Geruchten rondom Adams overlijden, weer één erbij

Ik geloof dat ik genetisch afstam van Adam en Eva, maar niet alleen ik: ieder mens kan zijn afstammingslijn via de familie van Noach helemaal terugvoeren tot dit eerste paar. Ik beken ook vrijelijk de doctrines van de zondeval en de eerste zonde, met Adam in de kern van wat er op tragische wijze mis… Read more »

‘En de aarde bracht voort. Christelijk geloof en evolutie’

Zijn christelijk geloof en universele gemeenschappelijke afstamming met elkaar te rijmen? Theïstisch evolutionisten geloven dat dit zeker het geval is. Volgens hen moeten we de naturalistische wetenschap hierin heel serieus nemen. Serieus nemen betekent in dit geval compromissen sluiten en leerstellige revisies toepassen. Daarvoor moeten heilige huisjes omver geworpen worden. Maar, zoals de bekende bioloog… Read more »

Het gevecht om de tiende eeuw

Samenvatting Was Jeruzalem in de 10e eeuw v. Chr. slechts een dorpje in het Judese bergland, dat een dunbevolkt achterland beheerde, en David – als hij al bestaan heeft – slechts een onbetekenend stamhoofd dat pas eeuwen later tot heerser van een groot rijk verheven werd? Of zijn er daadwerkelijk archeologische aanwijzingen dat Jeruzalem in… Read more »

Is Mars verdronken?

Het mag geen nieuws heten dat seculiere wetenschappers denken dat Mars vroeger geen rode, maar een blauwe planeet was. Maar hoeveel water heeft er dan op Mars gestaan? Wetenschappers berekenden de vermeende hoeveelheid Marswater aan de hand van de enorme valleien op onze ruimtebuur. Ze schatten dat er minstens 174 biljoen (1,74 × 1014) kubieke meter… Read more »

Helium uit het binnenste der aarde

In het binnenste van de aarde vinden radioactieve vervalprocessen plaats, die helium en warmte produceren. De uittredende hoeveelheid helium is echter slechts 4%, van wat men op basis van de uittredende warmte mag verwachten. Een mogelijke verklaring voor deze tegenstrijdigheid is, dat het grootste gedeelte van de helium in het binnenste der aarde zou achterblijven. Een… Read more »

Vernietiging Jeruzalem

Archeologen vinden bewijzen voor vernietiging Jeruzalem

Terwijl Jeruzalem feest viert omdat het 50 jaar geleden werd herenigd, hebben archeologen een bijzondere ontdekking gedaan. Ze hebben overtuigende bewijzen gevonden van de strijd die in de eerste eeuw in de stad is gevoerd. De onderzoekers zijn gestuit op de hoofddoorgang die, voor de vernietiging door de Romeinen in 70 na Christus, naar de… Read more »

Onder de indruk van de goede onderbouwing tegen de evolutieleer 

“Graag wil ik de Heere danken voor de bediening die Hij heeft doen ontstaan, namelijk jullie bediening, Logos Instituut. Als Christen word ik heel vaak geconfronteerd met evolutieleer, de oude leeftijd van de aarde, leven etc.”, zo liet iemand ons weten. Hij was op zoek naar eenvoudig materiaal ter inleiding op het scheppingsreferentiekader. We hebben… Read more »

Uranium en polonium stralingspatronen

De veel voorkomende uranium en polonium stralingspatronen in het graniet van het Paleozoïcum-Mesozoïcum (naar men zegt 251 tot 542 miljoen jaar geleden) verwijzen naar één of meerdere fasen van voorbijgaand versneld radioactief verval. Zo kunnen de resultaten van de radiometrische meetmethoden (ook de splijtingsspoor methode) heel goed in het model van een jonge aarde verklaard… Read more »

Bacteriën tonen naastenliefde

Onlangs bleek uit onderzoek dat bacteriën soms verder kijken dan puur hun eigen voortbestaan. Het komt voor dat in een hele populatie een paar bacteriën die resistent zijn voor antibiotica, hun meer kwetsbare soortgenoten helpen. Ze verbeteren de overlevingskansen van de minst resistente bacteriën, onder andere door een signalerend molecuul te produceren. Dat molecuul alarmeert… Read more »

onderzoek

TIEN TIPS VOOR ALS JE GELOOFT IN EEN SCHEPPING

bibliotheek_duizelt-pixabayJe bent een eerstejaarsstudent en wilt graag de wetenschap in. Je hebt je christelijke school en mogelijk je ouderlijk huis verlaten en loopt nu rond op een universiteit van een grote stad. Je gelooft dat God de hemel en de aarde in zes dagen geschapen heeft, maar dat deze schepping niet zeer goed is gebleven. Er is een historische zondeval geweest. Je bent hiervan overtuigd, maar je merkt ook dat er een keerzijde aan dat geloof zit. Is het wel verstandig om hier openlijk voor uit te komen? En als je dat wel doet, zal men je dan wel accepteren? En wat moet je doen als jij dat geloof door intellectuele uitdagingen dreigt te verliezen? Lees meer.

PROTOCOL FINANCIERING ONDERZOEK

Protocol.logosHet Logos-fonds is opgericht door het Logos Instituut om wetenschappers te faciliteren die onderzoek binnen de doelstelling van het fonds willen verrichten. Het bestuur van het Logos Instituut heeft een commissie ingesteld om het bestuur te adviseren over het beheer van het fonds. Download hier ons protocol.

GASTCOLLEGES EN PRESENTATIES OP STUDENTENVERENIGINGEN

Wij bieden colleges aan op de universiteiten en hogescholen voor studenten en docenten. Tijdens deze gastcolleges gaan experts dieper in op hun vakgebied. Daarnaast geven wij presentaties voor studentenverenigingen, studiedagen en andere gelegenheden

Voor de volgende onderwerpen zijn sprekers beschikbaar:
- Geloof en wetenschap,
- Schepping of evolutie,
- Wetenschapsgeschiedenis,
- Diverse vakgebieden binnen de wetenschapsbeoefening,
- Historiciteit van de Bijbel
- Het ontstaan van het Bijbelboek Genesis.

CREATIONISTISCHE ORGANISATIES WERELDWIJD

desert-719665_1280 (1)Over de hele wereld zijn er talloze creationistische organisaties te vinden waar de waarheid van de Schepping verdedigd wordt. Een creationistische organisatie draagt een zesdaagse schepping, historische zondeval en een wereldwijde zondvloed uit als zijnde waar gebeurd en leest Genesis literair-historisch. Helaas bestaat er nog geen goed overzicht van al deze organisaties. Logos Instituut zet zich op deze pagina in om alle organisaties op een rijtje te krijgen. Lees meer.

