sommige sceptici wat intellectuele integriteit tonen en eens de Bijbel gaan lezen. Misschien dat ze dan eindelijk stoppen met belachelijke opmerkingen over walvissen die over loopplanken hobbelen en vistanks op de ark.
  5. Een algemene misvatting die door evolutionisten wordt opgeworpen, is dat variatie binnen een soort op een of andere wijze een bewijs zou zijn voor de evolutie van stof tot mensen. Veel voorbeelden die aangehaald worden, zoals antibioticaresistentie in bacteriën, zijn inderdaad voorbeelden van natuurlijke selectie. Maar dit is geen evolutie. Evolutie vereist de vorming van nieuwe genetische informatie, die niet ontstaat uit natuurlijke processen als mutaties en natuurlijke selectie (zie ook hoofdstuk 1).
  6. C. Wieland, ‘Re-creating the extinct aurochs?’, in: Creation 14/2 (1992), p. 25-28. www.creation.com/re-creating-the-extinct-aurochs-creation-magazine
  7. J.S. McIntosh, ‘Sauropoda’, in: D.B. Wieshampel e.a., The Dinosauria, Berkeley, 1992, p. 345.
  8. C. Wieland, ‘Diseases on the Ark’, in: Creation Ex Nihilo, Technical Journal 8/1 (1994), p. 16-18; www creation.com/article/1766. Virussen worden vaak besmettelijker ten gevolge van willekeurige mutaties, die veranderingen veroorzaken in hun eiwitwand. Dit maakt het voor de antilichamen lastiger om ze te herkennen. Er is echter geen toename van de informatie-inhoud, en dus geen echte evolutie.