In een vorige aflevering hebben we gezien dat Tamminga in zijn poging ID als onwetenschappelijk te kwalificeren de evolutietheorie dermate immuun gemaakt heeft voor kritiek, dat deze de status van wetenschappelijkheid niet meer kan dragen. Elk argument tegen evolutie kan immers worden weersproken door de opmerking dat we de evolutietheorie wellicht nu niet kunnen rijmen met de waarnemingen maar later mogelijk wel. Daarmee is de evolutietheorie pseudowetenschap.

Tamminga heeft nog andere bezwaren tegen ID. Zijn bezwaren tegenover het concept van onherleidbare complexiteit bij Behe is dat de definitie te veel omvattend zou zijn. “De conclusie is dat de definitie van Behe te veelomvattend is en geen onderscheid kan maken tussen systemen waarvan wij (nog) niet weten hoe ze tot stand zijn gekomen en systemen die ontworpen zijn (Lewens 2005).” Dit is een vermakelijk argument. Als de definitie zo veel te wijd is, dan zouden evolutionisten daardoor alle gelegenheid hebben om het concept van onherleidbare complexiteit onderuit te halen. Ik zou zeggen: doe je best. Het is klagen dat het doel te groot is en vervolgens geen doelpunten kunnen maken. Overigens noemt Behe nog enkele randvoorwaarden voor zijn concept, die door Tamminga niet worden genoemd, en die de definitie wel degelijk beperkter maken. Daarom is de macroscopie van het oog in de ogen van Behe geen onherleidbaar complex systeem.

Tamminga heeft nog meer bezwaren tegen het concept van onherleidbare complexiteit van Behe. Hij stelt: “Stel dat er een evolutionaire verklaring wordt gevonden voor een, volgens de definitie van Behe, onherleidbaar complex systeem zoals het cilium. In dat geval kan Behe altijd een complexer systeem dat nog niet verklaard is als voorbeeld gebruiken. Op deze manier blijft de mogelijkheid bestaan om ID ‘bewezen’ te zien in steeds complexere voorbeelden waarvoor nog geen (evolutionaire) verklaring bestaat. ID is dus niet falsifieerbaar en voldoet niet aan het criterium van toetsbaarheid.” Tamminga zegt hier: Behe zegt wel dat hij het zal aanvaarden, als het concept van onherleidbare complexiteit in zijn voorbeelden niet zou kloppen, maar dat is niet waar. Behe kan dan verder gaan zoeken naar nog complexere voorbeelden. Hier wordt Behe en andere ID-ers een kwade wil toegedicht. Het concept onherleidbare complexiteit staat immers nog als een huis. Laten de evolutionisten eerst maar eens proberen om de voorbeelden van onherleidbare complexiteit die gegeven zijn te kraken en daarna kijken of ID-ers gevoelig zijn voor de argumenten.

Tamminga heeft nog een ander principieel bezwaar tegen de methode van Behe. Volgens Tamminga is ID niet toetsbaar omdat ze aan de ene kant veronderstelt dat bepaalde systemen ontworpen zijn, terwijl ze aan de andere kant niets over de manier van ontwerpen kan of wil zeggen. ”Pas wanneer ID wetenschappelijke uitspraken doet over de manier van ontwerpen kunnen er toetsbare wetenschappelijke voorspellingen worden gedaan.” Dit is natuurlijk prachtige onzin. In de wetenschap worden continu voorspellingen gedaan zonder dat bekend is wat de oorzaak is van het verschijnsel. Men kan wetenschappelijk onderzoeken hoe lang dolfijnen onder water kunnen leven zonder adem te halen, zonder te weten hoe het kan dat ze dat kunnen. Newton kon zijn graviditeitswet opstellen terwijl hij geen enkel idee had hoe zwaartekracht tot stand kwam. Men kan wetenschappelijk vaststellen wat de dodelijke dosis is van de wortel van de waterscheerling zonder te weten hoe het gif werkt.