Voetnoten

  1. Eerder schreef ik al een essay over een interview met prof. Van den Brink in Kontekstueel en de discussie die daaropvolgend in De Waarheidsvriend en andere (kerkelijke) bladen gevoerd werd. Dat essay is hier te lezen: https://logos.nl/de-theologie-en-haar-knieval-voor-het-neodarwinisme/.
  2. De Engelstalige editie verschijnt in 2018 bij Eerdmans onder de titel Reformed Theology and Evolutionary Theory. Van den Brink schrijft in ‘De aarde bracht voort’ over dit boek: ‘In de Engelstalige pendant van het onderhavige boek richt ik me daarom specifiek op de verhouding tussen de gereformeerde theologie en de evolutietheorie. In deze Nederlandse uitgave, die een wat minder technisch karakter draagt en op een wat breder publiek gericht is, gebeurt dat niet of in elk geval minder expliciet.’ (p. 25).
  3. Zie voor een bespreking van het meest recente artikel van haar hand over geloof en evolutie ook de achtdelige serie van Eppie: deel 1, deel 2, deel 3, deel 4, deel 5, deel 6, deel 7 en deel 8. Van den Brink gaf aan zeer gerustgesteld te zijn na het verhaal van de Jong. Het verhaal van haar was iets waar de theoloog het meest tegen op zag: ‘Als de wetenschap maar goed zit’ dan is het goed.
  4. Zij gaven met kritische kanttekeningen aan (nog) niet overtuigd te zijn van de revisie van prof. Van den Brink. De bijdrage van prof. Wisse is ondertussen ook online verschenen en hier te lezen.
  5. Templeton World Charity Foundation is een organisatie die grote gelden geeft aan theïstisch evolutionistische organisaties. Zo is door middel van de financiering van TWCF Faraday Institute en BioLogos opgericht. Daarnaast heeft ook de Nederlandse organisatie ForumC een grote injectie gehad van deze organisatie.
  6. https://www.godgeleerdheid.vu.nl/nl/nieuws-en-agenda/agenda/2017/apr-jun/170622-boekpresentatie-en-de-aarde-bracht-voort.aspx.
  7. https://www.weetwatjegelooft.nl/studiebijeenkomsten/evolutie/
  8. Niet schrikken: In vergelijking met de congressen te Opheusden (www.oorsprong.info) is de prijs van dit congres behoorlijk hoog.
  9. Schinkelshoek, D., 2017, Hoe geloof en evolutie kunnen samengaan, Nederlands Dagblad 73 (19.567): 6-7.
  10. Sikkema, R., 2017, ‘Samen ten strijde tegen evolutionisme’, Nederlands Dagblad 73 (19.568): 7.
  11. Vanmorgen nog niet in de krant verschenen, officiële bronvermelding volgt.
  12. Eerder schreef ik al een essay over een interview met prof. Van den Brink in Kontekstueel en de discussie die daaropvolgend in De Waarheidsvriend en andere (kerkelijke) bladen gevoerd werd. Dat essay is hier te lezen: https://logos.nl/de-theologie-en-haar-knieval-voor-het-neodarwinisme/.
  13. De Engelstalige editie verschijnt in 2018 bij Eerdmans onder de titel Reformed Theology and Evolutionary Theory. Van den Brink schrijft in ‘De aarde bracht voort’ over dit boek: ‘In de Engelstalige pendant van het onderhavige boek richt ik me daarom specifiek op de verhouding tussen de gereformeerde theologie en de evolutietheorie. In deze Nederlandse uitgave, die een wat minder technisch karakter draagt en op een wat breder publiek gericht is, gebeurt dat niet of in elk geval minder expliciet.’ (p. 25).
  14. Zie voor een bespreking van het meest recente artikel van haar hand over geloof en evolutie ook de achtdelige serie van Eppie: deel 1, deel 2, deel 3, deel 4, deel 5, deel 6, deel 7 en deel 8. Van den Brink gaf aan zeer gerustgesteld te zijn na het verhaal van de Jong. Het verhaal van haar was iets waar de theoloog het meest tegen op zag: ‘Als de wetenschap maar goed zit’ dan is het goed.
  15. Zij gaven met kritische kanttekeningen aan (nog) niet overtuigd te zijn van de revisie van prof. Van den Brink. De bijdrage van prof. Wisse is ondertussen ook online verschenen en hier te lezen.
  16. Templeton World Charity Foundation is een organisatie die grote gelden geeft aan theïstisch evolutionistische organisaties. Zo is door middel van de financiering van TWCF Faraday Institute en BioLogos opgericht. Daarnaast heeft ook de Nederlandse organisatie ForumC een grote injectie gehad van deze organisatie.
  17. https://www.godgeleerdheid.vu.nl/nl/nieuws-en-agenda/agenda/2017/apr-jun/170622-boekpresentatie-en-de-aarde-bracht-voort.aspx.
  18. https://www.weetwatjegelooft.nl/studiebijeenkomsten/evolutie/
  19. Niet schrikken: In vergelijking met de congressen te Opheusden (www.oorsprong.info) is de prijs van dit congres behoorlijk hoog.
  20. Schinkelshoek, D., 2017, Hoe geloof en evolutie kunnen samengaan, Nederlands Dagblad 73 (19.567): 6-7.
  21. Sikkema, R., 2017, ‘Samen ten strijde tegen evolutionisme’, Nederlands Dagblad 73 (19.568): 7.
  22. Vanmorgen nog niet in de krant verschenen, officiële bronvermelding volgt.
  23. Vgl. Finkelstein & Lieberman (2006).
  24. De overeenkomst tussen het poortcomplex in Hazor, dat in Megiddo en dat in Gezer heeft er in verbinding met I Kon. 9:15 toe geleid deze bouwwerken in de tijd van Salomo te dateren.
  25. Op grond van een onjuiste overlevering die al uit de nieuwtestamentische tijd stamde lokaliseerde men tot ± 1900 n. Chr. de oorspronkelijke Davidsstad op de zuidwestelijke heuvel van Jeruzalem, die de daarom tot op heden de naam Tsion draagt. Pas langzamerhand erkenden de eerste opgravers aan de hand van archeologische bevindingen dat de oudtestamentische Stad van David op de zuidoostelijke heuvel moest hebben gelegen.
  26. In het volgende gebruikte afkortingen: IT = ijzertijd; LBT = late bronstijd.
  27. Weill identificeerde ze als graven en duidde ze aan met T1 en T2. Deze duiding is echter omstreden. Andere archeologen houden deze kamers voor kelders uit de tijd van de tweede tempel, aangezien ze lijken op door Bliss & Dickie verder zuidelijk gevonden kelders. Ten slotte heeft Jeffrey Zorn zich voor een identificatie met graven van het Davidische huis uitgesproken (Zorn 2012).
  28. Een verklaring voor deze verschillende bouwwijzen zou II Kr. 32:5 kunnen leveren. Toen Hizkia in de 8e eeuw de Millo liet verbeteren wist men wellicht niets meer over de oorspronkelijke bouwwijze met de eraan ten grondslag liggende terrassenconstructie en legde men domweg alleen nog maar stenen in lagen over elkaar heen.
  29. Cahill steunt hierbij inzonderheid op een door Shiloh in Square B4 loodrecht de structuur in gegraven schacht, waaruit zij zowel de architectonische eenheid van onderconstructie en steenmantel afleidt alsook de terminus post quem (tussen LBT II en IT I) voor hun bouw (Cahill 2003).
