Prof. M. Behe heeft al enige tijd geleden een boek geschreven waarin hij poneert dat sommige processen in de natuur, als ze op detailniveau worden bestudeerd, zo complex zijn dat ze niet door mutatie en selectie tot stand kunnen zijn gekomen. Hij is een van de founding fathers van het concept van Intelligent Design geworden.

Voor notoire evolutionisten is een idee als Intelligent Design onverkwikkelijk en Intelligent Design wordt vanuit die hoek dan ook met klem tegengesproken. Prof. Kenneth Miller, professor in de biologie in Providence in de USA, is een van deze dogmatische evolutionisten en een opponent van Behe. Miller is een van de auteurs waar prof. Van den Brink zijn afwijzend oordeel over Intelligent Design op baseert. Miller voert verschillende argumenten aan waarom naar zijn mening de conclusie van Michael Behe dat er in de biologie en in het bijzonder de biochemie onherleidbare complexe systemen zijn, onjuist is. Behe hanteert als eenvoudig voorbeeld voor onherleidbare complexiteit de muizenval. Bij de muizenval is het nodig dat alle onderdelen tegelijk op de juiste manier verbonden zijn om werkzaam te kunnen zijn. Een halve muizenval werkt niet. Een complexe muizenval kan niet door random mutatie en selectie evolueren uit een niet-complexe muizenval. Kenneth Miller bestrijdt dit. Naar zijn mening zijn er in de natuur geen onherleidbaar complexe systemen, en het voorbeeld van de muizenval is in zijn ogen fout. Gelukkig heeft hij een website waarop hij zijn argumentatie uiteenzet. We kunnen dus allemaal kennisnemen van zijn argumenten en deze rustig onder de loep nemen. De website waar het om gaat, is www.millerandlevine.com/km/evol/DI/Mousetrap.html en heeft als titel: The Mousetrap Analogy or Trapped by Design.

Bij het lezen van de tekst van Miller, kan het opvallen dat hij gebruikmaakt van retoriek. Hij maakt impliciet en expliciet duidelijk dat hij geen hoge dunk heeft van creationisten in het algemeen en M. Behe in het bijzonder. Zo schrijft hij:

“As is true with many of the arguments marshalled against evolution, it’s attractive, compelling, and easily made. And it’s completely wrong.”

En verder in het document:

“As is usual with Behe’s rebuttals, it completely misses the point of the argument.”

Uitspraken zonder grond, maar de grondtoon is gezet. We zullen zien of dit inderdaad het geval is.

Miller doet pogingen om aan te tonen dat het wel degelijk mogelijk is om de muizenval van Behe te vereenvoudigen terwijl het nog kan functioneren als muizenval. Hij stelt namelijk dat als hij de muizenval van Behe heeft kunnen ontzenuwen, hij ook het probleem van de onherleidbare complexiteit heeft ontzenuwd, en het dogma van macro-evolutie door mutatie en selectie heeft gered. Hij schrijft:

“A series of drawings made by John McDonald at the University of Delaware show just how quickly the assertions behind Behe’s mousetrap analogy collapse upon inspection. It it remarkably easy to construct a mousetrap with just 4 parts, 3 parts, or even a mousetrap with just one part. As McDonald himself was careful to note, none of these contraptions are nearly as good as the standard 5-part mousetrap, but that’s exactly the point. Working mousetraps don’t have to have each of the 5 standard parts to be functional. If they have fewer parts, they can still be made to work.”

En verder in zijn tekst schrijft hij:

“The simpler assemblies don’t work, according to Behe. But McDonald has shown that simpler mousetraps do work, and therein lies the danger to Behe’s ideas.”

