Benno van den Toren begint zijn nieuwe boek over apologetiek met een weergave van gesprek dat hij had met de uit Australië afkomstige Sharon tijdens de busreis van Londen naar Parijs. Urenlang sprak hij met haar over de ultieme betekenis van het leven. Evolutie maakte het volgens haar onmogelijk om in God te geloven, terwijl ze tegelijkertijd het uitroeien van Aboriginals als een gestalte van de ‘survival of the fittest’ niet kon aanvaarden. Ze distantieerde zich van het platte materialisme en sprak uit dat de natuur voor haar iets heiligs had. Voor mensen gold dat ze een goddelijke vonk in zich omdragen. Een ander hindoe-idee dat hij bij haar opmerkte was het geloof in een bepaalde vorm van reïncarnatie. Ze zag het christelijk geloof als een waarheid voor anderen, maar niet voor zichzelf. Wat haar tegenstond, is dat christenen probeerden hun geloof uit te dragen en andere daarvoor te winnen.1

Christian_apologetics

“Onze gesprekspartners houden er een postmoderne denkwijze op na waarin zij zich volstrekt niets kunnen voorstellen bij een universele waarheid en het op geen enkele manier problematisch achten om elkaar uitsluitende overtuigingen te aanvaarden. Dit is voor Benno aanleiding om klassieke apologetiek af te serveren.”

Met dit voorbeeld maakt Benno de wisselende context voor christelijke apologetiek duidelijk. Onze gesprekspartners houden er een postmoderne denkwijze op na waarin zij zich volstrekt niets kunnen voorstellen bij een universele waarheid en het op geen enkele manier problematisch achten om elkaar uitsluitende overtuigingen te aanvaarden. Dit is voor Benno aanleiding om klassieke apologetiek af te serveren. Uiteindelijk is klassieke apologetiek een product van de Verlichting waarin men uitgaat van een rationeel en universeel geldend waarheidsbegrip. Hij geeft geen definitie van klassieke apologetiek, omdat hij er zondermeer vanuit gaat dat dit geen nadere toelichting behoeft. Persoonlijk vraag ik mij af of hiermee recht gedaan wordt aan vormen van apologetiek die Benno als klassiek karakteriseert. Iemand als William Craig maakt bewust onderscheid tussen knowing and showing om aan te geven dat gelovigen eigenlijk niet verder kunnen gaan dan de redelijkheid van het geloof te verantwoorden, iets waar Van den Toren ook voor pleit.

Ook vraag ik mij af of hij helemaal recht doet aan het fideïsme als hij dat typeert als een stroming die afziet van elke redelijke rechtvaardiging van het geloof. Als Van den Toren ook positief kan verwijzen naar Pascal, zou het wel eens kunnen zijn dat tal van fideïsten dichterbij de auteur staan dan hij zich voorstelt. Evenals Van den Toren distantieert het fideïsme zich in het algemeen zowel van irrationalisme als van strikt rationalisme.

Deze kanttekeningen doen niets af aan de positieve waardering voor de treffende analyse van de problematisering van christelijke apologetiek in deze studie. De auteur problematiseert christelijke apologetiek niet alleen vanuit de postmoderne context, maar ook vanuit de multiculturele context om aan te geven dat het westerse moderne denken wereldwijd gezien niet algemeen is. Dit alles pleit voor een andere aanpak in de apologetiek.

In dit boek worden twee speerpunten gehanteerd om tot een paradigma voor zo’n actuele apologetiek te komen. In de eerste plaats worden er epistemologische noten gekraakt. In dit verband maakt hij duidelijk dat het beeld van fundament en gebouw niet voldoet om onze kennisverwerving in kaart te brengen. Als onze kennis zich op onderdelen aanpast, breken we niet het gebouw af om het opnieuw op te bouwen. In zijn voorstel voor een actuele apologetiek is de metafoor van het boek leidend. We beginnen te lezen vanuit een bepaald voorverstaan. Door het verwerken van een boek moeten we onze inzichten op onderdelen bijstellen, zonder dat de structuren van onze kennis zich plotseling dramatisch wijzigen. Op deze manier is er ruimte geschapen voor het geloof in God als voorverstaan van de werkelijkheid, zonder dat er word beknabbeld op de relevantie van wetenschappelijk onderzoek van dezelfde werkelijkheid.