  30. Proto-Aeolische (ook proto-Ionisch genoemd) kapitelen zijn in Samaria, Megiddo, Hazor en Ramat Rachel gevonden. Ze verbeelden een gestileerde palm, lijken in nauwe betrekking tot het koningshuis te staan en dateren naar de traditionele chronologie in de 10e-9e eeuw en naar Finkelsteins low chronology in de 9e-8e eeuw (Keel 2007). Interessant is dat Macalister al in 1903 een brokstuk van zo’n kapiteel ook in Gezer heeft gevonden (Macalister 1904).
  31. Faust laat in zijn artikel zien dat ook Mazar David eigenlijk in IT IIa plaatst en merkt op dat men alle ontwikkelingen en veranderingen die IT IIa met zich meebrengt en die gewoonlijk met het ontstaan van het koningschap in Israël wordt verbonden zou verliezen als men David en zijn paleis naar IT I verschuift. Men zou dan wel een monumentaal gebouw hebben, maar verder niets (Faust 2010).
  32. Sikkema, R., 2017, ‘Samen ten strijde tegen evolutionisme’, Nederlands Dagblad 73 (19.568): 7.
  33. Vanmorgen nog niet in de krant verschenen, officiële bronvermelding volgt.
  34. Vgl. Finkelstein & Lieberman (2006).
  35. De overeenkomst tussen het poortcomplex in Hazor, dat in Megiddo en dat in Gezer heeft er in verbinding met I Kon. 9:15 toe geleid deze bouwwerken in de tijd van Salomo te dateren.
  36. Op grond van een onjuiste overlevering die al uit de nieuwtestamentische tijd stamde lokaliseerde men tot ± 1900 n. Chr. de oorspronkelijke Davidsstad op de zuidwestelijke heuvel van Jeruzalem, die de daarom tot op heden de naam Tsion draagt. Pas langzamerhand erkenden de eerste opgravers aan de hand van archeologische bevindingen dat de oudtestamentische Stad van David op de zuidoostelijke heuvel moest hebben gelegen.
  37. In het volgende gebruikte afkortingen: IT = ijzertijd; LBT = late bronstijd.
  38. Weill identificeerde ze als graven en duidde ze aan met T1 en T2. Deze duiding is echter omstreden. Andere archeologen houden deze kamers voor kelders uit de tijd van de tweede tempel, aangezien ze lijken op door Bliss & Dickie verder zuidelijk gevonden kelders. Ten slotte heeft Jeffrey Zorn zich voor een identificatie met graven van het Davidische huis uitgesproken (Zorn 2012).
  39. Een verklaring voor deze verschillende bouwwijzen zou II Kr. 32:5 kunnen leveren. Toen Hizkia in de 8e eeuw de Millo liet verbeteren wist men wellicht niets meer over de oorspronkelijke bouwwijze met de eraan ten grondslag liggende terrassenconstructie en legde men domweg alleen nog maar stenen in lagen over elkaar heen.
  40. Cahill steunt hierbij inzonderheid op een door Shiloh in Square B4 loodrecht de structuur in gegraven schacht, waaruit zij zowel de architectonische eenheid van onderconstructie en steenmantel afleidt alsook de terminus post quem (tussen LBT II en IT I) voor hun bouw (Cahill 2003).
  41. Proto-Aeolische (ook proto-Ionisch genoemd) kapitelen zijn in Samaria, Megiddo, Hazor en Ramat Rachel gevonden. Ze verbeelden een gestileerde palm, lijken in nauwe betrekking tot het koningshuis te staan en dateren naar de traditionele chronologie in de 10e-9e eeuw en naar Finkelsteins low chronology in de 9e-8e eeuw (Keel 2007). Interessant is dat Macalister al in 1903 een brokstuk van zo’n kapiteel ook in Gezer heeft gevonden (Macalister 1904).
  42. Faust laat in zijn artikel zien dat ook Mazar David eigenlijk in IT IIa plaatst en merkt op dat men alle ontwikkelingen en veranderingen die IT IIa met zich meebrengt en die gewoonlijk met het ontstaan van het koningschap in Israël wordt verbonden zou verliezen als men David en zijn paleis naar IT I verschuift. Men zou dan wel een monumentaal gebouw hebben, maar verder niets (Faust 2010).
  43. Sikkema, R., 2017, ‘Samen ten strijde tegen evolutionisme’, Nederlands Dagblad 73 (19.568): 7.
  44. Vanmorgen nog niet in de krant verschenen, officiële bronvermelding volgt.
  45. https://www.nature.com/articles/ncomms15766.
  46. https://water.usgs.gov/edu/earthhowmuch.html.
  47. Op grond van een onjuiste overlevering die al uit de nieuwtestamentische tijd stamde lokaliseerde men tot ± 1900 n. Chr. de oorspronkelijke Davidsstad op de zuidwestelijke heuvel van Jeruzalem, die de daarom tot op heden de naam Tsion draagt. Pas langzamerhand erkenden de eerste opgravers aan de hand van archeologische bevindingen dat de oudtestamentische Stad van David op de zuidoostelijke heuvel moest hebben gelegen.
  48. In het volgende gebruikte afkortingen: IT = ijzertijd; LBT = late bronstijd.
  49. Weill identificeerde ze als graven en duidde ze aan met T1 en T2. Deze duiding is echter omstreden. Andere archeologen houden deze kamers voor kelders uit de tijd van de tweede tempel, aangezien ze lijken op door Bliss & Dickie verder zuidelijk gevonden kelders. Ten slotte heeft Jeffrey Zorn zich voor een identificatie met graven van het Davidische huis uitgesproken (Zorn 2012).
  50. Een verklaring voor deze verschillende bouwwijzen zou II Kr. 32:5 kunnen leveren. Toen Hizkia in de 8e eeuw de Millo liet verbeteren wist men wellicht niets meer over de oorspronkelijke bouwwijze met de eraan ten grondslag liggende terrassenconstructie en legde men domweg alleen nog maar stenen in lagen over elkaar heen.
  51. Cahill steunt hierbij inzonderheid op een door Shiloh in Square B4 loodrecht de structuur in gegraven schacht, waaruit zij zowel de architectonische eenheid van onderconstructie en steenmantel afleidt alsook de terminus post quem (tussen LBT II en IT I) voor hun bouw (Cahill 2003).
  52. Proto-Aeolische (ook proto-Ionisch genoemd) kapitelen zijn in Samaria, Megiddo, Hazor en Ramat Rachel gevonden. Ze verbeelden een gestileerde palm, lijken in nauwe betrekking tot het koningshuis te staan en dateren naar de traditionele chronologie in de 10e-9e eeuw en naar Finkelsteins low chronology in de 9e-8e eeuw (Keel 2007). Interessant is dat Macalister al in 1903 een brokstuk van zo’n kapiteel ook in Gezer heeft gevonden (Macalister 1904).
  53. Faust laat in zijn artikel zien dat ook Mazar David eigenlijk in IT IIa plaatst en merkt op dat men alle ontwikkelingen en veranderingen die IT IIa met zich meebrengt en die gewoonlijk met het ontstaan van het koningschap in Israël wordt verbonden zou verliezen als men David en zijn paleis naar IT I verschuift. Men zou dan wel een monumentaal gebouw hebben, maar verder niets (Faust 2010).
  54. Sikkema, R., 2017, ‘Samen ten strijde tegen evolutionisme’, Nederlands Dagblad 73 (19.568): 7.