Als we de pogingen van McDonald voor het fabriceren van een werkzaam eenvoudige versie van een muizenval bestuderen, dan zeggen de beelden genoeg. De voorgestelde muizenvallen werken niet. In een ander artikel hoop ik hier verder op in te gaan, waarbij ik ook betoog, dat de uitgeklede versie van de muizenval van McDonald nog steeds onherleidbaar complex is. Helaas heb ik enige experimentele ervaring met de originele muizenval van Behe, de werkzame dus. Gebruik van deze muizenval vereist een goede afstelling. Het palletje hoeft maar iets verroest te zijn en de val loopt te stroef, waardoor de val niet dichtklapt als een muis van de kaas snoept. Soms staat hij zo strak afgesteld dat de val al dichtklapt als je hem op de grond plaatst. De opstellingen die McDonald tekent, zijn interessant, grappig en inventief, maar ze werken niet. Als de auteurs dan ook stellen dat de deels ontmantelde muizenval werkt (they can still be made to work), dan is dat precies wat Behe schaart onder de term casperianisme. Het is meer een droom van een evolutionist dan dat het iets met empirie van doen heeft. Het is jammer voor Miller dat half ontmantelde muizenvallen niet als muizenval fungeren, want hij meent:

“If simpler versions of this mechanical device can be shown to work, then simpler versions of biochemical machines could work as well (…) and this means that complex biochemical machines could indeed have had functional precursors… something that Behe asserts could not have happened.”

Dit is een denkfout die je van een wetenschapper niet zo snel zou verwachten. Als we er eens van uitgaan dat McDonald er inderdaad in geslaagd is om de muizenval van Behe te vereenvoudigen, terwijl deze toch zijn functionaliteit behoudt. Wat zou dat dan aantonen? Dan had hij voor de muizenval aangetoond dat deze niet onherleidbaar complex was of niet geheel onherleidbaar complex. Een muizenval is een eenvoudig ding. Als de muizenval niet onherleidbaar complex is, dan was het als voorbeeld van Behe niet zo gelukkig gekozen. Toch wat te eenvoudig. De complexiteit in de biochemie is exponentieel groter en van een veel hogere orde dan die van de muizenval. Beweren dat als je de complexiteit van de muizenval beheerst, je ook de complexiteit in de biochemie beheerst, is alsof je op grond van de waarneming dat je tot tien kunt tellen, beweert dat je ook kunt machtsverheffen en integralen berekenen. Het probleem met de complexiteit in natuurlijke systemen zou gewoon overeind blijven staan.
Ten slotte betoogt Miller dat onderdelen van de muizenval op zichzelf of in combinatie een andere functie kunnen hebben en denkt hij dat dit een argument voor evolutie is. Zo schrijft hij:

“The Mousetrap Argument has a Fatal Flaw. If parts of a mechanical machine like a mousetrap can be used for different purposes, then portions of any “irreducibly complex” biochemical machine can be fully-functional in other biochemical contexts as well. This means that Behe’s argument against evolution fails, because the entire machine need not be assembled for natural selection to produce its individual parts.”

Biologische systemen zijn exponentieel veel complexer van opbouw dan de muizenval. Het is incorrect om te stellen dat de onherleidbare complexiteit in de biologie opgelost is als die van de muizenval opgelost is, maar dat hadden we hierboven ook al gesteld. Laten we samen eens bezien waaruit de fatale zwakte van het ‘argument’ van Behe dan wel bestaat. Miller geeft aan dat onderdelen van een onherleidbaar complex systeem voor andere functies gebruikt kunnen worden dan voor het onherleidbaar complexe systeem. Dit is juist. Volgens hem betekent dit dat het argument tegen evolutie faalt, omdat er geen selectie van het hele systeem nodig is om de individuele onderdelen te produceren. Dit is een rare redenatie.

