Ik werd er door een vriend op gewezen dat het grote probleem van theïstisch evolutionisten is, dat ze het methodologisch naturalisme aanhangen. Een kleine zoektocht in de literatuur hierover bracht me naar een publicatie van Robert Larmer, hoogleraar filosofie aan de Universiteit van New Brunswick in Canada. Hij schijft onder andere over de filosofie van religie. Zo heeft hij meerdere publicaties geschreven over theïstisch evolutionisme, hoe dat een deïstisch uitgangspunt is, maar ook over het methodologisch naturalisme. Het methodologisch naturalisme (MN) houdt in dat men bij het beoefenen van natuurwetenschap alleen rekening mag houden met natuurlijke factoren en niet met bovennatuurlijke verschijnselen. Zo kan per definitie niet de uitkomst van onderzoek zijn, dat er wellicht sprake was van een wonder, waar of wanneer dan ook. Dit leidt er toe dat mensen die MN aanhangen nooit mogen veronderstellen dat God deze aarde, het leven, de mens op een bovennatuurlijke wijze tot stand bracht. Dr. Larmer toont in het artikel, The Many Inadequate Justifications of Methodological Naturalism, Organon F 2019, aan dat gebruik van methodologisch naturalisme voor een christen niet te rechtvaardigen is.

Een weergave van Larmers artikel

Methodologisch naturalisme (voortaan MN) is naar voren gebracht in 1983 door de filosoof Paul de Vries, hoogleraar aan Wheaton college. De Vries kon zich niet vinden in het ontologisch naturalisme dat leert dat er geen God is en ook niet in het creationisme, dat aan de openbaring van God gezag toedichtte als het over deze fysieke werkelijkheid gaat. Een theïstische werkhouding leidde tot creationisme, daarom stelt De Vries voor om een a-theïstische werkwijze te hanteren ook al is men christen. De Vries huldigde het standpunt dat een natuurwetenschapper, ongeacht zijn metafysische geloofsovertuigingen, voor verschijnselen in deze natuurlijke wereld altijd uit moet gaan van natuurlijke oorzaken. Hij en velen met hem stellen steeds dat er verschil is tussen dit MN en het ontologisch naturalisme in die zin dat MN niets zegt over God, en dus wel samen gaat met geloof in het bestaan van God. MN zou neutraal zijn in metafysisch opzicht. Dat is echter een illusie.

Er is een groot bezwaar in te brengen tegen het gebruik van MN. Hoe men denkt over de aard van de werkelijkheid is namelijk niet los van de methodes die worden gebruikt om deze te bestuderen. Larmer gebruikt een voorbeeld waarbij men waarneemt, dat de mentale gesteldheid de lichaamstaal beïnvloedt. Als vervolgens een onderzoeksmethode wordt gehanteerd die het bestaan van deze invloed ontkent, kan er niet anders uit het onderzoek komen dan dat het mentale geen invloed heeft op de lichaamstaal. Als dit vervolgens dan ook de conclusie is, is er sprake van een cirkelredenering (begging the question). Zo is MN alleen gerechtvaardigd als het uiterst waarschijnlijk is, dat bovennatuurlijke wezens niet bestaan of dat ze geen invloed kunnen hebben op natuurlijke processen. Daarnaast is er geen duidelijke demarcatie tussen wetenschap en pseudowetenschap. Zogeheten demarcatiecriteria worden veelal gebruikt om opponenten de mantel uit te vegen en terechte vragen van die ander niet te behoeven beantwoorden. Zo worden met gebruik van MN als demarcatiepunt argumenten van Intelligent Design theoretici eenvoudig weggewuifd als onwetenschappelijk, zonder dat de argumenten werkelijk tegen het licht worden gehouden.

Daarom dienen aanhangers van het MN een rechtvaardiging te geven voor hun uitgangspunt. Dat is geen sinecure.

Hierna bespreekt Larmer verschillende vermeende rechtvaardigingsgronden.

Rechtvaardiging 1: De beweegredenen van degenen die vragen hebben bij het Methodologisch Naturalisme zijn verdacht

Mensen die vragen hebben bij MN worden makkelijk weggezet als ‘creationisten’ en daarom een serieus gesprek niet meer waard. Er zijn echter vele critici van MN die geen creationist zijn of zelfs geen theïst. Daarnaast is deze rechtvaardiging een ad hominem drogredenering, een persoonlijke aanval, een weigering om rekenschap van zijn positie af te leggen.

Rechtvaardiging 2: Wetenschap sluit in principe elke waarneming van het bovennatuurlijke uit

Veel voorstanders van MN gebruiken dit argument. Volgens hen (bv. Pennock) is het MN een noodzakelijke voorwaarde voor goede wetenschap en een demarcatie lijn. Er zijn twee redenen om dit te verwerpen. Ten eerste is er geen argument waarom deze arbitraire stelling waar zou zijn. Ten tweede slagen demarcationisten er niet in om een demarcatie op te stellen die wetenschap eenduidig onderscheidt van andere disciplines. Dat er daarnaast ook nog onderscheid is tussen bijvoorbeeld natuurwetenschappen (waar sprake is van natuurwetten, experimenten en voorspellingen) en historische wetenschappen (die een eenmalig fenomeen beschrijven en verklaren) verergert dit probleem.