  55. Vanmorgen nog niet in de krant verschenen, officiële bronvermelding volgt.
  56. https://www.nature.com/articles/ncomms15766.
  57. https://water.usgs.gov/edu/earthhowmuch.html.
  58. Op grond van een onjuiste overlevering die al uit de nieuwtestamentische tijd stamde lokaliseerde men tot ± 1900 n. Chr. de oorspronkelijke Davidsstad op de zuidwestelijke heuvel van Jeruzalem, die de daarom tot op heden de naam Tsion draagt. Pas langzamerhand erkenden de eerste opgravers aan de hand van archeologische bevindingen dat de oudtestamentische Stad van David op de zuidoostelijke heuvel moest hebben gelegen.
  59. In het volgende gebruikte afkortingen: IT = ijzertijd; LBT = late bronstijd.
  60. Weill identificeerde ze als graven en duidde ze aan met T1 en T2. Deze duiding is echter omstreden. Andere archeologen houden deze kamers voor kelders uit de tijd van de tweede tempel, aangezien ze lijken op door Bliss & Dickie verder zuidelijk gevonden kelders. Ten slotte heeft Jeffrey Zorn zich voor een identificatie met graven van het Davidische huis uitgesproken (Zorn 2012).
  61. Een verklaring voor deze verschillende bouwwijzen zou II Kr. 32:5 kunnen leveren. Toen Hizkia in de 8e eeuw de Millo liet verbeteren wist men wellicht niets meer over de oorspronkelijke bouwwijze met de eraan ten grondslag liggende terrassenconstructie en legde men domweg alleen nog maar stenen in lagen over elkaar heen.
  62. Cahill steunt hierbij inzonderheid op een door Shiloh in Square B4 loodrecht de structuur in gegraven schacht, waaruit zij zowel de architectonische eenheid van onderconstructie en steenmantel afleidt alsook de terminus post quem (tussen LBT II en IT I) voor hun bouw (Cahill 2003).
  63. Proto-Aeolische (ook proto-Ionisch genoemd) kapitelen zijn in Samaria, Megiddo, Hazor en Ramat Rachel gevonden. Ze verbeelden een gestileerde palm, lijken in nauwe betrekking tot het koningshuis te staan en dateren naar de traditionele chronologie in de 10e-9e eeuw en naar Finkelsteins low chronology in de 9e-8e eeuw (Keel 2007). Interessant is dat Macalister al in 1903 een brokstuk van zo’n kapiteel ook in Gezer heeft gevonden (Macalister 1904).
  64. Faust laat in zijn artikel zien dat ook Mazar David eigenlijk in IT IIa plaatst en merkt op dat men alle ontwikkelingen en veranderingen die IT IIa met zich meebrengt en die gewoonlijk met het ontstaan van het koningschap in Israël wordt verbonden zou verliezen als men David en zijn paleis naar IT I verschuift. Men zou dan wel een monumentaal gebouw hebben, maar verder niets (Faust 2010).
  65. Sikkema, R., 2017, ‘Samen ten strijde tegen evolutionisme’, Nederlands Dagblad 73 (19.568): 7.
  66. Vanmorgen nog niet in de krant verschenen, officiële bronvermelding volgt.
  67. E. Ronald Oxburgh und R. Keith O´Nions, Helium Loss, Tectonics, and the Terrestrial Heat Budget, Science 237, 25 september 1987, p. 1583-1588.
  68. Melvin A. Cook, Where is the Earth´s Radiogenic Helium?, Nature 179, 26. januari 1957, p. 213.
  69. Op grond van een onjuiste overlevering die al uit de nieuwtestamentische tijd stamde lokaliseerde men tot ± 1900 n. Chr. de oorspronkelijke Davidsstad op de zuidwestelijke heuvel van Jeruzalem, die de daarom tot op heden de naam Tsion draagt. Pas langzamerhand erkenden de eerste opgravers aan de hand van archeologische bevindingen dat de oudtestamentische Stad van David op de zuidoostelijke heuvel moest hebben gelegen.
  70. In het volgende gebruikte afkortingen: IT = ijzertijd; LBT = late bronstijd.
  71. Weill identificeerde ze als graven en duidde ze aan met T1 en T2. Deze duiding is echter omstreden. Andere archeologen houden deze kamers voor kelders uit de tijd van de tweede tempel, aangezien ze lijken op door Bliss & Dickie verder zuidelijk gevonden kelders. Ten slotte heeft Jeffrey Zorn zich voor een identificatie met graven van het Davidische huis uitgesproken (Zorn 2012).
  72. Een verklaring voor deze verschillende bouwwijzen zou II Kr. 32:5 kunnen leveren. Toen Hizkia in de 8e eeuw de Millo liet verbeteren wist men wellicht niets meer over de oorspronkelijke bouwwijze met de eraan ten grondslag liggende terrassenconstructie en legde men domweg alleen nog maar stenen in lagen over elkaar heen.
  73. Cahill steunt hierbij inzonderheid op een door Shiloh in Square B4 loodrecht de structuur in gegraven schacht, waaruit zij zowel de architectonische eenheid van onderconstructie en steenmantel afleidt alsook de terminus post quem (tussen LBT II en IT I) voor hun bouw (Cahill 2003).
  74. Proto-Aeolische (ook proto-Ionisch genoemd) kapitelen zijn in Samaria, Megiddo, Hazor en Ramat Rachel gevonden. Ze verbeelden een gestileerde palm, lijken in nauwe betrekking tot het koningshuis te staan en dateren naar de traditionele chronologie in de 10e-9e eeuw en naar Finkelsteins low chronology in de 9e-8e eeuw (Keel 2007). Interessant is dat Macalister al in 1903 een brokstuk van zo’n kapiteel ook in Gezer heeft gevonden (Macalister 1904).
  75. Faust laat in zijn artikel zien dat ook Mazar David eigenlijk in IT IIa plaatst en merkt op dat men alle ontwikkelingen en veranderingen die IT IIa met zich meebrengt en die gewoonlijk met het ontstaan van het koningschap in Israël wordt verbonden zou verliezen als men David en zijn paleis naar IT I verschuift. Men zou dan wel een monumentaal gebouw hebben, maar verder niets (Faust 2010).
  76. Sikkema, R., 2017, ‘Samen ten strijde tegen evolutionisme’, Nederlands Dagblad 73 (19.568): 7.
  77. Vanmorgen nog niet in de krant verschenen, officiële bronvermelding volgt.
  78. E. Ronald Oxburgh und R. Keith O´Nions, Helium Loss, Tectonics, and the Terrestrial Heat Budget, Science 237, 25 september 1987, p. 1583-1588.
  79. Melvin A. Cook, Where is the Earth´s Radiogenic Helium?, Nature 179, 26. januari 1957, p. 213.
  80. Op grond van een onjuiste overlevering die al uit de nieuwtestamentische tijd stamde lokaliseerde men tot ± 1900 n. Chr. de oorspronkelijke Davidsstad op de zuidwestelijke heuvel van Jeruzalem, die de daarom tot op heden de naam Tsion draagt. Pas langzamerhand erkenden de eerste opgravers aan de hand van archeologische bevindingen dat de oudtestamentische Stad van David op de zuidoostelijke heuvel moest hebben gelegen.
  81. In het volgende gebruikte afkortingen: IT = ijzertijd; LBT = late bronstijd.