In de tweede plaats hanteert de schrijver een theologisch vertrekpunt, namelijk van het beeld van God. In het spreken over het beeld van God legt hij nadruk op de relatie tot God, de naaste en de wereld. Deze benaderingswijze impliceert een distantie tegen het foundationalisme alsof wij neutrale observatoren zouden zijn. Bovendien worden de menselijke autonomie en het individualisme vanuit deze theologische notie onder kritiek geplaatst. Het relationele kader wil recht doen aan de weg van cultuur en traditie waarin wij kennis hebben meegekregen en de ander ontmoeten.

Bovendien loopt hier een lijn naar het laatste hoofdstuk waarin Benno ervoor pleit om in de omgang met de medemens niet alleen rationele argumenten te hanteren, maar ook recht te doen aan het affectieve en het voluntatieve aspect van het mens-zijn. Zo loopt dit ontwerp voor een actuele apologetiek uit op een pleidooi voor een pastorale benadering.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit Theologia Reformata. De volledige bronvermelding luidt: Vlastuin, W. van, 2012 Christian Apologetics as Cross-Cultural Dialogue, Theologia Reformata 55 (2): 218-219 Weet 3: 26-28

Voetnoten

  1. Boekgegevens: Benno van den Toren, Christian Apologetics as Cross-Cultural Dialogue, London: T&T Clark 2011, 262 pag. ISBN 978-0-567-16916-7, ₤ 16,43 (Amazon prijs).

LEUK ARTIKEL?
Bent u blij met dit artikel? Het onderhoud en de ontwikkeling van deze website vragen financiële offers. Zou u ons willen steunen met een maandelijkse bijdrage? Dat kan door ons donatieformulier in te vullen of een bijdrage over te schrijven naar NL53 INGB000 7655373 t.n.v. Logos Instituut. Logos Instituut is een ANBI-stichting en dat wil zeggen dat uw gift fiscaal aftrekbaar is.

Willem van Vlastuin

Written by

Dr. W. van Vlastuin studeerde na de middelbare school Technische Natuurkunde in Delft. In 1984 begon hij de theologische studie aan de Rijksuniversiteit van Utrecht. In 1988 rondde hij deze studie af, terwijl hij twee jaar later zijn kerkelijk examen deed. Van 1990-1994 stond ds. Van Vlastuin in Wouterswoude, in 1995 vervolgde hij zijn predikantschap in de gemeente van Opheusden, en in 1999 werd hij bevestigd in de Nederlandse Hervormde Kerk te Katwijk aan Zee. In 2002 verdedigde hij zijn dissertatie over de leer van de Heilige Geest in de opwekkingstheologie van Jonathan Edwards aan de Theologische Universiteit van Apeldoorn. Diverse andere studies verschenen van zijn hand. In 2014 publiceerde hij een boek over persoonlijke vernieuwing: Be renewed. A theology of personal renewal (Göttingen: Vandenhoeck &Ruprecht, 2014). Hij was lid van het moderamen van de Hersteld Hervormde Kerk sinds mei 2004 tot zijn benoeming als Universitair Docent systematische theologie aan de VU te Amsterdam in 2005 ten behoeve van het Hersteld Hervormd Seminarium. Sinds 2007 is hij rector van dit seminarium en per 1 januari 2015 is hij aan de VU benoemd als hoogleraar theologie en spiritualiteit van het gereformeerd protestantisme. Verder is hij directeur van het Jonathan Edwards Centre Benelux, Research Fellow aan de University of the Free State in Bloemfontein (Zuid-Afrika) en voorzitter van de Bonisa-zending. Hij is getrouwd met Wilma Gerda Wiersma. Samen hebben zij zes kinderen: Tonny, Hennie, Jan, Meindert, Marianne en Willem.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

 tekens over