De schrijver van dit artikel is van opleiding classicus. Bij zijn klassieke studie ontmoette hij bepaalde verschijnselen die ook in de theologie een rol spelen. Het kan interessant zijn te leren van de classici.

Al in mijn studententijd las ik een artikel in het tijdschrift Mnemosyne (1) van J. Glucker. De titel was “Thucydides I, 29, 3, Gregory of Corinth and the ars interpretandi”. Het artikel handelde over een moeilijke kwestie in het geschiedverhaal van Thucydides. Eigenlijk was het een onbelangrijk detail. Glucker wilde de zaak echter oplossen en hij kwam tot de conclusie, dat de vele commentaren op Thucydides op dit punt telkens niets nieuws schreven. Ieder nam op zijn manier de gegevens over uit de voorgaande commentaren en vormde een standpunt. Toch bleek Glucker met enige moeite elders in de literatuur van de Oudheid nieuwe gegevens te vinden die de moeilijke kwestie bij Thucydides definitief oplosten.
Glucker nam deze kwestie als aanleiding om eens te redeneren over de vraag, waarmee we ons eigenlijk bezighouden als we wetenschap bedrijven. Concentreren wij ons op de commentaren of concentreren we ons op de teksten uit de Oudheid? Nu weet iedereen wel, dat op deze manier de vraag wat té spits gesteld is. De commentaren zijn ook belangrijk. Je kunt niet overboord gooien wat vroeger al onderzocht en bereikt is. “Je moet niet het warm water opnieuw willen uitvinden”, zegt men wel. Te grote aandacht voor de commentaren kan echter met zich meebrengen, dat de teksten uit de Oudheid zelf verwaarloosd worden. En dat wat nu juist wat Glucker constateerde.

Glucker verwees in zijn artikel naar een ander artikel “The Silvae of Statius and their Editors” in het tijdschrift Phoenix (2). De schrijver daarvan, J.A. Willis, had hetzelfde als Glucker gedaan, maar met een moeilijke plaats in de Silvae van de Latijnse dichter Statius. Ook hij vond elders in de Latijnse litteratuur gegevens die de moeilijke kwestie ophelderden. Toch had niemand die gegevens kennelijk ooit in verband gebracht met de bewuste tekst van Statius. Ook Willis dacht eens verder over vraag, waarmee we ons bezighouden. Hij constateerde een schromelijk tekort aan kennis van de Latijnse teksten. Men lijdt, zo schreef hij aan a constant obsession with ‘the latest results’ en is minder bezig met studie van de teksten zelf dan met research in other people’s research in the Classics.

Frappant vond ik een berekening die Willis maakte. Hij telde op hoeveel versregels de complete overgeleverde Latijnse poëzie telde. Vervolgens vroeg hij zich af, hoeveel tijd iemand nodig zou hebben om dat alles eens op zijn gemak door te lezen. Het was opvallend weinig tijd. Waarom doet bijna niemand dat dan? Als je over de Latijnse poëzie wilt schrijven, zou je die toch door en door moeten kennen. Onderwerpen en thema’s komen terug, toespelingen op ouder werk zijn aan de orde van de dag. Toch pronkt men liever met zijn onderzoek in de wetenschappelijke litteratuur. Een recent artikel in een onbekend tijdschrift van een provinciale Italiaanse universiteit móet in de litteratuurlijst staan. Of een nauwelijks te vinden doctoraatsthesis uit een 19e-eeuwse kleine Duitse universiteit.

Ik had het voorrecht om eens 2 weken door te brengen op de Fondation Hardt in Vandoeuvres bij Genève. Er bevindt zich daar een uitgebreide bibliotheek op het gebied van de klassieke Oudheid. Permanent verblijft daar een beperkt aantal geleerden en studenten uit heel Europa. Ieder had zijn tafel volgeladen met boeken en wetenschappelijke tijdschriften. Op zekere dag verscheen professor Heikki Koskenniemi uit Turku in Finland. Hij had zijn tafel vlak voor mij. Hij installeerde zich, legde papier en pen gereed en haalde één boek uit de kast. De eerste dag las hij daarin, de tweede dag las hij daarin en halverwege de derde dag, toen we van onze tafels opstonden om te gaan eten, zei hij tegen mij: “Jetzt habe ich den Curtius Rufus wieder mal gelesen”. Hij had het begrepen. Voordat hij aan zijn studie begon over een bepaald aspect van het werk van Curtius Rufus, las hij aandachtig het hele werk van die schrijver nog eens door en maakte hij relevante aantekeningen. Daarna ging hij aan de slag met boeken en tijdschriften.

