De schrijver van dit artikel is van opleiding classicus. Zijn doctoraatsthesis werd gevormd door een commentaar op een gedeelte van het werk van de Griekse geograaf Strabo, namelijk de beschrijving van de Romeinse provincie Gallia Narbonensis.1 Deze onderneming was om twee redenen interessant voor de theologie.

Een commentaar schrijven zonder voorbeeld

Op het genoemde deel van het werk van Strabo bestond nog geen commentaar. Wel was er in de uitgave van Lasserre2 een aantal uitvoerige verklarende noten. Een zeer groot deel van de tekst moest ik zelf verklaren. Dit heeft het nadeel, dat de commentator zijn visie niet kan confronteren met die van anderen. Hij kan belangrijke dingen over het hoofd zien. Hij kan fouten maken en die niet corrigeren, omdat hij niet ziet, dat voorgangers in het werk anders geoordeeld hebben. Het grote voordeel is echter, dat hij onbevangen de tekst benadert en benaderingswijzen die eenzijdig zijn, niet overneemt. Hij moet de tekst zelf goed lezen en teksten van andere antieke auteurs die over hetzelfde onderwerp handelen, zoeken, zich grondig eigen maken en zelf verwerken. De voordelen van dit procédé zijn uiteengezet in het eerste artikel in deze reeks Leren van de classici, te vinden op dezelfde website.3

Bronnen zoeken

Toen ik voor de eerste keer wat nauwkeuriger naar de tekst van Strabo keek, gebruikte ik de editie van Lasserre. Ik gebruikte vanzelfsprekend ook zijn noten. Mij viel op, dat Lasserre vaak noteerde, dat Posidonius de bron was van een bepaalde passage. Op andere plaatsen zou Strabo zijn gegevens ontleend hebben aan Artemidorus – om slechts deze twee auteurs te noemen. Nu moet een classicus in opleiding in de loop van zijn studie een tentamen afleggen over de de Griekse litteratuurgeschiedenis. Ik herinnerde mij echter niet, dat daarin geografische werken van Posidonius en Artemidorus voorkwamen. Naspeuringen leverden op, dat genoemde personen inderdaad geografische werken geschreven hadden. Deze waren echter niet overgebleven. Slechts citaten bij andere auteurs waren bekend.

De volgende stap lag voor de hand: nagaan, waarom Lasserre meende, dat hij de bronnen van Strabo zo nauwkeurig meende te kunnen bepalen. Lasserre verwees naar oudere studies over de bronnen van Strabo. Een beginnende onderzoeker geraakt onder de indruk: zoveel grote onderzoekers hebben materiaal geleverd voor de visie van Lasserre. Waar moet ik beginnen om de behandeling van de kwestie te verstaan?

Na lang zoeken bleek, dat men uiteindelijk tot de conclusie was geraakt, dat alles wat Posidonius geweten kon hebben, ook door Strabo aan hem ontleend was. En dat was veel. Let wel: de geografische werken van Posidonius zijn niet bewaard gebleven. Niemand weet dus, of Posidonius bepaalde geografische of historische feiten inderdaad in zijn werk beschreven had. Op dezelfde manier moesten alleen gegevens over gebeurtenissen die Posidonius niet meegemaakt kon hebben, aan een andere bron toegeschreven worden. Vervolgens vond men, dat Strabo alle gebeurtenissen die Artemidorus kon gekend hebben, aan Artemidorus ontleend moest hebben. En zo verder. Het gevolg was, dat Strabo op deze manier gedegradeerd werd tot een schrijver die een samenvatting of herwerking had gemaakt van Posidonius en dit aangevuld had met een beperkt aantal zinnen waarvan de inhoud ontleend was aan Artemidorus en slechts enkele anderen.

Het is belangrijk te zien, dat hier sprake is van een opvallende denkfout. Het is bekend, dat er veel meer schrijvers geweest zijn die over geografische onderwerpen geschreven hebben dan alleen Posidonius, Artemidorus en die paar anderen. Zonder bewijs werd verondersteld, dat Strabo een onnozelaar was die niet voldoende ontwikkeling had en geen initatieven ondernam om zelfstandig zaken te onderzoeken en andere schrijvers te raadplegen dan die enkele welke Lasserre noemde. Geografie is je hobby en je doet geen enkele inspanning om je horizon zo breed mogelijk te maken!

Hoe meer je je bezighoudt met bronnenonderzoek over het werk van Griekse en Romeinse historici en geografen, des te meer krijg je de indruk, dat de werken van zelfstandig werkende schrijvers verloren zijn gegaan. We zijn zogezegd blijven zitten met de geschriften van personen die hun werken samenstelden door van wat die zelf denkende schrijvers hadden geschreven samen te vatten en zinnen daarin in te voegen van andere zelf denkende auteurs. Je zou kunnen zeggen, dat volgens het gangbare bronnenonderzoek de werken van de belangrijke schrijvers verloren zijn gegaan, terwijl wat we over hebben in het algemeen van prutsers stamt.

