Vogelveren zijn de meest complexe structuren aan het lichaam van dieren die we kennen. Het vliegen van vogels behoort tot de fascinerendste vaardigheden van dieren. Sinds het midden van de jaren negentig zijn er talloze soorten dinosaurussen ontdekt met veren of een donsachtige lichaamsbedekking. En in die tijd zijn er nieuwe modellen ontwikkeld die het ontstaan van veren kunnen verklaren. Op grond hiervan wordt het ontstaan van vogels vanuit dinosaurussen beschouwd als stevig gegrond in de evolutietheorie. Onlangs publiceerde de studiegroep Wort und Wissen een „Special Paper“ van Reinhard Junker, waarin de evolutie-theoretische vragen omtrent het ontstaan van vogelveren en vogelvlucht kritisch worden besproken. Hieronder een samenvatting van die studie.

Veren als gesynorganiseerde entiteiten

Vogelveren zijn de meest complexe lichaamsaanhangsels in het hele dierenrijk. Voor hun geschiktheid om ermee te kunnen vliegen worden de hoogste eisen gesteld aan materialen, constructie en besturing, zodat minimaal gewicht, robuustheid, flexibiliteit en wendbaarheid gegarandeerd zijn. De fijne constructie met vezels en vezelbundels van bèta-keratine is buitengewoon complex en varieert van de spoel in de follikel tot in de punt. Het systeem van baardjes en haakjes maakt het gecontroleerd openen en sluiten eenvoudig mogelijk. Een complex netwerk van spieren, pezen, zenuwbanen, zintuigjes en vetweefsel, maakt een gecoördineerde beweging en een strakke verankering van de veren mogelijk. Om de functionaliteit van de veren te waarborgen, moeten de verschillende aspecten van de fijne veerstructuur en de veerconstructie nauw op elkaar worden afgestemd (synorganisatie). De veren zelf zijn slechts een deel van de noodzakelijke voorwaarden voor het vliegvermogen van vogels. Er moet ook rekening worden gehouden met tal van anatomische, fysiologische en gedragsmatige biologische vereisten.

Ontstaansmodellen

Evolutionaire modellen moeten rekening houden met de details van het veersysteem en het vluchtsysteem, evenals met hun besturing. Het momenteel gangbare ontstaansmodel voor de veer van Prum (1999) en soortgelijke modellen zijn gebaseerd op de ontogenetische (vert.: vanaf zygote tot volwassen) opeenvolgingen van veerontwikkelingen. Met 5-8 stadia zijn die echter veel te grof om een evolutionaire oorsprong realistisch te kunnen modelleren. Veel van de histologische- en anatomische omstandigheden blijven buiten beschouwing. Een vergelijking van de modellen met de individuele vereisten voor veren en vlucht toont aan dat de modellen ondeugdelijk zijn. Het is daarbij in de kern onduidelijk hoe luchtwaardige veren alleen gecreëerd zouden kunnen zijn via toekomstblinde variatie en selectie, naast andere puur natuurlijke processen.

Fossielen

Sinds het midden van de jaren negentig zijn er bij verschillende groepen dinosauriërs meer dan een dozijn fossiele genera met donzige lichaamsbedekking (zgn. „dino-dons“) gevonden. Dit met inbegrip van de groepen die in de buurt van vogels worden geplaatst (zgn. „Niet-vogelachtige dinosaurussen“). Daarom worden deze vezelachtige, deels in bosjes staande, of licht vertakte lichaamsaanhangsels, meestal geïnterpreteerd als eenvoudige veren en als protoveren aangeduid. Het is echter niet duidelijk of daarbij ook follikels (het deel van de veren dat ingebed is in het lichaam) ontstaan waren en het is niet zeker of sommige van deze structuren hol waren. De term „veer“ is daarom twijfelachtig. Vanwege de zeer brede systematische distributie van „dino-dons“ wordt in het uitgebreide artikel besproken of een vezelige of harige lichaamsbedekking een algemeen kenmerk van dinosauriërs zou kunnen zijn, waardoor het indicatieve karakter ervan als mogelijke voorloper van de veer verloren gaat. In een aantal niet-vogelachtige dinosauriërs van verschillende systematische verwantschap werden ook platte contourveren aangetoond. Deze zijn in wezen vergelijkbaar met de veren van vandaag. Het kan niet worden uitgesloten dat het hier gaat om vogels die secundair hun vliegvermogen hebben verloren. Het fossielenarchief laat een duidelijke kloof zien tussen genera met dino-dons en die met contourveren.

Stratigrafische volgorde

Niet-vogelachtige dinosauriërs met donsbedekking of contourveren worden niet alleen op verschillende plaatsen in het cladistische systeem ingedeeld, maar ze komen in de geologische stadia voor zonder een duidelijk herkenbare volgorde. De geologisch oudste genera met contourveren zijn ongeveer even oud als de oudst bekende geslachten met dons. Veel niet-vogelachtige dinosaurusgeslachten met dons zijn geologisch significant jonger dan een aantal genera met platte veren en ook jonger dan talrijke vogelgeslachten van de Enantiornithes („omgekeerde vogels”) en Ornithurae („vogelstaarten“). Gemeten naar de stratigrafische volgorde is er geen trend van een veer-evolutie waar te nemen.