Rechtvaardiging 3: Bovennatuurlijke oorzaken impliceren een chaotische werkelijkheid

Herhaald wordt door aanhangers van MN gesteld dat als bovennatuurlijke oorzaken zouden worden geaccepteerd, God lukraak her en der en overal zou ingrijpen. Alles zou dan mogelijk zijn. Elke hypothese “God deed het” zou waar zijn. Wetenschap zou onmogelijk zin, maar ook fatsoenlijk leven op aarde omdat elke ordening zou instorten. Lieden als Pennock accepteren geen enkel wonder, want dan is er geen belemmering meer voor het bestaan van heel veel wonderen. Volgens Larmer zijn de MN verdedigers in verwarring. Alsof het accepteren van een werkwijze in de wetenschap zou leiden tot een chaotische werkelijkheid an sich.

Tegenwerpingen van Larmer zijn dat de wetenschap juist in het christelijke westen zijn opgang heeft gemaakt. Wetenschap vond zijn voedingsbodem vanwege een wereldbeeld van een geschapen geordende werkelijkheid. Christelijke denkbeelden over voorzienigheid en schepping waren dus niet vijandig aan wetenschap, maar stonden juist aan de basis ervan. Geloof aan het bovennatuurlijke was geen verhindering.

Ten tweede is deze zienswijze wel erg overdreven. Te stellen dat er bovennatuurlijke oorzaken kunnen zijn is niet gelijk aan te stellen dat alles lukraak massaal door bovennatuurlijke oorzaken door elkaar wordt gehusseld. God doet niet zomaar iets lukraak of irrationeels. Dat Hij vrij is in Zijn handelswijze wil niet zeggen, dat Zijn handelen onkenbaar of onbestudeerbaar is.

Ten derde, ook mensen die het bestaan van bovennatuurlijke oorzaken mogelijk achten geven criteria op grond waarvan ze onderscheid maken tussen natuurlijke en bovennatuurlijke verschijnselen. Het geloof in de mogelijkheid van bovennatuurlijke verschijnselen leidt er dus niet toe dat men niet meer kan geloven in het bestaan van een geordende bestudeerbare werkelijkheid.

Rechtvaardiging 4: Het toestaan van de mogelijkheid van een bovennatuurlijke oorzaak is een science-stopper

In de ogen van MN voorstanders zou het wetenschappers lui maken, als eenvoudig een bovennatuurlijke oorzaak voor een fenomeen kan worden gegeven. Daarnaast zijn bovennatuurlijke oorzaken niet te falsifiëren.

Larmer stelt vragen bij deze aanname. Zoals hierboven gezien is het niet waar dat geloof in bovennatuurlijke oorzaken het uitvoeren van wetenschap in het verleden gehinderd heeft. Daarnaast is het zo dat verwijzing naar bovennatuurlijke oorzaken vooral speelt in historische wetenschappen en niet in de nomologische wetenschappen (natuurwetenschappen die herhaalbare verschijnselen bestuderen). Daarnaast kunnen bovennatuurlijke verklaringen wel degelijk worden gefalsifieerd. Het standpunt dat de overweldigende complexiteit en hoeveelheid informatie in levende wezens niet door natuurwetten tot stand kan zijn gebracht, kan in principe prima gefalsifieerd worden. Evolutionisten slagen echter nog niet in hun falsificatiepogingen.

Daarnaast is het zo dat de ontkenning van bovennatuurlijke verklaringen vooraf ertoe leidt, dat als er werkelijk een bovennatuurlijke oorzaak aanwezig was, deze nooit zal worden gezien. Acceptatie van MN betekent dat men wetenschap niet ziet als een zoektocht naar de waarheid over de werkelijkheid maar als een zoektocht naar de best mogelijke natuurlijke verklaring van een bepaald fenomeen. Acceptatie van MN leidt er toe dat een naturalistische verklaring, hoe onwaarschijnlijk ook, wordt verdedigd zolang die ook maar enigszins minder onwaarschijnlijk is dan een andere naturalistische verklaring. Een consistente MN-er is dan ook van oordeel dat de opstanding van Jezus ten diepste een natuurlijke verklaring heeft.

Rechtvaardiging 5: Theologische overwegingen vereisen dat er geen bovennatuurlijke interventie in de natuur is

De achterliggen de gedachte van MN-aanhangers is in dit geval dat de volmaaktheid van God vereist dat Hij het niet nodig heeft om in de natuur in te grijpen. De tweede oorzaken kunnen het werk alleen wel af. Er zijn twee redenen om aan deze gedachte weinig waarde te hechten. Ten eerste is het duidelijk een cirkelredenering en retoriek. Ingrijpen van God wordt dan verwoord als bemoeizucht of geknutsel, zonder dat hiervoor een zinnig argument wordt gegeven. Daarnaast is deze rechtvaardiging een ontkrachting van de stelling dat MN in metafysisch neutraal is. MN is in dit geval een uitwerking van een deïstische wereldbeeld.