Het Nieuwe Testament

Kennen we bovenstaand verhaal niet? Zijn in het 19e-eeuwse bronnenonderzoek onze evangelisten niet onnozele afschrijvers van het werk van degenen die het echte onderzoek hadden gedaan? Waren onze evangelisten niet personen die nauwelijks meer dan enkele werken van voorgangers kenden, precies zoals men meent over Strabo? Kan het geijkte bronnenonderzoek niet, net als bij Strabo, zogezegd vaststellen, waar onze evangelisten zinnen ingevoegd hebben in bron Q uit enkele andere bronnen? Waarom zou Lucas liegen, toen hij schreef, dat reeds velen voor hem geprobeerd hadden Evangeliën te schrijven? Hij was een wetenschapper. Zou hij die andere Evangeliën niet gelezen hebben?

Het Oude Testament

Kennen we dit verhaal niet? Is in het 19e-eeuwse bronnenonderzoek de samensteller van de Torah niet een onnozele afschrijver van het werk van degenen die zelfstandig teksten hadden samengesteld? Was de schrijver van de Torah niet, evenals men meent over Strabo, een persoon die nauwelijks meer dan enkele werken van voorgangers kende? Kan het geijkte bronnenonderzoek niet, net als bij Strabo, zogezegd vaststellen, waar de samensteller van de Torah zinnen ingevoegd heeft in bron J uit bron P of de Priestercodex?

De moraal van dit betoog

Ik schreef “het 19e-eeuwse bronnenonderzoek”. We leven inmiddels in de 21e eeuw. Al in de 20e eeuw werd duidelijk, dat de 19e eeuw té kritisch was geweest. Eigenlijk maak ik hier dezelfde fout die ik hiervoor aan de kaak stelde. Niet iedereen in de 19e eeuw was superkritisch. Het waren echter de superkritischen die de boventoon voerden, die voor serieus doorgingen, die de trend zetten die om het nog moderner te zeggen, de mainstream vormden.

Het is merkwaardig, dat deze trendvolgers in Strabo een trendvolger zagen, een persoon zonder zelfstandig initiatief. Een mens denkt nu eenmaal vaak, dat alle mensen zijn zoals hijzelf. Toch zei de 19e eeuw, dat de wetenschap kritisch moest zijn, ook kritisch voor het eigen standpunt. Men had beter kunnen weten…

Heinrich Schliemann behoorde ook tot de 19e eeuw. Als jongen raakte hij al uiterst geboeid door de gedichten van Homerus. De superkritische trend vond, dat wat Homerus bezong, zonder serieuze historische achtergrond was. Schliemann weigerde dit te geloven. Nadat hij voldoende geld had verdiend, ging hij steden van de koningen van Homerus’ gedichten opgraven. Hij trof daar aan, dat er wel een historische achtergrond was. Homerus werd in ere hersteld. De visie van de superkritische 19e-eeuwse trend werd waardeloos.

Waarom worden de bronnensplitsingen van de superkritische oudtestamentici en nieuwtestamentici dan nog altijd besproken alsof die ernstig te nemen zijn?

Voetnoten

  1. Strabo über Gallia Narbonensis, Leiden 1975.
  2. F. Lasserre, Strabon, II, Collection des universités de France, Paris 1966.
  3. https://logos.nl/leren-van-de-classici-1-de-teksten-kennen/.

LEUK ARTIKEL?
Bent u blij met dit artikel? Het onderhoud en de ontwikkeling van deze website vragen financiële offers. Zou u ons willen steunen met een maandelijkse bijdrage? Dat kan door ons donatieformulier in te vullen of een bijdrage over te schrijven naar NL53 INGB000 7655373 t.n.v. Logos Instituut. Logos Instituut is een ANBI-stichting en dat wil zeggen dat uw gift fiscaal aftrekbaar is.

Written by

Dr. A. Dirkzwager studeerde klassieke filologie aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. Het hoofdvak was Grieks, de bijvakken Oude Geschiedenis en Latijn. Van de Griekse en Latijnse teksten die hij te bestuderen had, stamde 40% van christelijke auteurs. Zijn doctoraatsthesis was een inhoudelijke commentaar op de beschrijving van de Romeinse provincie Gallia Narbonensis door de Griekse aardrijkskundige Strabo. De titel was 'Strabo über Gallia Narbonensis', uitgegeven door Brill, Leiden 1975. Hij was werkzaam als leraar in Nederland en Vlaanderen, later als onderwijsinspecteur. Ook gaf hij colleges exegese Nieuwe Testament en hermeneutiek aan de Evangelische Theologische Faculteit van Heverlee. De exegetische kolom van 1 Timotheus, 2 Timotheus, Filemon en Judas in de Studiebijbel van het Centrum voor Bijbelonderzoek is van zijn hand, na retouches door de redactie.