  82. Weill identificeerde ze als graven en duidde ze aan met T1 en T2. Deze duiding is echter omstreden. Andere archeologen houden deze kamers voor kelders uit de tijd van de tweede tempel, aangezien ze lijken op door Bliss & Dickie verder zuidelijk gevonden kelders. Ten slotte heeft Jeffrey Zorn zich voor een identificatie met graven van het Davidische huis uitgesproken (Zorn 2012).
  83. Een verklaring voor deze verschillende bouwwijzen zou II Kr. 32:5 kunnen leveren. Toen Hizkia in de 8e eeuw de Millo liet verbeteren wist men wellicht niets meer over de oorspronkelijke bouwwijze met de eraan ten grondslag liggende terrassenconstructie en legde men domweg alleen nog maar stenen in lagen over elkaar heen.
  84. Cahill steunt hierbij inzonderheid op een door Shiloh in Square B4 loodrecht de structuur in gegraven schacht, waaruit zij zowel de architectonische eenheid van onderconstructie en steenmantel afleidt alsook de terminus post quem (tussen LBT II en IT I) voor hun bouw (Cahill 2003).
  85. Proto-Aeolische (ook proto-Ionisch genoemd) kapitelen zijn in Samaria, Megiddo, Hazor en Ramat Rachel gevonden. Ze verbeelden een gestileerde palm, lijken in nauwe betrekking tot het koningshuis te staan en dateren naar de traditionele chronologie in de 10e-9e eeuw en naar Finkelsteins low chronology in de 9e-8e eeuw (Keel 2007). Interessant is dat Macalister al in 1903 een brokstuk van zo’n kapiteel ook in Gezer heeft gevonden (Macalister 1904).
  86. Faust laat in zijn artikel zien dat ook Mazar David eigenlijk in IT IIa plaatst en merkt op dat men alle ontwikkelingen en veranderingen die IT IIa met zich meebrengt en die gewoonlijk met het ontstaan van het koningschap in Israël wordt verbonden zou verliezen als men David en zijn paleis naar IT I verschuift. Men zou dan wel een monumentaal gebouw hebben, maar verder niets (Faust 2010).
  87. Sikkema, R., 2017, ‘Samen ten strijde tegen evolutionisme’, Nederlands Dagblad 73 (19.568): 7.
  88. Vanmorgen nog niet in de krant verschenen, officiële bronvermelding volgt.
  89. E. Ronald Oxburgh und R. Keith O´Nions, Helium Loss, Tectonics, and the Terrestrial Heat Budget, Science 237, 25 september 1987, p. 1583-1588.
  90. Melvin A. Cook, Where is the Earth´s Radiogenic Helium?, Nature 179, 26. januari 1957, p. 213.
  91. Op grond van een onjuiste overlevering die al uit de nieuwtestamentische tijd stamde lokaliseerde men tot ± 1900 n. Chr. de oorspronkelijke Davidsstad op de zuidwestelijke heuvel van Jeruzalem, die de daarom tot op heden de naam Tsion draagt. Pas langzamerhand erkenden de eerste opgravers aan de hand van archeologische bevindingen dat de oudtestamentische Stad van David op de zuidoostelijke heuvel moest hebben gelegen.
  92. In het volgende gebruikte afkortingen: IT = ijzertijd; LBT = late bronstijd.
  93. Weill identificeerde ze als graven en duidde ze aan met T1 en T2. Deze duiding is echter omstreden. Andere archeologen houden deze kamers voor kelders uit de tijd van de tweede tempel, aangezien ze lijken op door Bliss & Dickie verder zuidelijk gevonden kelders. Ten slotte heeft Jeffrey Zorn zich voor een identificatie met graven van het Davidische huis uitgesproken (Zorn 2012).
  94. Een verklaring voor deze verschillende bouwwijzen zou II Kr. 32:5 kunnen leveren. Toen Hizkia in de 8e eeuw de Millo liet verbeteren wist men wellicht niets meer over de oorspronkelijke bouwwijze met de eraan ten grondslag liggende terrassenconstructie en legde men domweg alleen nog maar stenen in lagen over elkaar heen.
  95. Cahill steunt hierbij inzonderheid op een door Shiloh in Square B4 loodrecht de structuur in gegraven schacht, waaruit zij zowel de architectonische eenheid van onderconstructie en steenmantel afleidt alsook de terminus post quem (tussen LBT II en IT I) voor hun bouw (Cahill 2003).
  96. Proto-Aeolische (ook proto-Ionisch genoemd) kapitelen zijn in Samaria, Megiddo, Hazor en Ramat Rachel gevonden. Ze verbeelden een gestileerde palm, lijken in nauwe betrekking tot het koningshuis te staan en dateren naar de traditionele chronologie in de 10e-9e eeuw en naar Finkelsteins low chronology in de 9e-8e eeuw (Keel 2007). Interessant is dat Macalister al in 1903 een brokstuk van zo’n kapiteel ook in Gezer heeft gevonden (Macalister 1904).
  97. Faust laat in zijn artikel zien dat ook Mazar David eigenlijk in IT IIa plaatst en merkt op dat men alle ontwikkelingen en veranderingen die IT IIa met zich meebrengt en die gewoonlijk met het ontstaan van het koningschap in Israël wordt verbonden zou verliezen als men David en zijn paleis naar IT I verschuift. Men zou dan wel een monumentaal gebouw hebben, maar verder niets (Faust 2010).
  98. Sikkema, R., 2017, ‘Samen ten strijde tegen evolutionisme’, Nederlands Dagblad 73 (19.568): 7.
  99. Vanmorgen nog niet in de krant verschenen, officiële bronvermelding volgt.
  100. E. Ronald Oxburgh und R. Keith O´Nions, Helium Loss, Tectonics, and the Terrestrial Heat Budget, Science 237, 25 september 1987, p. 1583-1588.
  101. Melvin A. Cook, Where is the Earth´s Radiogenic Helium?, Nature 179, 26. januari 1957, p. 213.
  102. Op grond van een onjuiste overlevering die al uit de nieuwtestamentische tijd stamde lokaliseerde men tot ± 1900 n. Chr. de oorspronkelijke Davidsstad op de zuidwestelijke heuvel van Jeruzalem, die de daarom tot op heden de naam Tsion draagt. Pas langzamerhand erkenden de eerste opgravers aan de hand van archeologische bevindingen dat de oudtestamentische Stad van David op de zuidoostelijke heuvel moest hebben gelegen.
  103. In het volgende gebruikte afkortingen: IT = ijzertijd; LBT = late bronstijd.
  104. Weill identificeerde ze als graven en duidde ze aan met T1 en T2. Deze duiding is echter omstreden. Andere archeologen houden deze kamers voor kelders uit de tijd van de tweede tempel, aangezien ze lijken op door Bliss & Dickie verder zuidelijk gevonden kelders. Ten slotte heeft Jeffrey Zorn zich voor een identificatie met graven van het Davidische huis uitgesproken (Zorn 2012).
  105. Een verklaring voor deze verschillende bouwwijzen zou II Kr. 32:5 kunnen leveren. Toen Hizkia in de 8e eeuw de Millo liet verbeteren wist men wellicht niets meer over de oorspronkelijke bouwwijze met de eraan ten grondslag liggende terrassenconstructie en legde men domweg alleen nog maar stenen in lagen over elkaar heen.
  106. Cahill steunt hierbij inzonderheid op een door Shiloh in Square B4 loodrecht de structuur in gegraven schacht, waaruit zij zowel de architectonische eenheid van onderconstructie en steenmantel afleidt alsook de terminus post quem (tussen LBT II en IT I) voor hun bouw (Cahill 2003).
