De afzonderlijke schepping van de mens, met zijn specifieke geestelijke vermogens, heeft hem in staat gesteld te zondigen en ook van zonde te worden verlost. Daarin onderscheidt de mens zich van dieren. Het probleem dat orthodoxe christenen met de evolutietheorie kunnen hebben, ligt niet aan de wetenschappelijke feiten. Die zijn duidelijk: als bacteriën, planten of dieren in veranderende omstandigheden komen, kunnen nieuwe vormen, rassen of zelfs soorten ontstaan, die aan die veranderingen beter zijn aangepast. Bijvoorbeeld bacteriën die resistentie tegen antibiotica ontwikkelen, of planten die een warmer klimaat beter verdragen. Deze evolutie kan dus de vormenrijkdom in de natuur vergroten.

waterval-bladeren-pixabay

Ook het mechanisme voor deze evolutie is in de vorige eeuw opgehelderd. De vorm en functie van levende organismen is erfelijk vastgelegd in de genen van het DNA, die de genetische codes bevatten voor de bouwstenen van de organismen. In dat DNA kunnen, naar men meent, toevallige veranderingen optreden die dikwijls, maar niet altijd, kunnen worden hersteld. Behalve deze mutaties kunnen zich ook wijzigingen voordoen in de volgorde en aantallen van de genen, die de codes bevatten. Zulke recombinaties voegen in principe geen nieuwe informatie aan het DNA toe, terwijl mutaties veranderingen in de vorming van de bouwstenen tot gevolg hebben. Hierdoor kunnen afwijkingen in de vorm of functie van de cellen van het organisme optreden die soms zelfs fataal voor het overleven kunnen zijn. Mutaties zijn vrijwel altijd verliesmutaties, zelden of nooit is een echte winstmutatie bij bacterie, plant of dier aangetoond. Zo is resistentie op zich natuurlijk gunstig, maar berust, voor zover genetisch onderzocht, op het verlies van de factor waarop het schadelijk agens zou moeten aangrijpen.

Evolutie door mutatie en/of recombinatie werkt dus meestal genetisch verarmend en is daarom bij uitstek ongeschikt voor de ontzaglijke toename van genetische informatie in het DNA, die zou hebben moeten optreden bij een evolutie ‘van amoebe tot mens’. Dit laatste is wat men gewoonlijk onder de evolutie in de levende natuur verstaat, maar dit zou als macro-evolutie moeten worden onderscheiden van de boven besproken, wetenschappelijk vastgestelde micro-evolutie op soortniveau. Darwin heeft, bij zijn geniale voorstelling van de evolutietheorie halverwege de negentiende eeuw, weliswaar op macro-evolutie gedoeld, maar miste de genetische en biochemische kennis, die pas in de vorige eeuw is ontwikkeld.

fossiel_ammoniet-pixabay

Wel vond hij het al zeer problematisch, dat bij fossiele resten van vroegere organismen geen sporen van zo’n evolutie waren gevonden. Bij een geleidelijk voortschrijdende evolutie van lagere naar hogere levensvormen zouden overgangsvormen immers heel overvloedig moeten optreden, maar dat was toen, en is ook thans nog, niet het geval. Fossielen, die als overgangsvorm kunnen worden geïnterpreteerd, zijn uiterst schaars. Gewoonlijk is een levensvorm in opeenvolgende aardlagen zeer constant tot hij opeens, in tal van opzichten veranderd, afgewisseld wordt door een nieuwe vorm in de hogere aardlagen. Het probleem dat christenen met evolutie kunnen hebben, is dat zij, in plaats van aan de wetenschappelijk bewezen micro-evolutie, denken aan de macro-evolutie, die niet alleen onbewezen is, maar waarvoor ook geen mechanisme bekend is.

Naar zijn aard

We weten in de landbouwveredeling dat bijvoorbeeld tarwe en honden in tal van verschillende rassen zijn te kweken, maar het blijven altijd tarwe en honden, het worden nooit gerst of katten.

Blijkbaar vertonen levensvormen grenzen waarbinnen ze micro-evolutie vertonen, maar waar ze niet buiten kunnen treden (behoudens moderne methoden van genetische manipulatie die in de vrije natuur niet voorkomen). Al in de vorige eeuw werd daarvoor het begrip ‘baramin’ ontwikkeld (‘bara’ = scheppen en ‘min’ = aard, soort). Dit vanuit de gedachte dat God volgens Genesis de oersoorten schiep ‘naar hun aard’, waaruit dan door micro-evolutie de verdere soortenrijkdom op aarde kon ontstaan. Deze idee is nog steeds in lijn met de wetenschappelijke feiten. Het blijft ook nog denkbaar dat God de microevolutie beïnvloedt om de vorming van nieuwe soorten te bewerkstelligen, maar dat onttrekt zich uiteraard aan wetenschappelijke toetsing. Dat al die soorten DNA bevatten, waarvan de samenstelling bij verschillende soorten grote overeenkomst kan vertonen, wekt geen verwondering. Ook de moderne ontwerper gebruikt dezelfde elementen om geheel uiteenlopende creaties vorm te geven.

zonsondergang_echtpaar-pixabay

Naar Gods beeld

De mens is niet geschapen ‘naar zijn aard’, maar ‘naar Gods beeld’ en fossiele resten van primaten zijn dan ook òf typisch aapachtig of duidelijk menselijk. Zijn afzonderlijke schepping met zijn specifieke geestelijke vermogens heeft de mens in staat gesteld te zondigen en ook van zonde te worden verlost. Ieder, die een huisdier heeft, kent diens aanhankelijkheid en, tot op zekere hoogte, het onderling begrip. Maar er is geen gesprek mee mogelijk, zelfs niet met een papegaai. Dieren communiceren met geluiden, gebaren en mimiek, maar het in spraak formuleren van gedachten en gevoelens is voorbehouden aan de mens. Dieren kunnen ook in meerdere of mindere mate tellen, maar dat niet doorzetten tot in het oneindige, ze hebben geen besef van oneindigheid of eeuwigheid. En al vlooit en knuffelt een apin nog zo met haar jong, het blijkt dat zelfs een chimpansee zich niet in een ander kan verplaatsen: liefde is een typisch menselijk vermogen. Het zijn juist deze drie communicatieve eigenschappen van de mens, die de omgang mogelijk maken, onderling en met God.