Miller schijnt het boek van Behe niet gelezen te hebben, of althans erop te gokken dat de lezers van zijn artikel het boek van Behe niet gelezen hebben. Behe geeft duidelijk in zijn boek aan dat bepaalde eiwitten die onderdeel zijn van onherleidbare complexiteit, ook een andere functie hebben. Het tubuline-eiwit is daar een voorbeeld van. Miller schijnt niet te beseffen dat onherleidbare complexiteit meer is dan een samenraapseltje losse onderdelen. Hij lijkt hier te poneren dat als de losse onderdelen maar beschikbaar zijn, het systeem ook wel gaat werken. Hij mist daarbij compleet het punt dat onherleidbaar complexe systemen zorgvuldig geassembleerd moeten worden. Behe legt dit in zijn boek uit met het voorbeeld van de motorboot als onherleidbaar complex systeem. Stel dat op een of andere manier de boot tot stand zou zijn gekomen en deze ligt in het water, en op een of andere wijze is er ook een buitenboordmotor beschikbaar (dit is toegeeflijk in dit voorbeeld, er had ook kunnen worden gesproken over een bromfietsmotor of een raketmotor). De motor heeft geen enkel nut voor de boot als deze onder de boot op de bodem van het meer ligt of in het ruim wordt gekwakt. Deze motor moet op precies de juiste wijze op de juiste plaats onder de juiste omstandigheden aan de boot aangesloten worden en dat kan niet door (random veranderingen) mutatie en selectie plaatsvinden, omdat de buitenboordmotor nog geen functie voor de boot heeft. Stel dat de boot de motor heeft verkregen, dan heeft de boot er geen enkel voordeel van als er geen brandstof zoals diesel beschikbaar is. Als er een plas diesel in het water gekieperd wordt, dan helpt dat niet. Ook als de diesel in het ruim terechtkomt, heeft deze geen nut. De diesel heeft pas nut als deze zich in de tank van de motor bevindt zonder vervuild te zijn geraakt met water of vuiligheid. Beschikbaarheid van onderdelen is slechts één facet van de onherleidbare complexiteit, de onderlinge verhouding van die onderdelen is het andere facet.

Miller gaat verder:

“In spending so much energy showing that this sequence of mousetraps could not have “evolved,” Behe misses the whole point of McDonald’s demonstration. In fact, he also overlooks the most important error in his mousetrap argument, which is his contention that function is abolished by removing any part of an “irreducibly complex” system. At the very same conference, I removed two parts from a mousetrap (leaving just the base, spring, and hammer), and used that 3-part device as a functional tie-clip. I then detached the spring from the hammer, and used the device as a keychain. If I had cared to, I might have used the base and spring (2 parts) as a paper clip, my tie clip (glued to a door) as a door knocker, the catch as a toothpick, or the base as a paperweight.”

Miller doet het voorkomen alsof Behe stelt dat onderdelen van een complex systeem niet zelfstandig of als onderdeel van een ander complex systeem een bepaalde functie kunnen hebben. Dit is onwaar. Behe geeft in zijn boek duidelijk aan dat dat onderdelen meerdere functies kunnen hebben. Als Behe het in zijn definitie over ‘functie’ heeft, dan bedoelt hij de functie van het complexe systeem en niet een andere functie. Als deze functie ook door een uitgeklede versie uitgevoerd kan worden, dan is dat deel van het systeem dat verwijderd kon worden, niet onherleidbaar complex. De voorbeelden die Miller gebruikt, zijn kolderiek. Zo maakt hij van zijn ontmantelde muizenval een dasklem of een sleutelhanger of een paperclip of een deurklopper of een presse-papier etc. Prachtig. Zijn voorbeelden tonen aan dat het mogelijk is om een onherleidbaar complex systeem te ontmantelen en onderdelen te gebruiken voor andere functies. Ze tonen niet aan dat de onderdelen van aparte systemen zijn te assembleren tot een onherleidbaar complex systeem. Hij toont niet aan hoe van een standaard dasklem een werkzame muizenval te maken is of van een deurklopper of van een paperclip. Zo is het mogelijk om van het snoer van een boormachine een hondenlijn te maken, maar van een hondenlijn kan geen boormachine worden gemaakt. De velg van een fiets is eenvoudig te gebruiken als hoepel. Een hoepel is moeilijk op te bouwen tot een fiets. Ontmantelen is eenvoudiger dan opbouwen. Dat geldt in het dagelijks leven en in grote mate voor de complexe systemen in de natuur. Miller denkt evolutie aan te tonen en komt aanzetten met degeneratie.