  107. Proto-Aeolische (ook proto-Ionisch genoemd) kapitelen zijn in Samaria, Megiddo, Hazor en Ramat Rachel gevonden. Ze verbeelden een gestileerde palm, lijken in nauwe betrekking tot het koningshuis te staan en dateren naar de traditionele chronologie in de 10e-9e eeuw en naar Finkelsteins low chronology in de 9e-8e eeuw (Keel 2007). Interessant is dat Macalister al in 1903 een brokstuk van zo’n kapiteel ook in Gezer heeft gevonden (Macalister 1904).
  108. Faust laat in zijn artikel zien dat ook Mazar David eigenlijk in IT IIa plaatst en merkt op dat men alle ontwikkelingen en veranderingen die IT IIa met zich meebrengt en die gewoonlijk met het ontstaan van het koningschap in Israël wordt verbonden zou verliezen als men David en zijn paleis naar IT I verschuift. Men zou dan wel een monumentaal gebouw hebben, maar verder niets (Faust 2010).
  109. Sikkema, R., 2017, ‘Samen ten strijde tegen evolutionisme’, Nederlands Dagblad 73 (19.568): 7.
  110. Vanmorgen nog niet in de krant verschenen, officiële bronvermelding volgt.
  111. E. Ronald Oxburgh und R. Keith O´Nions, Helium Loss, Tectonics, and the Terrestrial Heat Budget, Science 237, 25 september 1987, p. 1583-1588.
  112. Melvin A. Cook, Where is the Earth´s Radiogenic Helium?, Nature 179, 26. januari 1957, p. 213.
  113. Op grond van een onjuiste overlevering die al uit de nieuwtestamentische tijd stamde lokaliseerde men tot ± 1900 n. Chr. de oorspronkelijke Davidsstad op de zuidwestelijke heuvel van Jeruzalem, die de daarom tot op heden de naam Tsion draagt. Pas langzamerhand erkenden de eerste opgravers aan de hand van archeologische bevindingen dat de oudtestamentische Stad van David op de zuidoostelijke heuvel moest hebben gelegen.
  114. In het volgende gebruikte afkortingen: IT = ijzertijd; LBT = late bronstijd.
  115. Weill identificeerde ze als graven en duidde ze aan met T1 en T2. Deze duiding is echter omstreden. Andere archeologen houden deze kamers voor kelders uit de tijd van de tweede tempel, aangezien ze lijken op door Bliss & Dickie verder zuidelijk gevonden kelders. Ten slotte heeft Jeffrey Zorn zich voor een identificatie met graven van het Davidische huis uitgesproken (Zorn 2012).
  116. Een verklaring voor deze verschillende bouwwijzen zou II Kr. 32:5 kunnen leveren. Toen Hizkia in de 8e eeuw de Millo liet verbeteren wist men wellicht niets meer over de oorspronkelijke bouwwijze met de eraan ten grondslag liggende terrassenconstructie en legde men domweg alleen nog maar stenen in lagen over elkaar heen.
  117. Cahill steunt hierbij inzonderheid op een door Shiloh in Square B4 loodrecht de structuur in gegraven schacht, waaruit zij zowel de architectonische eenheid van onderconstructie en steenmantel afleidt alsook de terminus post quem (tussen LBT II en IT I) voor hun bouw (Cahill 2003).
  118. Proto-Aeolische (ook proto-Ionisch genoemd) kapitelen zijn in Samaria, Megiddo, Hazor en Ramat Rachel gevonden. Ze verbeelden een gestileerde palm, lijken in nauwe betrekking tot het koningshuis te staan en dateren naar de traditionele chronologie in de 10e-9e eeuw en naar Finkelsteins low chronology in de 9e-8e eeuw (Keel 2007). Interessant is dat Macalister al in 1903 een brokstuk van zo’n kapiteel ook in Gezer heeft gevonden (Macalister 1904).
  119. Faust laat in zijn artikel zien dat ook Mazar David eigenlijk in IT IIa plaatst en merkt op dat men alle ontwikkelingen en veranderingen die IT IIa met zich meebrengt en die gewoonlijk met het ontstaan van het koningschap in Israël wordt verbonden zou verliezen als men David en zijn paleis naar IT I verschuift. Men zou dan wel een monumentaal gebouw hebben, maar verder niets (Faust 2010).
  120. Sikkema, R., 2017, ‘Samen ten strijde tegen evolutionisme’, Nederlands Dagblad 73 (19.568): 7.
  121. Vanmorgen nog niet in de krant verschenen, officiële bronvermelding volgt.
  122. E. Ronald Oxburgh und R. Keith O´Nions, Helium Loss, Tectonics, and the Terrestrial Heat Budget, Science 237, 25 september 1987, p. 1583-1588.
  123. Melvin A. Cook, Where is the Earth´s Radiogenic Helium?, Nature 179, 26. januari 1957, p. 213.
  124. Op grond van een onjuiste overlevering die al uit de nieuwtestamentische tijd stamde lokaliseerde men tot ± 1900 n. Chr. de oorspronkelijke Davidsstad op de zuidwestelijke heuvel van Jeruzalem, die de daarom tot op heden de naam Tsion draagt. Pas langzamerhand erkenden de eerste opgravers aan de hand van archeologische bevindingen dat de oudtestamentische Stad van David op de zuidoostelijke heuvel moest hebben gelegen.
  125. In het volgende gebruikte afkortingen: IT = ijzertijd; LBT = late bronstijd.
  126. Weill identificeerde ze als graven en duidde ze aan met T1 en T2. Deze duiding is echter omstreden. Andere archeologen houden deze kamers voor kelders uit de tijd van de tweede tempel, aangezien ze lijken op door Bliss & Dickie verder zuidelijk gevonden kelders. Ten slotte heeft Jeffrey Zorn zich voor een identificatie met graven van het Davidische huis uitgesproken (Zorn 2012).
  127. Een verklaring voor deze verschillende bouwwijzen zou II Kr. 32:5 kunnen leveren. Toen Hizkia in de 8e eeuw de Millo liet verbeteren wist men wellicht niets meer over de oorspronkelijke bouwwijze met de eraan ten grondslag liggende terrassenconstructie en legde men domweg alleen nog maar stenen in lagen over elkaar heen.
  128. Cahill steunt hierbij inzonderheid op een door Shiloh in Square B4 loodrecht de structuur in gegraven schacht, waaruit zij zowel de architectonische eenheid van onderconstructie en steenmantel afleidt alsook de terminus post quem (tussen LBT II en IT I) voor hun bouw (Cahill 2003).
  129. Proto-Aeolische (ook proto-Ionisch genoemd) kapitelen zijn in Samaria, Megiddo, Hazor en Ramat Rachel gevonden. Ze verbeelden een gestileerde palm, lijken in nauwe betrekking tot het koningshuis te staan en dateren naar de traditionele chronologie in de 10e-9e eeuw en naar Finkelsteins low chronology in de 9e-8e eeuw (Keel 2007). Interessant is dat Macalister al in 1903 een brokstuk van zo’n kapiteel ook in Gezer heeft gevonden (Macalister 1904).
  130. Faust laat in zijn artikel zien dat ook Mazar David eigenlijk in IT IIa plaatst en merkt op dat men alle ontwikkelingen en veranderingen die IT IIa met zich meebrengt en die gewoonlijk met het ontstaan van het koningschap in Israël wordt verbonden zou verliezen als men David en zijn paleis naar IT I verschuift. Men zou dan wel een monumentaal gebouw hebben, maar verder niets (Faust 2010).