In het eerste jaar van mijn studie aan de universiteit kreeg ik Oude Geschiedenis van professor G.J.D. Aalders H.W.zn. Hij had de gewoonte responsiecollege te houden. Na enkele weken waarin hij zelf college gaf, kwam de beurt van de studenten. Ieder moest een hoofdstuk uit een historische tekst uit de Oudheid voorbereiden. Daarbij moest een vertaling gemaakt worden en een verklaring gezocht van alle personen, plaatsen, maten, gebeurtenissen die in dat hoofdstuk voorkwamen. De oudere studenten wisten het al te zeggen: er werd niet geaccepteerd dat je naar een moderne studie verwees – je moest met Griekse of Latijnse bewijsteksten aankomen. Dit was een zeer wijze opdracht!

Ik denk, dat we voor de exegese van de Bijbel van deze classici kunnen leren. Is men meer bezig met de teksten van de Bijbel of met studie in andermans studie naar aanleiding van de Bijbel? Is het belangrijker uit de Bijbel bewijsplaatsen aan te halen of nog steeds bijvoorbeeld de standpunten van de negentiende-eeuwse kritische theologen te bespreken? Hun uitgangspunten aanvaarden we toch niet? En hun standpunten zijn toch allang weerlegd? En zeg nu niet, dat het je het ene kunt doen en het andere niet nalaten. In de praktijk zie je dat nauwelijks.

De vraag van Willis zou ook hier gesteld kunnen worden: hoeveel tijd zou het vergen om heel het werk van Paulus of alle evangeliën of alle profeten of desnoods de hele Bijbel aandachtig te lezen? Glucker en Willis ontdekten in andere oude teksten dan die waarmee zij zich bezighielden, gegevens die generaties van commentatoren en artikelenschrijvers niet hadden opgemerkt. Een van beiden merkt op, dat die gegevens er niettemin altijd geweest waren. Het is ook mijn ervaring, dat voor heel wat oude problemen van exegese de oplossing ergens anders in de Bijbel te vinden is. Je moet alleen afstand willen nemen van de denkpatronen en de geijkte paden van de commentaren en Bijbel met Bijbel vergelijken. Daarvoor is het vooral nodig, dat je bij het lezen van de Bijbel op tijd verbanden weet te leggen met problemen die je op andere plaatsen van de Bijbel al eerder ontmoet had. Ik wil eindigen met een stelling die niet absoluut geldig is, maar zeer vaak wel. Voor ieder exegetisch probleem ligt de oplossing ergens in de Bijbel verscholen. Het is alleen zaak die te ontdekken.

LEUK ARTIKEL?
Bent u blij met dit artikel? Het onderhoud en de ontwikkeling van deze website vragen financiële offers. Zou u ons willen steunen met een maandelijkse bijdrage? Dat kan door ons donatieformulier in te vullen of een bijdrage over te schrijven naar NL53 INGB000 7655373 t.n.v. Logos Instituut. Logos Instituut is een ANBI-stichting en dat wil zeggen dat uw gift fiscaal aftrekbaar is.

Written by

Dr. A. Dirkzwager studeerde klassieke filologie aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. Het hoofdvak was Grieks, de bijvakken Oude Geschiedenis en Latijn. Van de Griekse en Latijnse teksten die hij te bestuderen had, stamde 40% van christelijke auteurs. Zijn doctoraatsthesis was een inhoudelijke commentaar op de beschrijving van de Romeinse provincie Gallia Narbonensis door de Griekse aardrijkskundige Strabo. De titel was 'Strabo über Gallia Narbonensis', uitgegeven door Brill, Leiden 1975. Hij was werkzaam als leraar in Nederland en Vlaanderen, later als onderwijsinspecteur. Ook gaf hij colleges exegese Nieuwe Testament en hermeneutiek aan de Evangelische Theologische Faculteit van Heverlee. De exegetische kolom van 1 Timotheus, 2 Timotheus, Filemon en Judas in de Studiebijbel van het Centrum voor Bijbelonderzoek is van zijn hand, na retouches door de redactie.

1 Comment

Leren van de classici (2) Bronnen zoeken | Logos Instituut

[…] Op het genoemde deel van het werk van Strabo bestond nog geen commentaar. Wel was er in de uitgave van Lasserre2 een aantal uitvoerige verklarende noten. Een zeer groot deel van de tekst moest ik zelf verklaren. Dit heeft het nadeel, dat de commentator zijn visie niet kan confronteren met die van anderen. Hij kan belangrijke dingen over het hoofd zien. Hij kan fouten maken en die niet corrigeren, omdat hij niet ziet, dat voorgangers in het werk anders geoordeeld hebben. Het grote voordeel is echter, dat hij onbevangen de tekst benadert en benaderingswijzen die eenzijdig zijn, niet overneemt. Hij moet de tekst zelf goed lezen en teksten van andere antieke auteurs die over hetzelfde onderwerp handelen, zoeken, zich grondig eigen maken en zelf verwerken. De voordelen van dit procédé zijn uiteengezet in het eerste artikel in deze reeks Leren van de classici, te vinden op dezelfde website.3 […]

Comments are closed.