Hypothesen over de vogelvlucht

Met betrekking tot het ontstaan van de vogelvlucht staan de cursoriale- of ren-theorie (evolutionair begin van de vogelvlucht met snelle aanloop vanaf de grond) en de arboreale theorie of boomtheorie (begin vanuit bomen) tegenover elkaar. De motiveringen voor de concurrerende modellen zijn nogal vaag en zijn voornamelijk gebaseerd op tegenargumenten tegen het respectieve concurrerende model. De bezwaren zijn zo talrijk en fundamenteel, dat beide scenario’s onaannemelijk zijn. Nieuwere benaderingen zoals het onderweg ontstaan van vlucht via het „WAIR“-gedrag („wing-assisted incline running“ – door vleugels ondersteunde hellingloop) of een „duikvlucht-model“ (Pouncing-Proavis-Model) lijden ook schipbreuk, vanwege talrijke bezwaren. Net als bij de ontstaansmodellen voor de veer, worden veel relevante details buiten beschouwing gelaten, waardoor de modellen voor het ontstaan van de vogelvlucht onrealistisch zijn.

Selectiefactoren

Op enkele uitzonderingen na, zijn de wetenschappers van mening dat veren vanaf het begin niet op vliegvermogen werden geselecteerd, maar aanvankelijk een andere functie vervulden en later werden gecoöpteerd voor vliegdoeleinden. Er is een verscheidenheid aan opvattingen over een mogelijke initiële functie (en bijbehorende initiële selectiedruk); een consensus is niet in zicht en fossielen bieden hier geen opheldering. Bovendien wordt met de omleiding via een andere eerste functie van veren dan die van vliegvermogen, slechts zeer weinig gewonnen omdat een groot deel van de uitrusting die vereist is om te vliegen, niet nodig is voor alle andere besproken doelen.

Methodische vragen

De vraag naar de testbaarheid van theorieën over het ontstaan van vogelveren en vogelvlucht wordt maar zelden in de vakliteratuur behandeld. Een directe (experimentele) test is fundamenteel onmogelijk, omdat het om historische processen gaat, die anders dan op het experimentele terrein, getest worden met zoveel mogelijk bevestigende bevindingen (in vergelijking met concurrerende hypothesen). De volgende criteria worden besproken: veranderingsstappen moeten realistisch en continu zijn, passend in de tijdsvolgorde, in cladogrammen passen, waarbij het functioneel geheel van de organismen in aanmerking moet worden genomen. Deze testcriteria zijn echter zacht en meestal vaag in de praktijk. Bovenal falen de voorgestelde modellen bij de criteria van continuïteit en het rekening houden met het functioneel geheel.

,strong>Creatie

Een fundamenteel kenmerk van wetenschap is waarheidsoriëntatie en dus ook openstaan voor fundamenteel verschillende benaderingen. De mogelijkheid van een schepping – een doelbewust, doelgericht voortbrengen door een geestelijk begaafde Schepper – kan in principe niet worden uitgesloten. De eis van de naturalistische benadering, volgens welke alleen de natuurwetten, toeval en plausibele randvoorwaarden voor verklaringen zijn toegestaan, is wetenschapstheoretisch niet te rechtvaardigen en leidt tot cirkelredeneringen. Talrijke bevindingen in het fossielenarchief en in de constructie van veren, evenals het aanhoudend falen van de naturalistische ontstaanshypothesen voor het ontstaan van vogelveren en vogelvlucht, kunnen worden beschouwd als aanwijzingen voor een Schepper.

Het volledige artikel (PDF, 9,2 MB) is gratis ter beschikking op http://www.wort-und-wissen.de/artikel/sp/b-17-1_feder-und-flug.pdf.

Dit artikel is met toestemming overgenomen van de website Genesisnet. Het originele artikel is hier te vinden.

LEUK ARTIKEL?
Bent u blij met dit artikel? Het onderhoud en de ontwikkeling van deze website vragen financiële offers. Zou u ons willen steunen met een maandelijkse bijdrage? Dat kan door ons donatieformulier in te vullen of een bijdrage over te schrijven naar NL53 INGB000 7655373 t.n.v. Logos Instituut. Logos Instituut is een ANBI-stichting en dat wil zeggen dat uw gift fiscaal aftrekbaar is.

Written by

Vogelveren zijn de meest complexe structuren aan het lichaam van dieren die we kennen. Het vliegen van vogels behoort tot de fascinerendste vaardigheden van dieren. Sinds het midden van de jaren negentig zijn er talloze soorten dinosaurussen ontdekt met veren of een donsachtige lichaamsbedekking. En in die tijd zijn er nieuwe modellen ontwikkeld die het ontstaan van veren kunnen verklaren.

...
Read more