  131. Sikkema, R., 2017, ‘Samen ten strijde tegen evolutionisme’, Nederlands Dagblad 73 (19.568): 7.
  132. Vanmorgen nog niet in de krant verschenen, officiële bronvermelding volgt.
  133. Robert V. Gentry, Creation´s Tiny Mystery, Earth Science Associates, Mei 1992, blz. 214.
  134. Larry Vardiman, Andrew A. Snelling, Eugene F. Chaffin, Radioisotopes and the age of the Earth, Vol. 2, Institute for Creation Research, El Cajon, CA, 2005, blz. 101-207.
  135. Don DeYoung, Thousands . not Billions, Challenging an Icon of Evolution, Master Books, 2005.
  136. In het volgende gebruikte afkortingen: IT = ijzertijd; LBT = late bronstijd.
  137. Weill identificeerde ze als graven en duidde ze aan met T1 en T2. Deze duiding is echter omstreden. Andere archeologen houden deze kamers voor kelders uit de tijd van de tweede tempel, aangezien ze lijken op door Bliss & Dickie verder zuidelijk gevonden kelders. Ten slotte heeft Jeffrey Zorn zich voor een identificatie met graven van het Davidische huis uitgesproken (Zorn 2012).
  138. Een verklaring voor deze verschillende bouwwijzen zou II Kr. 32:5 kunnen leveren. Toen Hizkia in de 8e eeuw de Millo liet verbeteren wist men wellicht niets meer over de oorspronkelijke bouwwijze met de eraan ten grondslag liggende terrassenconstructie en legde men domweg alleen nog maar stenen in lagen over elkaar heen.
  139. Cahill steunt hierbij inzonderheid op een door Shiloh in Square B4 loodrecht de structuur in gegraven schacht, waaruit zij zowel de architectonische eenheid van onderconstructie en steenmantel afleidt alsook de terminus post quem (tussen LBT II en IT I) voor hun bouw (Cahill 2003).
  140. Proto-Aeolische (ook proto-Ionisch genoemd) kapitelen zijn in Samaria, Megiddo, Hazor en Ramat Rachel gevonden. Ze verbeelden een gestileerde palm, lijken in nauwe betrekking tot het koningshuis te staan en dateren naar de traditionele chronologie in de 10e-9e eeuw en naar Finkelsteins low chronology in de 9e-8e eeuw (Keel 2007). Interessant is dat Macalister al in 1903 een brokstuk van zo’n kapiteel ook in Gezer heeft gevonden (Macalister 1904).
  141. Faust laat in zijn artikel zien dat ook Mazar David eigenlijk in IT IIa plaatst en merkt op dat men alle ontwikkelingen en veranderingen die IT IIa met zich meebrengt en die gewoonlijk met het ontstaan van het koningschap in Israël wordt verbonden zou verliezen als men David en zijn paleis naar IT I verschuift. Men zou dan wel een monumentaal gebouw hebben, maar verder niets (Faust 2010).
  142. Sikkema, R., 2017, ‘Samen ten strijde tegen evolutionisme’, Nederlands Dagblad 73 (19.568): 7.
  143. Vanmorgen nog niet in de krant verschenen, officiële bronvermelding volgt.
  144. Robert V. Gentry, Creation´s Tiny Mystery, Earth Science Associates, Mei 1992, blz. 214.
  145. Larry Vardiman, Andrew A. Snelling, Eugene F. Chaffin, Radioisotopes and the age of the Earth, Vol. 2, Institute for Creation Research, El Cajon, CA, 2005, blz. 101-207.
  146. Don DeYoung, Thousands . not Billions, Challenging an Icon of Evolution, Master Books, 2005.
  147. In het volgende gebruikte afkortingen: IT = ijzertijd; LBT = late bronstijd.
  148. Weill identificeerde ze als graven en duidde ze aan met T1 en T2. Deze duiding is echter omstreden. Andere archeologen houden deze kamers voor kelders uit de tijd van de tweede tempel, aangezien ze lijken op door Bliss & Dickie verder zuidelijk gevonden kelders. Ten slotte heeft Jeffrey Zorn zich voor een identificatie met graven van het Davidische huis uitgesproken (Zorn 2012).
  149. Een verklaring voor deze verschillende bouwwijzen zou II Kr. 32:5 kunnen leveren. Toen Hizkia in de 8e eeuw de Millo liet verbeteren wist men wellicht niets meer over de oorspronkelijke bouwwijze met de eraan ten grondslag liggende terrassenconstructie en legde men domweg alleen nog maar stenen in lagen over elkaar heen.
  150. Cahill steunt hierbij inzonderheid op een door Shiloh in Square B4 loodrecht de structuur in gegraven schacht, waaruit zij zowel de architectonische eenheid van onderconstructie en steenmantel afleidt alsook de terminus post quem (tussen LBT II en IT I) voor hun bouw (Cahill 2003).
  151. Proto-Aeolische (ook proto-Ionisch genoemd) kapitelen zijn in Samaria, Megiddo, Hazor en Ramat Rachel gevonden. Ze verbeelden een gestileerde palm, lijken in nauwe betrekking tot het koningshuis te staan en dateren naar de traditionele chronologie in de 10e-9e eeuw en naar Finkelsteins low chronology in de 9e-8e eeuw (Keel 2007). Interessant is dat Macalister al in 1903 een brokstuk van zo’n kapiteel ook in Gezer heeft gevonden (Macalister 1904).
  152. Faust laat in zijn artikel zien dat ook Mazar David eigenlijk in IT IIa plaatst en merkt op dat men alle ontwikkelingen en veranderingen die IT IIa met zich meebrengt en die gewoonlijk met het ontstaan van het koningschap in Israël wordt verbonden zou verliezen als men David en zijn paleis naar IT I verschuift. Men zou dan wel een monumentaal gebouw hebben, maar verder niets (Faust 2010).
  153. Sikkema, R., 2017, ‘Samen ten strijde tegen evolutionisme’, Nederlands Dagblad 73 (19.568): 7.
  154. Vanmorgen nog niet in de krant verschenen, officiële bronvermelding volgt.
  155. Robert V. Gentry, Creation´s Tiny Mystery, Earth Science Associates, Mei 1992, blz. 214.
  156. Larry Vardiman, Andrew A. Snelling, Eugene F. Chaffin, Radioisotopes and the age of the Earth, Vol. 2, Institute for Creation Research, El Cajon, CA, 2005, blz. 101-207.
  157. Don DeYoung, Thousands . not Billions, Challenging an Icon of Evolution, Master Books, 2005.
  158. In het volgende gebruikte afkortingen: IT = ijzertijd; LBT = late bronstijd.
  159. Weill identificeerde ze als graven en duidde ze aan met T1 en T2. Deze duiding is echter omstreden. Andere archeologen houden deze kamers voor kelders uit de tijd van de tweede tempel, aangezien ze lijken op door Bliss & Dickie verder zuidelijk gevonden kelders. Ten slotte heeft Jeffrey Zorn zich voor een identificatie met graven van het Davidische huis uitgesproken (Zorn 2012).
  160. Een verklaring voor deze verschillende bouwwijzen zou II Kr. 32:5 kunnen leveren. Toen Hizkia in de 8e eeuw de Millo liet verbeteren wist men wellicht niets meer over de oorspronkelijke bouwwijze met de eraan ten grondslag liggende terrassenconstructie en legde men domweg alleen nog maar stenen in lagen over elkaar heen.