Tamminga ziet als bezwaar bij ID, dat het niet kan beschrijven hoe de ontwerper het ontwerp tot stand bracht, terwijl de evolutietheorie dat wel zou kunnen. “Maar wanneer we willen begrijpen wat de onmiddellijke, causale oorzaken zijn waardoor het systeem functioneert (de proximate factoren), dan hebben we informatie nodig over de historische en functionele oorzaken waardoor het systeem op deze manier is gaan functioneren (de ultimate factoren). Deze nadruk op ultimate factoren is een van de verdiensten van de ET. Wanneer ID even succesvol wil zijn als de ET, moet ze niet alleen iets zeggen over het al dan niet bestaan van biologisch ontwerp, maar ook over de manier waarop dit ontwerp tot stand is gekomen.”

Het is inderdaad zo dat een theorie die waardevolle informatie geeft over ultimate factoren een verdieping geeft in inzicht in de proximale factoren en dat dit meerwaarde geeft. Dan moet echter wel over de ultimale factoren betrouwbaar kennis kunnen worden verkregen. Dat kan niet over verondersteld ontstaan van complexe levensvormen honderden miljoenen jaren geleden. Bij de evolutietheorie doet zich het bijzondere geval voor dat vanuit proximale factoren wordt besloten tot ultimale factoren, wat dan wordt gezien als verrijking van de theorie. Hier zijn bezwaren tegen in te brengen, namelijk: 1) het verschil tussen ultimale factoren en proximale factoren wordt uitgehold, 2) het is feitelijk onmogelijk om uit hoe iets is, te concluderen hoe iets ontstaan is, en 3) men creëert zo een cirkelredenering. 4) de ID is juist ontstaan omdat de evolutietheorie het ontstaan van onherleidbaar complexe systemen niet verklaren.

Tamminga gaat in op de weigering van ID om uitspraken te doen over de manier van ontwerpen. De eerste reden die hij ziet, is dat ID gebaseerd is op een metafysische aanname. “Deze aanname is niet wetenschappelijk te toetsen.” Nou, dat is een open deur. De evolutietheorie is ook gebaseerd op metafysische aannames. Die zijn ook niet wetenschappelijk te toetsen. De tweede reden is dat ID impliciet het bestaan van een ordelijke intelligente ontwerper veronderstelt. Dat ziet Tamminga als een probleem. “De veronderstelling dat er een ontwerper bestaat die juist op deze manier te werk is gegaan – …- valt op geen enkele manier te toetsen”. Dat hangt namelijk af van de levensbeschouwing van de onderzoeker. Dan volgt de stelling dat als een hulphypothese niet toetsbaar is, de theorie in zijn geheel ook niet toetsbaar is en dus onwetenschappelijk. De dwaasheid van Tamminga is dat hij een metafysische basis ziet als een hulphypothese.

Tamminga erkent dat niet alle ID’ers het hebben over een persoonlijke God maar dat er ook zoiets kan zijn als een Intelligentie die heeft ontworpen. Hij geeft dan aan dat onduidelijk is hoe die intelligentie dat gedaan heeft en hoe overdracht van informatie plaats vindt. Hij schrijft dan: “Deze vragen zouden beantwoord moeten worden omdat een wetenschappelijke theorie alleen gebruik mag maken van begrippen die een expliciete betekenis hebben en waarvan bekend is hoe ze toegepast moeten worden”. Dit is onwaar. De wetenschap bevindt zich op de rand van het kennisveld. Er zijn dus veel dingen onduidelijk. Daar moeten termen voor zijn, want anders kan er niet over gecommuniceerd worden. Overigens is de term “evolutie” ook bepaald niet ondubbelzinnig, maar dat is wellicht een bewuste keuze.

LEUK ARTIKEL?
Bent u blij met dit artikel? Het onderhoud en de ontwikkeling van deze website vragen financiële offers. Zou u ons willen steunen met een maandelijkse bijdrage? Dat kan door ons donatieformulier in te vullen of een bijdrage over te schrijven naar NL53 INGB000 7655373 t.n.v. Logos Instituut. Logos Instituut is een ANBI-stichting en dat wil zeggen dat uw gift fiscaal aftrekbaar is.

Written by

In een vorige aflevering hebben we gezien dat Tamminga in zijn poging ID als onwetenschappelijk te kwalificeren de evolutietheorie dermate immuun gemaakt heeft voor kritiek, dat deze de status van wetenschappelijkheid niet meer kan dragen. Elk argument tegen evolutie kan immers worden weersproken door de opmerking dat we de evolutietheorie wellicht nu niet kunnen rijmen met de waarnemingen maar later mogelijk wel.

...
Read more