Rechtvaardiging 6: Het methodologisch naturalisme is inductief gerechtvaardigd

Deze rechtvaardigingsgrond is minder pretentieus dan voorgaande rechtvaardigingsgronden. Het beweert niet a priori op filosofische gronden dat MN een noodzakelijke conditie is voor goede wetenschapsbeoefening. In tegenstelling hiermee stelt het dat uit de praktijk gebleken is dus a posteriori dat MN de enige juiste of de beste methode van wetenschapsbeoefening is. Dit argument wordt de laatste tijd in toenemende mate gebruikt, terwijl eerdere argumenten minder naar voren worden gebracht. Deze beoogde rechtvaardiging is ook de meest belovende van het stel. Toch is ook deze rechtvaardigingsgrond verre van overtuigend.

Ten eerste functioneert het MN in de praktijk niet als een door inductie verkregen vruchtbaar begeleidend hulpmiddel voor goede wetenschapsbeoefening. Het is veeleer een absoluut verbod om binnen de wetenschap ooit serieus een bovennatuurlijke oorzaak te veronderstellen. Fundamentele verklarende deugden zoals eenvoudigheid, samenhang, scope enzovoort functioneren normaliter als middel om een afweging te maken tussen verschillende verklaringen. Daar is MN als extra criterium niet bij nodig. Ten tweede is de inductieve generalisatie die voor MN zou pleiten veel minder precies dan voorgesteld. Historisch gezien hebben veel verschillende factoren er in meegespeeld dat oorspronkelijke bovennatuurlijke verklaringen (voor design) werden verlaten. Factoren die wetenschappelijk gezien irrelevant waren. Ook is het logisch om hedendaagse beslissingen over verklaringen van design te funderen op hedendaagse kennis en niet op gevolgtrekkingen in het verleden op basis van kennis van toen. Verder is het belangrijk om je er bewust van te zijn dat een beroep op bovennatuurlijke oorzaken vaak niet wordt gedaan met betrekking tot hoe dingen werken maar over hoe dingen oorspronkelijk tot stand zijn gekomen: het ontstaan van het heelal, het ontstaan van leven, het ontstaan van bewustzijn. Dit zijn meer vragen van de natuurhistorische- dan van de natuurwetenschappelijke (nomological science) aard. Het succes van het vinden van een natuurlijke oorzaak voor verschijnselen in nomological science kan niet automatisch als een sterk argument worden gebruikt om MN voor te schrijven in historische wetenschap. Dat struisvogels hard kunnen lopen wil niet zeggen dat ze ook hard kunnen vliegen. In feite is elke inductie met betrekking tot de natuurhistorie in het voordeel van design. De extreem ge-finetunede kosmos die zonder natuurlijke oorzaak tot stand kwam en de gespecificeerde complexiteit en informatie in levende wezens weerstaan weerbarstig elke gezochte natuurlijke verklaring. Het is belangrijk om hier te noemen dat we nu niet de drogredenering ad ignorantium hanteren. Zo van: we weten het niet, dus God heeft het gedaan. Want heelal, leven en bewustzijn vertonen karaktertrekken van ontwerp. In de archeologie wordt ook onderscheid gemaakt tussen voorwerpen die tekenen van ontwerp vertonen en voorwerpen die geen tekenen van ontwerp vertonen. Dat onderscheid kan kennelijk worden gemaakt. Dat wordt binnen de archeologie geaccepteerd omdat het niet bovennatuurlijk is. In het geval van ontwerp in de biologie dient men volgens MN-ers ontwerp opeens als schijn te beschouwen omdat anders het bovennatuurlijke om de hoek komt kijken.

De conclusie van Larmer is dat methodologisch naturalisme niet metafysisch neutraal is, dat acceptatie een rechtvaardigingsgrond nodig heeft, en dat de aangevoerde rechtvaardigingsgronden falen. De auteur pleit ervoor te volgen waar het bewijs ons leidt ook als dit een bovennatuurlijke verklaring is. Elke methode die dit afsluit leidt niet tot toename van wetenschappelijk onderzoek maar stopt het in een dwangbuis.

LEUK ARTIKEL?
Bent u blij met dit artikel? Het onderhoud en de ontwikkeling van deze website vragen financiële offers. Zou u ons willen steunen met een maandelijkse bijdrage? Dat kan door ons donatieformulier in te vullen of een bijdrage over te schrijven naar NL53 INGB000 7655373 t.n.v. Logos Instituut. Logos Instituut is een ANBI-stichting en dat wil zeggen dat uw gift fiscaal aftrekbaar is.

Written by

Ik werd er door een vriend op gewezen dat het grote probleem van theïstisch evolutionisten is, dat ze het methodologisch naturalisme aanhangen. Een kleine zoektocht in de literatuur hierover bracht me naar een publicatie van Robert Larmer, hoogleraar filosofie aan de Universiteit van New Brunswick in Canada. Hij schijft onder andere over de filosofie van religie.

...
Read more