  161. Cahill steunt hierbij inzonderheid op een door Shiloh in Square B4 loodrecht de structuur in gegraven schacht, waaruit zij zowel de architectonische eenheid van onderconstructie en steenmantel afleidt alsook de terminus post quem (tussen LBT II en IT I) voor hun bouw (Cahill 2003).
  162. Proto-Aeolische (ook proto-Ionisch genoemd) kapitelen zijn in Samaria, Megiddo, Hazor en Ramat Rachel gevonden. Ze verbeelden een gestileerde palm, lijken in nauwe betrekking tot het koningshuis te staan en dateren naar de traditionele chronologie in de 10e-9e eeuw en naar Finkelsteins low chronology in de 9e-8e eeuw (Keel 2007). Interessant is dat Macalister al in 1903 een brokstuk van zo’n kapiteel ook in Gezer heeft gevonden (Macalister 1904).
  163. Faust laat in zijn artikel zien dat ook Mazar David eigenlijk in IT IIa plaatst en merkt op dat men alle ontwikkelingen en veranderingen die IT IIa met zich meebrengt en die gewoonlijk met het ontstaan van het koningschap in Israël wordt verbonden zou verliezen als men David en zijn paleis naar IT I verschuift. Men zou dan wel een monumentaal gebouw hebben, maar verder niets (Faust 2010).
  164. Sikkema, R., 2017, ‘Samen ten strijde tegen evolutionisme’, Nederlands Dagblad 73 (19.568): 7.
  165. Vanmorgen nog niet in de krant verschenen, officiële bronvermelding volgt.
  166. Robert V. Gentry, Creation´s Tiny Mystery, Earth Science Associates, Mei 1992, blz. 214.
  167. Larry Vardiman, Andrew A. Snelling, Eugene F. Chaffin, Radioisotopes and the age of the Earth, Vol. 2, Institute for Creation Research, El Cajon, CA, 2005, blz. 101-207.
  168. Don DeYoung, Thousands . not Billions, Challenging an Icon of Evolution, Master Books, 2005.
  169. In het volgende gebruikte afkortingen: IT = ijzertijd; LBT = late bronstijd.
  170. Weill identificeerde ze als graven en duidde ze aan met T1 en T2. Deze duiding is echter omstreden. Andere archeologen houden deze kamers voor kelders uit de tijd van de tweede tempel, aangezien ze lijken op door Bliss & Dickie verder zuidelijk gevonden kelders. Ten slotte heeft Jeffrey Zorn zich voor een identificatie met graven van het Davidische huis uitgesproken (Zorn 2012).
  171. Een verklaring voor deze verschillende bouwwijzen zou II Kr. 32:5 kunnen leveren. Toen Hizkia in de 8e eeuw de Millo liet verbeteren wist men wellicht niets meer over de oorspronkelijke bouwwijze met de eraan ten grondslag liggende terrassenconstructie en legde men domweg alleen nog maar stenen in lagen over elkaar heen.
  172. Cahill steunt hierbij inzonderheid op een door Shiloh in Square B4 loodrecht de structuur in gegraven schacht, waaruit zij zowel de architectonische eenheid van onderconstructie en steenmantel afleidt alsook de terminus post quem (tussen LBT II en IT I) voor hun bouw (Cahill 2003).
  173. Proto-Aeolische (ook proto-Ionisch genoemd) kapitelen zijn in Samaria, Megiddo, Hazor en Ramat Rachel gevonden. Ze verbeelden een gestileerde palm, lijken in nauwe betrekking tot het koningshuis te staan en dateren naar de traditionele chronologie in de 10e-9e eeuw en naar Finkelsteins low chronology in de 9e-8e eeuw (Keel 2007). Interessant is dat Macalister al in 1903 een brokstuk van zo’n kapiteel ook in Gezer heeft gevonden (Macalister 1904).
  174. Faust laat in zijn artikel zien dat ook Mazar David eigenlijk in IT IIa plaatst en merkt op dat men alle ontwikkelingen en veranderingen die IT IIa met zich meebrengt en die gewoonlijk met het ontstaan van het koningschap in Israël wordt verbonden zou verliezen als men David en zijn paleis naar IT I verschuift. Men zou dan wel een monumentaal gebouw hebben, maar verder niets (Faust 2010).
  175. Sikkema, R., 2017, ‘Samen ten strijde tegen evolutionisme’, Nederlands Dagblad 73 (19.568): 7.
  176. Vanmorgen nog niet in de krant verschenen, officiële bronvermelding volgt.
  177. Robert V. Gentry, Creation´s Tiny Mystery, Earth Science Associates, Mei 1992, blz. 214.
  178. Larry Vardiman, Andrew A. Snelling, Eugene F. Chaffin, Radioisotopes and the age of the Earth, Vol. 2, Institute for Creation Research, El Cajon, CA, 2005, blz. 101-207.
  179. Don DeYoung, Thousands . not Billions, Challenging an Icon of Evolution, Master Books, 2005.
  180. In het volgende gebruikte afkortingen: IT = ijzertijd; LBT = late bronstijd.
  181. Weill identificeerde ze als graven en duidde ze aan met T1 en T2. Deze duiding is echter omstreden. Andere archeologen houden deze kamers voor kelders uit de tijd van de tweede tempel, aangezien ze lijken op door Bliss & Dickie verder zuidelijk gevonden kelders. Ten slotte heeft Jeffrey Zorn zich voor een identificatie met graven van het Davidische huis uitgesproken (Zorn 2012).
  182. Een verklaring voor deze verschillende bouwwijzen zou II Kr. 32:5 kunnen leveren. Toen Hizkia in de 8e eeuw de Millo liet verbeteren wist men wellicht niets meer over de oorspronkelijke bouwwijze met de eraan ten grondslag liggende terrassenconstructie en legde men domweg alleen nog maar stenen in lagen over elkaar heen.
  183. Cahill steunt hierbij inzonderheid op een door Shiloh in Square B4 loodrecht de structuur in gegraven schacht, waaruit zij zowel de architectonische eenheid van onderconstructie en steenmantel afleidt alsook de terminus post quem (tussen LBT II en IT I) voor hun bouw (Cahill 2003).
  184. Proto-Aeolische (ook proto-Ionisch genoemd) kapitelen zijn in Samaria, Megiddo, Hazor en Ramat Rachel gevonden. Ze verbeelden een gestileerde palm, lijken in nauwe betrekking tot het koningshuis te staan en dateren naar de traditionele chronologie in de 10e-9e eeuw en naar Finkelsteins low chronology in de 9e-8e eeuw (Keel 2007). Interessant is dat Macalister al in 1903 een brokstuk van zo’n kapiteel ook in Gezer heeft gevonden (Macalister 1904).
  185. Faust laat in zijn artikel zien dat ook Mazar David eigenlijk in IT IIa plaatst en merkt op dat men alle ontwikkelingen en veranderingen die IT IIa met zich meebrengt en die gewoonlijk met het ontstaan van het koningschap in Israël wordt verbonden zou verliezen als men David en zijn paleis naar IT I verschuift. Men zou dan wel een monumentaal gebouw hebben, maar verder niets (Faust 2010).
  186. Sikkema, R., 2017, ‘Samen ten strijde tegen evolutionisme’, Nederlands Dagblad 73 (19.568): 7.
  187. Vanmorgen nog niet in de krant verschenen, officiële bronvermelding volgt.