Nu komt het dus inderdaad voor dat onderdelen van onherleidbaar complexe systemen een functie kunnen hebben in andere systemen. Het is echter niet zo dat dit fenomeen wijd verspreid is. Hij noemt het zelf natuurlijk niet, maar in zijn zoektocht naar ruimte voor de evolutietheorie moet Miller aannemen dat niet slechts enkele onderdelen van een onherleidbaar complex systeem vooraf al een functie hadden, maar dat dit met alle essentiële onderdelen het geval was, inclusief de vele factoren waarvan we weten dat die een sleutelrol vervullen in één specifiek onherleidbaar complex systeem, zoals sleutelenzymen.

Geloof is de sleutel tot kennis - tweedaags Logoscongres

Maar Miller gaat verder:
“As these examples show, portions of a supposedly irreducibly-complex system may be fully-functional in other contexts, and this is the biologically relevant part of the argument. Behe argues that natural selection cannot favor the evolution of a non-functional system (which is true), and then argues that no portion of an “irreducibly complex” system (such as a mousetrap) could have any function. As my 3-part tie clip shows, that’s false, and it’s false in a biologically-relevant way.”

Hier is sprake van pure onwaarheidsprekerij. Behe stelt niet dat onderdelen van een complex systeem geen andere functie kunnen hebben. Maar voor Miller moeten (vrijwel) alle onderdelen vooraf al een functie hebben. Zijn eigen zwakte wordt geprojecteerd op de opponent. Behe beschrijft in zijn boek duidelijk dat delen van complexe systemen ook functies kunnen hebben buiten deze systemen. Hij gebruikt daar meerdere voorbeelden voor, onder andere het eiwit tubuline. Hier wordt een stropop gemaakt die vervolgens door Miller ‘vakkundig’ wordt neergeslagen.

Maar Miller gaat verder:

“If portions of a multipart biochemical are useful within the cell in performing other useful functions, then evolution has a perfectly reasonable way to put the parts of such machines together.”

In deze zinsnede geeft Miller duidelijk blijk van zijn onbegrip van de argumentatie van Behe. In een eerdere discussie repliceerde Behe dat Miller voor het construeren van de muizenvallen met minder onderdelen intelligentie nodig heeft om de onderdelen zodanig te construeren, dat ze gezamenlijk kunnen werken (waarin de gemodificeerde muizenval overigens niet slaagt). En, zoals Behe daarbij schrijft “involvement of intelligence at any point in a scenario is fatal.” Miller is het ermee eens, dat noodzakelijke tussenkomst van intelligentie in een evolutionair proces, het principe van het evolutionaire proces aantast. Toch heeft hij niet door, dat hij alleen voor zichzelf een oplossing heeft gecreëerd voor het bestaan van de onderdelen van een complex systeem maar dat de samenstelling van het geheel uit die onderdelen nog een probleem is. Evolutie heeft geen “perfectly reasonable way to put the parts of such machines together”. Evolutie kent geen doelgerichtheid. Evolutie weet niet dat het in de toekomst handig kan zijn om de losse onderdelen (die elk een functie in een ander netwerk hebben) samen te voegen tot een nu nog functieloos halffabricaat van een in de verdere toekomst zeer zinvol complex systeem. Er is geen aangrijpingspunt voor selectie, want selectie vergt enige initiële functionaliteit in de richting die het op zou moeten gaan. Als het ene eiwit zich in het ene blaasje (celcompartiment) bevindt en het andere in een ander en die locatie is belangrijk voor hun eigen functie, dan komen die dus niet zonder problemen bij elkaar. Als het ene eiwit in het ene celtype in de ene levensfase onder de ene omstandigheid tot expressie komt, geactiveerd wordt, uitgescheiden wordt, en een eiwit waar het ten behoeve van een nieuwe functie mee zou moeten reageren onder volstrekt andere omstandigheden, dan komen ze niet zonder problemen bij elkaar. Twee factoren zouden hypothetisch gezien incidenteel nog door een mutatie bij elkaar kunnen komen en tot een functioneel nieuw complex kunnen leiden. Als voor een onherleidbaar complex systeem echter tot tientallen factoren samen moeten komen, en er is geen selectie van het halffabricaat want dat halffabricaat heeft nog geen functionaliteit in dezelfde richting als het complexe systeem, dan is evolutie een onmogelijke weg om tot zo’n systeem te komen. De enige oplossing voor de evolutionist is, om voor elke opeenvolgende fase van halffabricaten een functie te bedenken die niet conflicteert met het einddoel: de natuurlijke productie van een functioneel onherleidbaar complex systeem. Behe legt de problematiek duidelijk uit in zijn hoofdstuk over vesiculair transport (transport met blaasjes). Als in de keukenla een paar leesbrillen liggen, in de badkamer een spiegeltje, op de slaapkamer een nachtlampje, in de schuur een bankschroef, dan assembleren deze niet door toevallige samenkomst en selectie van functie tot een microscoop (terwijl een microscoop niet eens onherleidbaar complex is, overigens). Miller mist dit punt volledig.