Dit artikel verscheen in het Nederlands Dagblad van 1 november 2006.

In Memoriam

Met grote verslagenheid geven wij u kennis van het plotselinge overlijden van prof. dr. Bruinsma in de nacht van Oud en Nieuw. Vele jaren heeft hij met zijn grote kennis van de Bijbel en de natuur ons van adviezen voorzien. Johan Bruinsma (1927-2017) studeerde van 1945-’52 biologie aan de universiteit van Amsterdam en promoveerde daar in 1958 op de stofwisseling van vetplanten. In 1958 kwam hij bij het Centrum voor Plantenfysiologisch Onderzoek in Wageningen, waarna hij van 1968-’89 hoogleraar plantenfysiologie was aan de universiteit aldaar. Sinds zijn wedergeboorte in de jaren ‘80 van de vorige eeuw was hij lid van de Vrije Evangelische Gemeente te Bennekom. Johan Bruinsma was getrouwd, had drie getrouwde kinderen en acht kleinkinderen. Ter herinnering aan hem plaatsen we vandaag een artikel van zijn hand, volgende week woensdag willen wij een langer artikel van zijn hand plaatsen.

LEUK ARTIKEL?
Bent u blij met dit artikel? Het onderhoud en de ontwikkeling van deze website vragen financiële offers. Zou u ons willen steunen met een maandelijkse bijdrage? Dat kan door ons donatieformulier in te vullen of een bijdrage over te schrijven naar NL53 INGB000 7655373 t.n.v. Logos Instituut. Logos Instituut is een ANBI-stichting en dat wil zeggen dat uw gift fiscaal aftrekbaar is.

Written by

Johan Bruinsma (1927-2017) studeerde van 1945-’52 biologie aan de universiteit van Amsterdam en promoveerde daar in 1958 op de stofwisseling van vetplanten. In 1958 kwam hij bij het Centrum voor Plantenfysiologisch Onderzoek in Wageningen, waarna hij van 1968-’89 hoogleraar plantenfysiologie was aan de universiteit aldaar. Sinds zijn wedergeboorte in de jaren ‘80 van de vorige eeuw was hij lid van de Vrije Evangelische Gemeente te Bennekom. Johan Bruinsma was getrouwd, had drie getrouwde kinderen en acht kleinkinderen.

5 Comments

peter b

“Fossiele homininen geven een geleidelijke overgang te zien, zonder enige scherpe grens.”

Volledig uit de lucht gegrepen, Peter. Het plaatje wordt juist steeds onbegrijpelijker, naarmate er meer homininen en hominiden worden opgegraven. Alle Homo (sp) vallen binnen een groep, de rest erbuiten, precies zoals je mag verwachten vanuit de baranoomhypothese. Je hebt dus Homo baranoom derivaten en Australopithecus baranoom derivaten. Verder is er niets.

Peter

Peter B. “Alle Homo (sp) vallen binnen een groep, de rest erbuiten, precies zoals je mag verwachten vanuit de baranoomhypothese.” Volgens Todd Wood valt Australopithecus sediba binnen het Homo holobaramin, en dat is een analyse, geen vooropgezette positie. Bovendien blijkt uit de analyse van Wood dat Homo niet homogeen is. Begin maar bij http://www.coresci.org/jcts/index.php/jctsb/article/view/44, of lees [het in] de wetenschappelijke literatuur.

peter b

Peter, Homo is zeker niet homogeen, maar wel genetisch afgebakend (een enorm informatieverschil met andere genera). Sediba valt soms binnen, soms buiten Homo. Het is maar net waarnaar je kijkt. Ik vind morphometrische indelingen niet interessant, overigens, want minieme genetische duplicaties van reeds bestaande informatie, soms zelfs maar drie DNA letters, kunnen zeer grote morphometrische verschillen initieren (lees mijn boek daarover).

Ik schreef ook reeds dat we Homo erectus bij H. sapiens dienen in te delen op basis van hun geestelijk capaciteiten en verworvenheden (vuur, stenen werktuigen, zeilen, speren). Dit is wat Wood nu ook voorstaat. Het is inderdaad een beter indelingscriterium dan morphometrie.

“If we view human as only Homo sapiens, then these cultural indicators really do challenge our understanding of human uniqueness. If, however, we broaden our understanding of what is “human” to include other members of genus Homo, the problem of human “uniqueness” is largely alleviated.”

E. van der Klift

Wat onze, uw en mijn, Schepper heeft geschapen blijft altijd “Dé Soort”. Variatie ín de soort is duidelijk, kijk naar de mensheid met al de varianten, maar het blijven ménsen. Maar een ‘andere soort’ zal het nooit worden! De verboden, gemanipuleerde, ‘kruisingen’ leveren dan ook niets op. Niet in de fauna noch in de flora. Uiteindelijk zal Hij dan ook zegevieren in de wáárheid! En de ‘evolutie theorie’, en méér ook niet, zal zelf haar of zijn ongelijk bewijzen én moeten erkennen.

Reply

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

 tekens over