Maar Miller gaat verder:

“This is, incidentally, exactly the case for the very systems that Behe cites. The microtubules, cross-bridges, and linking proteins of the eukaryotic cilium (to use one of his favorite examples) each have other functions within the cell that would favor their production by natural selection.”

Wat Miller hier schrijft, conflicteert met datgene wat common sense is in de biologie en evolutietheorie. Hij poneert dat als iets een specifieke functie heeft, dat selectie bevordert om in de toekomst (!) als onderdeel van een complex systeem een compleet andere functie te hebben. Dit is volledig contra-intuïtief. Een bepaalde factor wordt namelijk geselecteerd voor de functie die hij op dat moment heeft of gedeeltelijk heeft en niet voor iets wat in de toekomst handig zou kunnen zijn. Evolutie ziet niet vooruit.

Maar Miller gaat nog verder:

“In showing that it is possible to use part of a mousetrap for a different purpose, one shows by analogy that it is also possible to use part of a biochemical system for a different purpose. That’s the fatal danger of the mousetrap analogy for Behe’s argument, and it has become a trap from which he cannot escape.”

Miller schrijft dat hij Behe in de klem heeft met zijn opmerking, dat delen van muizenvallen alternatieve functies kunnen hebben. Hij lijkt niet te beseffen dat hij voor het creëren van ruimte voor zichzelf grote aannames moet maken en dat een evolutionair model voor het ontstaan van onherleidbare complexiteit nog altijd klem zit. De muizenval van McDonald en de dasklem van Miller vangen geen muizen en al helemaal geen M. Behe of andere vertegenwoordigers van het Intelligent Design-concept.

LEUK ARTIKEL?
Bent u blij met dit artikel? Het onderhoud en de ontwikkeling van deze website vragen financiële offers. Zou u ons willen steunen met een maandelijkse bijdrage? Dat kan door ons donatieformulier in te vullen of een bijdrage over te schrijven naar NL53 INGB000 7655373 t.n.v. Logos Instituut. Logos Instituut is een ANBI-stichting en dat wil zeggen dat uw gift fiscaal aftrekbaar is.

Written by

Prof. M. Behe heeft al enige tijd geleden een boek geschreven waarin hij poneert dat sommige processen in de natuur, als ze op detailniveau worden bestudeerd, zo complex zijn dat ze niet door mutatie en selectie tot stand kunnen zijn gekomen. Hij is een van de founding fathers van het concept van Intelligent Design geworden.

...
Read more